Kortrijk
Motregen
8° - 10°
Antwerpen
Motregen
9° - 10°
Blog
Blog
13 augustus 2025 | Deborah Smets

RvVb stelt prejudiciële vraag over de passende beoordeling bij meldingen

In het arrest van 31 juli 2025, nr. RvVb-A-2425-1070 stelt de RvVb een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de passende beoordeling bij meldingen.

Conform de bepalingen van het Natuurdecreet is een passende beoordeling enkel verplicht wanneer een vergunningsplichtig project de Europees beschermde natuur betekenisvol kan aantasten. Meldingsplichtige projecten vallen bijgevolg niet onder die verplichting. De Raad voor Vergunningsbetwistingen vraagt nu aan het Hof van Justitie of die uitsluiting overeenstemt met het Unierecht:

'Zoals blijkt uit de beoordeling onder punt 3 legt artikel 36ter, §3 Natuurdecreet enkel een verplichting tot opmaak van een passende beoordeling op voor vergunningsplichtige activiteiten die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kunnen veroorzaken. Daarmee stelt de decreetgever dus projecten waarvoor op basis van criteria of drempelwaarden overeenkomstig de betrokken regelgeving een meldingsplicht geldt, systematisch vrij van opmaak van een passende beoordeling. Het blijkt niet dat daaraan enige algemene of wetenschappelijke studie over de gehanteerde criteria en drempelwaarden vooraf is gegaan die op basis van objectieve gegevens elke wetenschappelijke twijfel wegneemt dat dergelijke meldingsplichtige projecten geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone kunnen veroorzaken.

In het voorliggend dossier bijvoorbeeld wordt de grondwaterwinning op basis van haar diepte en debiet ingedeeld in de klasse die slechts een melding vereist, waardoor een opmaak van een passende beoordeling overeenkomstig artikel 36ter, §3 Natuurdecreet niet verplicht is. Nochtans is het niet uitgesloten dat dergelijke grondwaterwinningen, afzonderlijk of in combinatie met bijvoorbeeld andere grondwaterwinningen in de omgeving, een significante impact kunnen hebben op de natuurlijke kenmerken van speciale beschermingszones. Een dergelijke regeling lijkt niet te stroken met de vereisten uit artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en de invulling die het Hof van Justitie in zijn vaste rechtspraak aan die bepaling geeft.

In dat kader stelt de Raad het Hof van Justitie van de Europese Unie dan ook volgende vraag over de interpretatie van artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn:

“Staat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in de weg aan een wettelijke regeling die ertoe strekt dat projecten waarvoor geen vergunning, toelating of machtiging maar enkel een melding vereist is, zoals beperkte grondwaterwinningen, niet worden onderworpen aan een verplichting tot opmaak van een passende beoordeling, ook al kunnen deze projecten een significante impact hebben op de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone?”'

Deel dit artikel