Op 23 juli 2025, nog maar enkele maanden na de uitspraak in de Shell-zaak, deed het Internationaal Gerechtshof (IGH) een baanbrekende uitspraak over de rol van staten in de klimaatcrisis. Deze uitspraak – in de vorm van een niet-bindend, maar gezaghebbende advisory opinion – beantwoordt twee fundamentele vragen van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties:
Wat zijn de verplichtingen van staten onder internationaal recht met betrekking tot klimaatverandering?
Wat zijn de juridische gevolgen voor staten die aanzienlijke schade hebben toegebracht aan het klimaat en andere delen van het milieu?
De uitzonderlijke grote interesse voor de zaak uit de internationale gemeenschap, blijkt ook uit de enorme betrokkenheid in de procedure. Alzo ontving het Hof in de schriftelijke fase van de procedure maar liefst 91 schriftelijke standpunten (written statements) en 62 aanvullende opmerkingen (written comments). Tijdens de hoorzittingen namen vervolgens 96 staten en 11 internationale organisaties het woord. Nog nooit eerder in de geschiedenis van het Internationaal Gerechtshof – en ook niet bij zijn voorganger, het Permanent Hof van Internationale Justitie – was de participatie in een zaak zo groot.
Wat zegt het hof over de verplichtingen van staten?
Volgens het Hof vormt een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu een essentiële voorwaarde voor de daadwerkelijke uitoefening van mensenrechten. Omdat milieubescherming en mensenrechten nauw met elkaar verweven zijn, kunnen staten hun mensenrechtenverplichtingen dus niet naleven zonder ook het leefmilieu te beschermen als een fundamenteel mensenrecht.
Concreet betekent dit dat staten verplicht zijn om:
De uitstoot van broeikasgassen te beperken (mitigatie);
Maatregelen te nemen ter bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie);
Internationaal samen te werken en gemaakte klimaatafspraken na te leven;
Bijzondere aandacht te hebben voor kwetsbare groepen en toekomstige generaties;
De mensenrechten te beschermen in samenhang met milieu- en klimaatbeleid.
Het Hof benadrukt bovendien dat deze verplichtingen bindend zijn, voortvloeiend uit verschillende bronnen van internationaal recht: het VN-Handvest, de UNFCCC, het Parijsakkoord, het Zeerechtverdrag (UNCLOS), mensenrechtenverdragen, andere verdragen inzake het milieu én het gewoonterecht. Daarbij onderlijnt het Hof dat deze verplichtingen erga omnes zijn. Met andere woorden: Elke staat heeft deze verplichtingen ten aanzien van de internationale gemeenschap als geheel. Dit is een belangrijke kwalificatie, want het opent de deur naar bredere verantwoordelijkheid en mogelijke handhaving.
En wat zijn dan de juridische gevolgen voor staten?
Met betrekking tot de tweede vraag bevestigt het Hof dat het niet naleven van de klimaatverplichtingen een internationaal onrechtmatige daad (internationally wrongful act) vormt. Dat wil zeggen: als een staat zijn verplichtingen niet nakomt, kunnen daar juridische gevolgen aan verbonden zijn. De juridische gevolgen van zo’n schending kunnen bestaan uit:
Cessatie: het onmiddellijk stopzetten van de schadelijke handelingen of nalatigheden;
Garantie van niet-herhaling (guarantees of non-repetition): maatregelen om herhaling te voorkomen;
Reparatie: herstel van schade aan benadeelde staten, wat kan in de vorm van restitutie, compensatie of genoegdoening.
Het Hof voegt wel een belangrijke nuance toe: om tot aansprakelijkheid en herstelverplichtingen te komen, moet er een voldoende zeker causaal verband aangetoond worden tussen het onrechtmatig handelen en de opgelopen schade. Die juridische drempel is niet nieuw, maar de expliciete bevestiging ervan in de context van klimaatverandering is belangrijk.
Meer weten?
De volledige tekst van de Advisory Opinion kan u hier terugvinden of een samenvatting van de tekst kan u hier terugvinden.
De press-release kan u hier lezen.