21/09/2019

Grondwettelijk Hof vernietigt wijziging aan de taalwet in gerechtszaken

 

Het Grondwettelijk Hof heeft in een belangwekkend arrest nr. 120/2019 van 19 september 2019 artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde vernietigd. Deze wet kaderde in de wil van de wetgever om o.a. de rechtspleging te deformaliseren. Artikel 5 wijzigde daarbij artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

De verzoekende partijen verweten artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 dat het werd aangenomen met een gewone meerderheid, terwijl, voor wat het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, op grond van artikel 157bis van de Grondwet de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bijzondere meerderheid zou zijn vereist.

Vóór de wijziging van artikel 40 had de niet-naleving van de opgelegde verplichtingen inzake het gebruik der talen de absolute nietigheid tot gevolg van de akten die met miskenning van de wet werden gesteld. Die nietigheid diende ambtshalve door de rechter te worden vastgesteld. Na de wijzigingen zou de wet van 15 juni 1935 niet meer als een wetgeving van openbare orde kunnen worden beschouwd en zou de rechter niet langer ambtshalve de niet-naleving van de wet kunnen sanctioneren.

Het Hof oordeelde dat deze wijziging dient te worden vernietigd:

'Door de nietigheid waarin is voorzien bij artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 gelijk te stellen met de gemeenrechtelijke nietigheidsregeling, wijzigt de bestreden bepaling de sanctieregeling die van toepassing is in geval van schending van de artikelen 1 tot 39 van die wet. Tot die bepalingen behoren de regels die, luidens de in B.17.2 uiteengezette parlementaire voorbereiding, vallen onder de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel zoals bedoeld in artikel 157bis van de Grondwet. Dit geldt met name voor de mogelijkheid voor de partijen om, krachtens de artikelen 1 tot 7ter van de wet van 15 juni 1935, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012 « betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel », op eenzijdig verzoek of in onderlinge overeenstemming een wijziging van de taal of de verwijzing naar een rechtscollege van de andere taalrol te vragen, of vrijwillig te verschijnen voor de rechtbank van de taal van hun keuze. De sanctieregeling die van toepassing is in geval van schending van de regels die vallen onder de essentiële elementen van de wet van 19 juli 2012, maakt integrerend deel uit van die regels en van die essentiële elementen, aangezien zij de mogelijkheid voor de partijen om zich op die regels te beroepen en voor de rechter om de niet-inachtneming ervan te bestraffen, bepaalt.

B.18.3. In zoverre zij de sanctieregeling wijzigt die van toepassing is in geval van schending van de regels die vallen onder de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, diende de bestreden bepaling, overeenkomstig artikel 157bis van de Grondwet, derhalve te worden aangenomen bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid.

B.19. Artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 dient te worden vernietigd in zoverre het van toepassing is in het gerechtelijk arrondissement Brussel.'

 

Ten tweede voerden de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling de mogelijkheid afschaft voor de rechter om proceshandelingen ambtshalve nietig te verklaren, waardoor hij kennis moet nemen van processtukken in talen die hij niet of slechts in beperkte mate wordt geacht te beheersen en zodat niet langer wordt gewaarborgd dat de procespartijen daadwerkelijk worden gehoord. Voorts zouden de afschaffing van de mogelijkheid tot ambtshalve nietigverklaring en de verplichting om belangenschade te bewijzen ertoe kunnen leiden dat de betrokken partij zich niet kan verweren in de taal van het taalgebied die zij voldoende machtig is en dat een kwetsbare partij haar rechten niet kan laten gelden. Evenmin zou de bestreden bepaling voorzien in waarborgen om te voorkomen dat procespartijen geconfronteerd worden met stukken of pleidooien die zij onvoldoende begrijpen of dat ten onrechte wordt geoordeeld dat een procespartij een bepaalde taal voldoende beheerst. Ten slotte zou de bestreden bepaling tot gevolg hebben dat de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige taalgebied of van het tweetalige karakter van het taalgebied niet meer kan worden verzekerd en dat rechtsonzekerheid ontstaat over de toe te passen taalregeling.

Het Hof is ook deze redenering gevolgd:

'B.26.3. Zoals is uiteengezet in B.22.1, heeft de wet van 15 juni 1935 het taalgebruik in gerechtszaken in België geregeld met de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging als uitgangspunt, wat zijn weerslag vindt in de rechterlijke organisatie en de vereiste taalkennis van magistraten. 

De rechter beschikt evenwel over geen enkele mogelijkheid om ambtshalve in te grijpen wanneer de partijen de regels van de artikelen 1 tot 39 van de wet van 15 juni 1935 niet naleven en hierdoor de eentaligheid van de rechtspleging, het recht op een eerlijk proces of de behoorlijke rechtsbedeling in het gedrang brengen.

B.26.4. De ontstentenis van elke mogelijkheid voor de rechter om in die omstandigheden ambtshalve in te grijpen, heeft tot gevolg dat hij ertoe verplicht kan worden kennis te nemen van processtukken die niet zijn gesteld in de verplichte taal van de rechtspleging voor het rechtscollege waartoe hij behoort en die hij wettelijk niet wordt verondersteld te kennen. Dit geldt niet enkel voor de door de partijen ingediende processtukken, maar onder meer ook voor deskundigenverslagen, die volgens de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 eveneens in de taal van de eentalige rechtspleging moeten worden gesteld (artikel 33).

Aldus is niet gewaarborgd dat de rechter voorafgaand aan zijn beslissing op gepaste wijze kennis kan nemen van de grieven en argumenten van de partijen en dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd.'

Gepost door Guillaume Vyncke

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Guillaume Vyncke
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/09/2019

Verkeerde aanduiding verwerende partij? Geen beletsel voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen

In de aan het arrest nr. RvVb/A/1920-0021 van 3 september 2019 onderliggende zaak werd door verwerende partij opgeworpen dat de vernietigingsvordering onontvankelijk was omdat verzoekende partijen ten onrechte de gemeente als verwerende partij en niet het college van burgemeester en schepenen hadden aangeduid, dat nochtans de auteur van de bestreden beslissing is. Artikel 15 van het Procedurebesluit voorziet nochtans dat het verzoekschrift (minstens) de volgende gegevens bevat: 2° in voorkomend geval, de naam en het adres van de verweerder.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt evenwel dat deze bepaling niet voorgeschreven is op straffe van onontvankelijkheid en er evenmin een andere sanctie is voorzien voor een eventuele foutieve aanduiding van de verwerende partij.De Raad vervolgt:

‘Uit het gevoerde verweer, in het bijzonder het opwerpen van deze exceptie, blijkt dat de vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing de verwerende partij heeft bereikt en dat zowel het verzoekschrift tot vernietiging als de bestreden beslissing die ook gevoegd werd bij het verzoekschrift, op duidelijke wijze de auteur vermeldt van de bestreden beslissing. Op basis van de bestreden beslissing kan het college van burgemeester en schepenen als verwerende partij geïdentificeerd worden. Hiermee wordt het normdoel van de betreffende bepaling bereikt. De verwerende partij bewijst evenmin enige belangenschade, nu zij als procespartij in het geding vertegenwoordigd is.

Uit de antwoordnota van de verwerende partij blijkt dat zij zich heeft kunnen verweren ten aanzien van het verzoekschrift tot vernietiging van de bestreden beslissing, zodat haar rechten van verdediging geenszins werden geschonden.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoekschrift (samen gelezen met de bestreden beslissing) voldoende elementen bevat voor de identificatie van de verwerende partij, dat de verwerende partij het verzoekschrift tijdig heeft ontvangen en op nuttig wijze verweer heeft kunnen voeren.

De exceptie wordt verworpen’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/09/2019

Over het verschil tussen ontvankelijkheid en gegrondheid en de band met de motiveringsplicht

In een merkwaardig arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb-A-1819-1344 van 27 augustus 2019 ontwaart de RvVb een motiveringsgebrek. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden voor groepswoningbouw werd door het college van burgemeester en schepenen onontvankelijk verklaard omwille van een voorlopig vastgesteld gemeentelijk RUP op basis waarvan de aanvraag niet verder kan behandeld worden.

De Raad stelt:

'Voormelde overweging is geen juridisch correcte motivering voor de vaststelling van de onontvankelijkheid van de aanvraag. De eventuele strijdigheid van een aanvraag met een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan betreft in principe een onderdeel van het onderzoek ten gronde van de aanvraag en niet van het onderzoek van de onontvankelijkheid ervan, zoals bepaald in artikel 19 OVD. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing geen enkele verklaring waarom de voorlopige vaststelling van het RUP in casu tot de onontvankelijkheid van de aanvraag dient te leiden'.  

Dit lijkt wel een zeer formalistisch arrest dat de verzoeker ook weinig soelaas zal kunnen bieden bij bestemmingsstrijdigheid.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/09/2019

Medewerker / stagiair Publius gezocht in Kortrijk

Oog voor detail en een ruime blik op het publiek recht.

Publius telt 18 advocaten en is verviervoudigd sinds zijn oprichting in 2007. Draag jij bij tot onze verdere groei?

Wie zoeken we?
Je vertoont een grote interesse in het publiekrecht. Je houdt van uitdagingen en bewandelt graag onbekend terrein. Je laat je opmerken door je creativiteit en leergierigheid. Je bent zeer punctueel en doorliep een vlekkeloos academisch parcours. Je bent een doorzetter en kan zelfstandig werken. Je bent sterk communicatief in woord en schrift. Een commerciële ingesteldheid mag, maar is geen must. Je bent in staat om een goede vertrouwensband op te bouwen met de cliënt. De nadruk ligt vooral op overheidsopdrachtenrecht, ambtenarenrecht, onderwijsrecht en burgerlijk recht (aannemingsrecht, zakenrecht, vastgoedrecht).

Wat bieden we?
Als medewerker ben je in staat om een dossier zelfstandig op te volgen, uiteraard in overleg met de partner voor wie je werkt. Je zal zowel op consultancy-opdrachten als bij het voeren van procedures ingezet worden. Je krijgt onmiddellijk visibiliteit en komt in direct contact met de cliënt. Je komt terecht in een enthousiaste en dynamische omgeving met een no-nonsense cultuur. Je krijgt alle kansen om je professioneel te ontplooien (deelnemen aan studiedagen, voordrachten geven, publiceren van juridische bijdragen). Bovendien kan je rekenen op een aantrekkelijke verdienste met reële toekomstperspectieven. Neem zeker een kijkje op onze website en ontdek waarvoor we staan.

Hoe solliciteren?
Mail je cv met motivatiebrief naar jobs@publius.be. Wij contacteren je spoedig! Alle sollicitaties worden met de nodige discretie en vertrouwelijkheid behandeld.

Blog Publius Nieuws
Tags Jobs
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/09/2019

De Raad van State blijft belangrijke arresten vellen over de werking van het FAVV en van diens beroepscommissie en van de minister!

In het arrest nr. 245.333 van 29 augustus 2019 heeft de Raad van State zich nogmaals uitgesproken over de intrekkingsprocedure (P15) van de artikelen 15 en 16 van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV.

Als het FAVV besloot tot de intrekking van een erkenning of de toelating en de minister willigde, op advies van de Beroepscommissie, het beroep in, werd er vaak bepaald dat een controle zou volgen en dat, zou er dan ‘enige’ nieuwe inbreuk worden vastgesteld, de intrekking van de erkenning of de toelating alsnog definitief zou zijn, met enkel een beroep bij de Raad van State als optie. In het arrest nr. 245.214 van 19 juni 2019 besliste de Raad van State dat er altijd tot een evenredigheidstoets moet overgegaan worden.

In de zaak die aanleiding gaf tot het nieuwe arrest nr. 245.333 werd voor de Beroepscommissie geargumenteerd dat de minister zijn beroepsbevoegdheid niet kon delegeren aan het FAVV. Hierop werd de systematiek schijnbaar aangepast en werd overgegaan tot een controlebezoek ... op instructie van de beroepscommissie, dus vóór de ministeriële beslissing. Deze controle viel blijkbaar slecht uit en de minister verwierp het beroep.

De auditeur trad de verzoeker in de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij dat de Beroepscommissie daarmee haar bevoegdheid te buiten ging, maar de Raad van State ziet dit anders:

'Op het eerste gezicht staat artikel 16, § 5, van het koninlijk besluit van 6 januari 2006 er niet aan in de weg dat de beroepscommissie een bijkomende controle ter plaatse laat verrichten over de gegrondheid van de door de operator ingediende bezwaren en haalbaarheid van de voorgestelde verbeteringen. Zo'n onderzoek lijkt veeleer te getuigen van de vereiste zorgvuldigheid'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, FAVV
Stel hier je vraag bij dit blogbericht