18/10/2019

Grondwettelijk Hof beperkt bouwmogelijkheden in landschappelijk waardevol agrarisch gebied

In het arrest van 17 oktober 2019 fluit het Grondwettelijk Hof de decreetgever terug die de vergunningverlening in de landschappelijk waardevol agrarische gebieden net wenste te vergemakkelijken.

Bedoeling hierbij was om de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van werken of handelingen in landschappelijk waardevol gebied rekening te laten houden met  de al in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw. De vergunningsaanvrager diende aan te tonen dat wat hij vraagt, landschappelijk inpasbaar is. Dat kon - sinds het nieuwe artikel 5.7.1 VCRO - aan de hand van (i) maatregelen ter bevordering van de integratie in het landschap, (ii) een verwijzing naar de landschapskenmerken uit de vastgestelde Landschapsatlas van het agentschap Onroerend Erfgoed, of (iii) een beschrijving van de clusters van bedrijvencomplexen, verspreide bebouwing en lijninfrastructuur (wegen, waterlopen, hoogspanningsleidingen, masten...) die al in het gebied aanwezig is.

Het Grondwettelijk Hof, gevat door een aantal milieuverenigingen, oordeelt dat dit artikel 5.7.1 VCRO een impliciete wijziging is van het bestemmingsvoorschriften van ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ zonder dat hierover een openbaar onderzoek werd georganiseerd waarbij de burger dus niet gehoord wordt inzake deze impliciete wijziging..

Het Hof oordeelt als volgt:

‘Ondanks die waarborgen, [die de decreetgever had ingebouwd in het artikel 5.7.1] veroorzaakt het bestreden artikel evenwel een dermate aanzienlijke achteruitgang met betrekking tot het leefmilieu dat het niet redelijk verantwoord is dat niet in inspraakmogelijkheden is voorzien. Het daaruit volgende verschil in behandeling is des te minder verantwoord nu in de regel wijzigingen in bestemmingsvoorschriften worden doorgevoerd via de vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan waarbij inspraakmogelijkheden wel aanwezig zijn, zoals nader bepaald in hoofdstuk II (« Ruimtelijke uitvoeringsplannen ») van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Er is geen enkel motief van algemeen belang op geldige wijze aangevoerd ter ondersteuning van die aanzienlijke achteruitgang in het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.’ [eigen aanduiding]

Een en ander kan o.i. een verregaande impact hebben op het bouwen of oprichten van constructies in gebieden met deze beschermende overdruk. In het bijzonder kan hier worden gedacht aan impactvolle constructies zoals windturbines, serrebouw edm.

Er wordt dus teruggevallen op de oudere en een stuk strengere regeling.

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Grondwettelijk Hof, Meindert Gees, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/06/2019

Afwijkingsmogelijkheden van 15 jaar oude BPA's en verkavelingen teruggeschroefd

Vandaag werd het Decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw (of ook: het Verzameldecreet 2019) in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Dit Verzameldecreet voert onder andere een aantal wijzigingen door aan de VCRO, het omgevingsvergunningendecreet en het DABM.

Met betrekking tot de versoeplingen die de Codextrein had ingevoerd inzake 15 jaar oude verkavelingen of Bijzondere Plannen van Aanleg, achtte de decreetgever deze iets te soepel en tracht zich hierbij kennelijk te herpakken.

Inzake verkavelingen maakt het nieuwe decreet het mogelijk dat de gemeenteraad kan beslissen, los van een concrete vergunningsaanvraag, de verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar toch te behouden als weigeringsgrond. Bijkomend maakt het verzameldecreet het mogelijk dat in het kader van de beoordeling van een concrete vergunningsaanvraag, de vergunningverlenende overheid gemotiveerd kan verwijzen naar bepaalde voorschriften van een meer dan 15 jaar oude verkaveling, waarbij zij dan aangeeft dat die voorschriften nog steeds belangrijke actuele criteria omvatten om op die specifieke plaats de goede ruimtelijke ordening te motiveren.

Zo ook is het vanaf nu mogelijk dat constructies die gelegen zijn in meer dan 15 jaar oude zonevreemde verkavelingen als zonevreemde constructie kunnen worden beschouwd en bijgevolg in aanmerking komen voor toepassing van de zonevreemde basisrechten ingeval de onderliggende gewestplanbestemming als toetsingskader naar boven komt. Het verzameldecreet wijzigt namelijk de definitie van “zonevreemde constructie” in artikel 4.4.1, 17° van de VCRO.

Inzake BPA's wordt voorzien in het feit dat de gemeenteraad kan beslissen dat voor een BPA ouder dan 15 jaar de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.4.9/1 VCRO niet kan worden aangewend. Zo kan de gemeente gebiedsgericht een afweging maken in functie van de ligging van de percelen, de inhoud van de stedenbouwkundige voorschriften van elk BPA enz

Bijkomend kan het vergunningverlenende bestuursorgaan bij de behandeling van individuele vergunningsaanvragen, gemotiveerd beslissen om de afwijkingsmogelijkheid niet toe te passen indien het van oordeel is dat de stedenbouwkundige voorschriften nog steeds de criteria van een goede ruimtelijke ordening (bedoeld in artikel 4.3.1,§2 VCRO) weergeven.

Geen onbelangrijke wijzigingen voor de praktijk dus.

Daarenboven is er voor deze specifieke wijzigingen geen overgangsbepaling voorzien. Deze bepalingen treden dus in werking 10 dagen na publicatie in het staadsblad.

Bij vragen, kan u ons gerust contacteren.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags DABM, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, VCRO, Verkavelingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2018

Hof van Justitie heeft zich uitgesproken over (te vrijblijvende?) Nederlandse Programma Aanpak Stikstof (PAS)

De PAS is een programmatische aanpak die ervoor moet zorgen dat de stikstofdeposities dalen en andere maatregelen worden genomen ter verbetering van de staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, waardoor bijkomend vergunningen kunnen worden verleend zonder een hypotheek te leggen op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Bij onze noorderburen werd een dergelijke Programmatische Aanpak Stikstof eerder al uitgewerkt in wat in de rechtsleer beschouwd werd als een ronduit unieke en innovatieve poging om economische ontwikkelingen te verzoenen met stringente natuureisen.

Vlaanderen volgde later. Op 23 april 2014 keurde de Vlaamse regering de gebiedsgerichte instandhoudingsdoelen (S-IHD) voor de verschillende speciale beschermingszones goed. Wegens de gevolgen voor de vergunningverlening keurde zij eveneens het concept goed van een programmatische aanpak stikstof (PAS).

Het Europese Hof van Justitie werd door de Nederlandse Raad van State bevraagd omtrent de Nederlandse PAS. In het arrest in de gevoegde zaken C-293/17 en C-294/7 van vandaag, 7 november 2018, heeft het Hof zich hierover uitgesproken.

Het heet dat het Nederlandse stikstofbeleid als te vrijblijvend wordt beschouwd.

Een vrijstelling voor bemesten en beweiden is alleen mogelijk als op grond van ‘objectieve gegevens’ is verzekerd dat geen aantasting van het Natura 2000-gebied zal plaatsvinden.

De PAS is toegestaan, maar dan moet de passende beoordeling wel grondig en volledig zijn getoetst en worden gegarandeerd dat er geen wetenschappelijke twijfel is dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

Bij een passende beoordeling mag geen rekening worden gehouden met maatregelen als de verwachte voordelen niet vaststaan.

Het Hof oordeelde (o.m.):

‘122. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of er bij een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, alleen rekening kan worden gehouden met dergelijke maatregelen als die maatregelen reeds zijn getroffen en resultaat hebben gehad.

123. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het in strijd met de nuttige werking van artikel 6, leden 1 en 2, van de habitatrichtlijn zou zijn dat naar het effect van maatregelen die krachtens die bepalingen nodig zijn, kan worden verwezen om, voordat die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd, op grond van lid 3 van dat artikel een vergunning te verlenen voor een plan of project dat gevolgen heeft voor het betrokken gebied [zie in die zin arrest van 17 april 2018, Commissie/Polen (oerbos van Białowieża), C‑441/17, EU:C:2018:255, punt 213].’

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Meindert Gees, Milieurecht, Passende beoordeling, Vlaams Gewest, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/10/2018

Habitattoets ook bij 'natuurparkings' vereist!

De Raad van State vernietigt met zijn arrest nr. 242.577 van 9 oktober 2018 het besluit van 25 juli 2016 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kemmelberg’. De Raad van State stelt in dit arrest vast dat het plan in de ontwikkeling van een parkeerzone van maximaal 2750m² verharde oppervlakte voor 60 voertuigen voorziet, in een gebied dat met het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 2014 als een speciale beschermingszone “BE2500003 West-Vlaams Heuvelland” is afgebakend. De Raad is van oordeel dat de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid en de provincie er niet mochten van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze zone is:

'5.3. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.

5.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.

(...)

5.7. Verzoeker betoogt, zoals ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift,  dat de aanleg van een parking voor 60 voertuigen de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied hypothekeert.

5.8. Terecht stelt verzoeker dat het argument van de Procoro dat zich op de kwestieuze locatie momenteel geen habitat zou bevinden, zijn voormelde kritiek niet weerlegt, nu de instandhoudingsdoelstellingen een “stijging” van de natuurwaarden beogen. Het argument van de Procoro dat volgens het advies van de afdeling Natuur en Bos geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur “in het VEN” zal worden veroorzaakt, toont voorts evenmin aan dat de aanleg van de kwestieuze parking de toekomstige invulling van het “habitatrichtlijngebied” niet vermag te hypothekeren.

Dat de aanleg van de kwestieuze parking in habitatgebied toelaat om elders bestaande parkings te “supprimeren” en het vervangen van die parkings door één grote groene parking ten voordele komt van het gehele habitatrichtlijngebied, komt de Raad van State dan weer voor als een “compenserende maatregel” in de zin van artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, waarvoor de bij deze bepaling gestelde voorwaarden niet blijken
te zijn vervuld.

5.9. De door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden “in het natuurgebied” van het PRUP, dat zij het initiatief zal nemen om dit zoveel als mogelijk op haar gronden te realiseren, en dat in de “creatie van ca. 170 ha extra natuurgebied” wordt voorzien, overtuigen er voorts evenmin van dat de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied door de kwestieuze parkeerlocatie niet kan gehypothekeerd worden.

5.10. Gelet op het voormelde, vermocht de dienst Mer, daarin bijgetreden door de plannende overheid, er niet met goed gevolg van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele “en potentieel te realiseren” habitats bestaat en dat “een passende beoordeling [dus] niet nodig is”.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags MER, Meindert Gees, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/10/2018

Kunnen oude constructies nog geviseerd worden in het kader van een herstelvordering voor nieuwe constructies?

Het antwoord op deze vraag is bevestigend als er gewaagd kan worden van eenzelfde eenheid van opzet en/of er sprake is van een zgn. voortgezet misdrijf.

Minister Schauvliege werd recent door Vlaams parlementslid Lode Ceyssens in dit opzicht bevraagd over de verjaring van de herstelvordering.

De vraag betrof het geval waarin er zich diverse onvergunde constructies op een site bevinden, waarbij er zich een geruime tijd bevindt tussen de oprichting van de oude constructies en de oprichting van de nieuwe:

‘Stel dat er na het verstrijken van de verjaringstermijn van de op het terrein aanwezige constructies, constructies worden bijgeplaatst, bijvoorbeeld een afzonderlijk bijgebouw.

Indien de herstelvorderende overheid in zo’n geval zou ageren naar aanleiding van de recente misdrijven, beschikt zij dan over de mogelijkheid om de oude misdrijven mee te nemen, en ook hiervan herstel te vragen?’

De minister antwoordde op 2 oktober 2018 het volgende :

‘Artikel 6.3.1, tweede lid VCRO stelt dat het bevolen herstel steeds de volledige illegaliteit ter plaatse dekt, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn. Dit is eigenlijk een letterlijke overname van wat het Hof van Cassatie heeft uitgesproken in een arrest van 24 april 2012 (P11.1061N). Het ging over in de tijd opeenvolgende verbouwingen zonder vergunning door verschillende opeenvolgende eigenaars aan dezelfde constructie. De laatste werd veroordeeld tot het integrale herstel, ook al had hij de eerste aanpassingen niet zelf uitgevoerd. Ervan uitgaande dat er geen eenheid van opzet speelt zoals bedoeld in artikel 65 van het Strafwetboek, zal een tijdig ingestelde en ontvankelijke herstelvordering met betrekking tot de oprichting van een constructie niet tot gevolg hebben dat een herroepelijk verjaarde herstelvordering, met betrekking tot eerder opgerichte andere constructies, alsnog herleeft. Er zal dus moeten nagegaan worden tot hoe ver “het geheel” zich strekt en meer in concreto vanaf wanneer iets niet tot dezelfde schade behoort en afsplitsbaar is.’

[eigen aanduiding]

Er zal zodus in ieder afzonderlijk dossier moeten worden onderzocht of er nu sprake is van eenzelfde opzet tussen de misdrijven. Dit betreft aldus een feitenappreciatie die moet worden gemaakt.

Enkel in de veronderstelling dat het eenheid van opzet niet voorhanden is, zou de hierboven aangehaalde verjaring kunnen intreden.

De minister werd in dit opzicht ook bevraagd over de impact van de notie van het voortgezet misdrijf  in de adviespraktijk van de Hoge Raad van de Handhavingsuitvoering (sinds 1 maart 2018 de opvolger van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid) in de gemaakte dergelijke veronderstelling met oude en nieuwe constructies..

De minister antwoordde dat het aan het Openbaar Ministerie en desgevallend de rechtbank toekomt om een uitspraak te doen over de aanwezigheid van een voortzettingsmisdrijf en de evt. aanwezige verjaring:

‘Het is inderdaad zo dat zolang de strafvordering niet verjaard is, de herstelvordering in principe volgens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering niet kan verjaren. Het al dan niet kunnen kwalificeren van verschillende feiten als een voortgezet misdrijf wordt soeverein door de feitenrechter geapprecieerd. Op uw vraag over hoe de Hoge Raad hiermee omgaat in haar adviespraktijk, geeft de Hoge Raad aan dat het Openbaar Ministerie en, indien de zaak voor de rechter wordt gebracht, de rechter met voldoende kennis van zaken kunnen oordelen over de verjaring van zowel de strafvordering als de herstelvordering. Hoewel de Hoge Raad bij het verlenen van advies onder andere rekening houdt met het tijdsverloop sinds de bouwovertreding werd begaan, spreekt de Hoge Raad zich nooit uit over de mogelijke verjaring. Zo is het principieel niet uitgesloten dat de Hoge Raad een positief advies verleent over een herstelvordering waarbij de rechter later vaststelt dat de feiten verjaard zijn.’

[eigen aanduiding]

De volledige vraagstelling en antwoord vindt u hier.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Handhaving stedenbouw, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, Verjaring, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags