01/07/2016

Wanneer begint de 15-dagentermijn voor een UDN-procedure in overheidsopdrachten te lopen?

Ingevolge artikel 23 §1 en §3 van de Overheidsopdrachtenwet van 17 juni 2013 beschikt verzoekende partij over een termijn van 15 kalenderdagen voor het indienen van haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, te rekenen vanaf de bekendmaking of de kennisgeving van de gemotiveerde beslissing.

Wanneer begint de termijn dan echt te lopen? De dag van de verzending (per aangetekende zending en per mail) van de beslissing houdende niet-selectie of niet-toewijzing van de opdracht? Of de dag daarna? Of de dag van ontvangst van de aangetekende brief? Of de dag daarna?

Ziehier het antwoord van de Raad van State:

Luidens artikel 23, §§ 1 en 3, van de voormelde wet van 17 juni 2013 dient de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State “op straffe van niet-ontvankelijkheid” te worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen “vanaf de bekendmaking, de kennisgeving of de kennisneming van de rechtshandeling, al naargelang”. Te dezen vereist artikel 8, § 1, van de wet van 17 juni 2013, dat de aanbestedende instantie onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde gunningsbeslissing kennisgeving doet aan elke inschrijver van wie de offerte onregelmatig is bevonden, van de motieven voor de wering, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing. Gelet op de verplichte kennisgeving van de bestreden beslissing dient de in artikel 23, §§ 1 en 3, van de wet van 17 juni 2013, bepaalde beroepstermijn te worden geacht in te gaan met de kennisgeving daarvan aan de verzoekende partij. Krachtens artikel 68 van de wet van 17 juni 2013 gebeurt de berekening van de in deze wet bepaalde termijnen “overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971  houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden in het Gemeenschapsrecht”. Artikel 3, eerste lid, van deze Richtlijn bepaalt dat “[w]anneer een in dagen […] omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, […] de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn [wordt] inbegrepen”.

Uit dit alles moet worden afgeleid dat de termijn om tegen de thans bestreden beslissingen een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State in te stellen aanvangt de dag na de dag waarop de kennisgeving werd verricht. Aangezien de  aangetekende brief ter kennisgeving werd verstuurd op 19 november 2015 en, voor zover als nodig, de bestreden beslissingen per e-mail van dezelfde datum aan de verzoekende partij werden toegestuurd, was de laatste dag om de vordering in te stellen vrijdag 4 december 2015. De vordering dagtekent van maandag 7 december 2015 en is dus niet tijdig. Voorts mag, voor zover als nodig, worden opgemerkt dat de verwerende partij in de kennisgeving de beroepsmogelijkheden heeft vermeld.’

Aldus begint de 15-dagen-termijn te lopen daags na verzending van de aangetekende brief houdende kennisgeving van de overheidsopdracht (verondersteld dat er ook een zending per mail is verstuurd en de beroepsmogelijkheden voor de Raad van State correct werden vermeld.

Referentie: RvS 29 december 2015, nr. 233.367.

19/02/2015

e-Procedure Raad van State heeft nog last van kinderziekten

Tijdens de pleidooien in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid inzake overheidsopdrachten bleek dat de e-procedure (zie ons eerder bericht hier en hier) nog niet optimaal werkt.

Niet alleen is het opladen en verzenden van grote stukken zoals een bestek of een offerte problematisch, de ontvangst ervan lijkt nog problematischer te zijn bij de Raad van State. Blijkbaar verliezen de netjes genummerde en benoemde stukken hun identificatie bij ontvangst bij de Raad van State, hetgeen het voor de staatsraden en het auditoraat moeilijk werken maakt. En als verzoekende partij voor een papieren procedure heeft gekozen en verwerende partij voor een elektronische procedure, dan zou de elektronische toegang van verzoekende partij tot de stukken van verwerende partij niet van een leien dakje te lopen. Er zouden nog andere gebreken zijn.

We geven het advies om voorlopig geen gebruik te maken van de e-Procedure voor de Raad van State, dan tenzij in dossiers met een beperkt stukkenbundel of administratief dossier.
16/03/2013

Geen schadevergoeding bij verbreking van een onwettige overheidsopdracht

Dit is het oordeel van het hof van beroep te Gent in een arrest van 1 maart 2013.

Een aannemer vorderde op contractuele, ondergeschikt op extra-contractuele basis een schadevergoeding van een gemeente die hem een overheidsopdracht had gegund, maar nog voor de aanvang der werken liet de gemeente weten geen uitvoering te geven aan de opdracht. Inmiddels waren er immers verkiezingen gehouden en het nieuwe bestuur weigerde uitvoering te geven aan de overeenkomst.

Het hof van beroep ontzegt de aannemer het rechtens vereiste belang om een schadevergoeding te vorderen.

Het hof stelde vooreerst vast dat met betrekking tot de toegewezen werken geen stedenbouwkundige vergunning, geen milieuvergunning, noch een milieueffectenrapport werd aangevraagd of bekomen: ‘De noodzaak van een stedenbouwkundige vergunning tot uitvoering van de geplande werken is van openbare orde, zelfs strafrechtelijk gesanctioneerd (…) beide inzake zijnde partijen dienen de vergunningsvereisten te kennen en zich respectievelijk ervan te onthouden niet-vergunde werken in uitvoering te stellen dan wel effectief uit te voeren’.  Daarnaast werden ook diverse inbreuken vastgesteld bij de toewijzing van de opdracht die kennelijk op maat werd geschreven, terwijl volgens het hof 'de prijsopgave, zo zij al niet mededingingsbeperkend was, dan toch niet als volkomen eerlijk en te goeder trouw en volgens de van toepassing zijnde regels gegeven.’

Het hof besluit:

‘Uit het voorgaande komt naar voor dat het aan het (nieuwe bestuur van) de gemeente X. niet als foutief kan worden aangerekend op de gegunde opdrachten onder de punten 2.2.a en 2.2.b hiervoor geschetste omstandigheden niet te hebben laten aanvangen noch uitvoeren. (…) Zoals uit het voorstaande evenzeer naar voor komt en werd gemotiveerd, heeft [de aannemer]  mee deel gehad aan de omstandigheden die tot de intrekking aldus van de aan haar verleende gunning van de opdracht hebben geleid.
Het belang van [de aannemer] om schadeaanspraken te laten gelden, moeten juridisch beschermd, derhalve een legitiem en rechtmatig belang zijn en in de omstandigheden die worden aangehaald en in acht genomen de mate van deel hebben daaraan van [de aannemer] – anders gezegd haar mede-verantwoordelijkheid in de omstandigheden geschetst onder 2.2.a en 2.2.b – laten niet toe te kunnen aannemen dat zij over dergelijk rechtmatig belang beschikt. 
Aldus is haar vordering in schadevergoeding als onontvankelijk aan te nemen.’

Referentie:, Gent 1 maart 2013, 2008/AR/1387, ng. (Pub502758)
10/11/2011

Wie kritiekloos inschrijft voor opdracht kan onwettigheid van bestek niet meer inroepen: einde van de Labonorm-leer?

In het arrest Labonorm van 2 december 2005 stelde de algemene vergadering van de Raad van State dat "de mogelijkheid om onmiddellijk een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in te stellen tegen de beslissing om het bestek vast te stellen, niet wegneemt dat de onrechtmatigheden die een inschrijver aan een besteksbepaling verwijt, ook nog op ontvankelijke wijze mogen worden ingeroepen tegen latere beslissingen in het kader van de gunningsprocedure; dat de verzoekende partij derhalve tot staving van haar beroep tegen de bestreden beslissingen de onwettigheid mag inroepen van het bestek, zelfs indien zij de beslissing tot vaststelling van het bestek als zodanig niet heeft aangevochten bij de Raad van State".
Samengevat: ook bij het aanvechten van de gunningsbeslissing kon de inschrijver de onwettigheid van het bestek inroepen.

In arrest nr. 214.782 van 10 augustus 2011 oordeelt de Raad van State echter als volgt:

"Ten slotte werpt de verzoekende partij nog op dat de opgegeven beoordelingsmethode het gelijkheidsbeginsel zou schenden en de puntenspreiding als resultaat van de methodiek niet in verhouding zou staan tot de verschillen tussen de offertes.

(...)

Vastgesteld dient te worden dat de verzoekende partij de reeds in het bestek aangekondigde methode, bij kennisname van het bestek, geenszins heeft betwist.  
Door zonder meer aan de procedure deel te nemen moet de verzoekende partij worden geacht het grievend karakter dat, zoals zij betoogt, aan de gekozen procedure kleeft, zelf te  hebben geaccepteerd. Door later in een jurisdictionele procedure voor de Raad van State op die grief een middel te steunen, handelt zij niet met de zorgvuldigheid die ook van de burger mag worden verwacht als deze deelnemer is aan een bestuurlijk beslissingsproces. De betrokken grief lijkt dan ook niet meer nuttig en ontvankelijk te kunnen worden aangebracht in de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten gevolge van de eigen niet-diligente houding van de verzoekende partij."

De Raad van State lijkt met andere woorden de Labonorm-doctrine op de helling te zetten. Een vraag die zich stelt is of de verwijzing naar procedure van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid impliceert dat de Raad een andere zienswijze zal hanteren in een annulatieprocedure.

Gepost door Jonas Riemslagh

Blog Overheidscontracten
Tags Bestek, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/03/2011

Erkenningsvereisten bij raamcontracten bepaald door deelcontract

In het arrest nr. 210.675 van 25 januari 2011 diende de Raad van State zich uit te spreken over de waarde van een raamovereenkomst in het licht van de erkenningsvereisten.

De verzoekende partij stelde dat bij de gunning van een opdracht van werken de regelgeving over de erkenning van aannemers was geschonden. Zij meende dat de opdracht een erkenning van klasse 4,  minstens van klasse 3 vereiste. De aanbestedende overheid oordeelde in het bestek en in het gunningsverslag dat de werken onder klasse 3 vielen. De gekozen inschrijver beschikte slechts over een erkenning van klasse 2. De opdracht betrof een raamcontract:.

Opgeworpen werd:

"Anticiperend op het verweer merkt verzoekende partij op dat men de opdracht niet mag onderverdelen in deelopdrachten om de klasse-drempels te omzeilen. Zij benadrukt in dit verband dat de aankondiging van de opdracht slechts één besteknummer draagt, dat er geen verdeling in percelen is, dat geen afzonderlijke procedure is gevolgd om eventuele deelaspecten te gunnen en dat er slechts één alomvattende offerte werd ingediend door de partijen. (...)"

De Raad van State volgt deze argumentatie niet. Aan de erkenningsvoorwaarden moet pas voldaan zijn wanneer de deelopdracht wordt gegund. Bovendien moet de waarde van verschillen dedeelopdrachten naar oordeel van de Raad niet worden opgeteld, aangezien deze enkel stelt dat de deelopdrachten het bedrag niet mogen overschrijven van de erkenningsklasse van de aannemer:

"Luidens artikel 3 van de wet van 20 maart 1991 lijken de erkenningsvoorwaarden te moeten zijn vervuld op het ogenblik van de gunning. Voorts lijken de erkenningsvoorwaarden luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 definitief te worden bepaald door het bedrag van de inschrijving waaruit volgt dat de aanduiding van de erkenningsvoorwaarden in het bestek precair lijkt.

Een raamovereenkomst is luidens artikel 3, 15°, van de wet van 15 juni 2006 overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, een overeenkomst gesloten tussen één of meer aanbestedende overheden of overheidsbedrijven en één of meer aannemers, leveranciers of dienstverleners met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake “te gunnen opdrachten” vast te leggen, met name wat betreft de prijzen en eventueel de beoogde hoeveelheden. Artikel 1.5 en artikel 32 van de Richtlijn 2004/18/EG hebben het evenzeer over de “gunning” van opdrachten gebaseerd op een “gesloten” raamovereenkomst.

Te dezen lijkt de rechtsfiguur van de raamovereenkomst met te gunnen deelopdrachten gehanteerd te zijn. Reeds in het collegebesluit van 12 maart 2010 wordt verwezen naar een voorstel te werken met een raamcontract, terminologie die ook terugkomt in de weliswaar ingetrokken collegebesluiten van 16 juli 2010 tot goedkeuring van de bestekken SB/GB/10/06566 en SB/GB/10/06567 en in het selectiebesluit van 10 september 2010. In die laatste besluiten en in het bestek SB/GB/10/06567 is verder sprake van deelopdrachten die aanvangen met een apart aanvangsbevel met een eigen uitvoeringstermijn en een voorlopige oplevering. In de huidige stand van het geding blijkt verder dat deze raamovereenkomst, waarvoor weliswaar een raming bestaat voor de jaren 2010, 2011 en 2012 en een visum voor 880.000 euro voor het lopend dienstjaar, niet gegund wordt voor een bepaald goedgekeurd bedrag maar met verwijzing naar de voorgestelde aanpassingscoëfficiënt op de opgelegde eenheidsprijzen.

Dit betekent dat in de huidige stand van de zaak lijkt te moeten worden aangenomen dat het goed te keuren bedrag van een (deel)opdracht pas kan worden bepaald in functie van de effectief in het kader van deze raamovereenkomst geplaatste bestellingen en dat de klasse waarvoor de aannemer erkend moet zijn, bepaald wordt in functie van het goed te keuren bedrag van elke deelopdracht en niet in functie van het totale geraamde bedrag van de globale opdracht. Pas op het tijdstip van de bestellingen zal duidelijk zijn wat de juiste hoeveelheden van een concrete deelopdracht zijn en staat het bedrag van de inschrijving vast. Dergelijke optie lijkt wel in te houden dat aan tussenkomende partij geen deelopdrachten kunnen worden gegund die, mocht zij alsdan slechts over een erkenning klasse 2 beschikken, het bedrag van klasse 2 overschrijden."
Tags