13/10/2017

Geen schadevergoedingsaanspraak in overheidsopdrachten mogelijk zonder voorafgaande procedure voor de Raad van State?

Zeer kort geleden hebben wij verwezen naar een uitspraak van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2017 waarin wordt gesteld dat de omstandigheid dat eiseres geen beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State instelde geen beletsel vormt om de illegaliteit van een gunningsbeslissing in overheidsopdrachten voor de burgerlijke rechter in te roepen in het kader van een schadeaanspraak.

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, denkt er in een vonnis van 16 juli 2017 anders over. Onder verwijzing naar de Europese regelgeving wordt gesteld dat het louter toekennen van een schadevergoeding in het kader van een rechtsbeschermingsrichtlijn geen doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie is, en dit omdat de aanbestedende overheid er niet wordt toe aangezet alsnog de selectiebeslissing of de gunningsbeslissing in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen'. De Belgische overheidsopdrachtenwet zo interpreteren dat het zou toelaten dat een belanghebbende een vordering tot schadevergoeding instelt en hoewel hij geen schorsings- en/of vernietigingsberoep heeft aangetekend bij de Raad van State, zou, aldus de rechter, ‘dan ook niet toelaten om het door de rechtsberschermingsrichtlijn beoogde doel te bereiken, met name het voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties'.

De rechter beslist dan ook dat ‘geen schadevergoedingsprocedure kan ingeleid worden dan nadat voorafgaandelijk de Raad van State of in uitzonderlijke omstandigheden: de burgerlijke rechter in een schorsings- en vernietigingsberoep, wanneer de overheidsopdracht niet van een overheid in de zin van artikel 14 RvS-wet uitgaat’.

Zonder een voorafgaandelijk schorsings- en vernietigingsberoep gaat de rechter uit van de ‘formele onaantastbaarheid’ van de gunningsbeslissing. Het staat, aldus nog steeds de Dendermondse rechter, niet vast dat artikel 159 GW toelaat a posteriori sancties op te leggen.

Benieuwd of deze uitspraak in graad van beroep kan standhouden…

Referentie: Rb. Dendermonde 16 juli 2017, AR 14/2006/A, ng. (ADM999205)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Overheidscontracten, Schadevergoeding overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/09/2014

Rechtbank gaat niet in op 'intimiderende' aansprakelijkheidsvordering tegen leidend ambtenaar en schepen

In het kader van een afrekeningsgeschil bij een overheidsopdracht ging de aannemer over tot dagvaarding (in tussenkomst)  van de leidend ambtenaar en van de schepen.

De rechtbank van eerste aanleg te Gent verwierp deze vordering in een niet gepubliceerd vonnis van 8 januari 2014 op grond van hiernavolgende argumentatie:

‘Door aannemer S. worden gemeenteambtenaar P. en schepen voor Patrimonium S. gedagvaard in tussenkomst in hun hoedanigheid van respectievelijk ambtenaar en schepen van de gemeente L. 

De gemeente L. is partij in de oorspronkelijke procedure, meerbepaald is zij daarin de eisende partij en heeft zij daarin gevraagd een deskundige aan te stellen teneinde advies te verlenen omtrent de eindverrekening tussen partijen met betrekking tot de werken aan de gemeenteschool, vijfde fase waarbij S., hoofdaannemer was.

Verweerders P. en S. zijn met betrekking tot deze overheidsopdracht slechts tussengekomen als aangestelde en uitvoeringsagent van de gemeente L. in hun respectieve hoedanigheid hebben zij de werken opgevolgd in opdracht en voor rekening van de gemeente L., zoals van een normale ambtenaar en een normale schepen verondersteld wordt.

Verweerders P. en S. hebben in de uitvoering van hun mandaat geen persoonlijke en individuele beslissingen genomen (over een dergelijke bevoegdheid beschikken zij immers niet ingevolge de wet), maar hebben zij louter de werken opgevolgd teneinde de bevoegde organen van de gemeente L. (inzonderheid het college van burgemeester en schepenen) te kunnen informeren en hen toe te laten de zich opdringende beslissingen te nemen.

In het kader van deze lastgeving moeten de handelingen van verweerders P. en S.  volledig toegerekend worden aan hun opdrachtgever, zijnde de gemeente L., die overigens steeds de handelingen van haar aangestelden, zij het expliciet of impliciet, heeft gedekt en bevestigd.

Eventuele fouten of onzorgvuldigheden die verweerders P. en S. zouden begaan hebben (- hetgeen door eisers wordt ingeroepen, maar door verweerders P. en S. ten zeerste wordt betwist -), komen derhalve automatisch ten laste en voor rekening van de gemeente L., tenzij zou aangetoond worden dat verweerders P. en S. volledig buiten hun mandaat om zouden hebben gehandeld, quod certe non.

Dit brengt met zich mee dat, indien verweerders P. en S. daadwerkelijk fouten zouden begaan hebben in de uitvoering van hun opdracht, quod certe non, de eventuele schadelijke gevolgen ervan, hetzij contractueel, hetzij extracontractueel, dienen toegerekend te worden aan de gemeente L., waarvoor de huidige eiseres hoe da ook reeds over alle vorderingen en mogelijkheden beschikt in de oorspronkelijke procedure, zonder dat daarvoor de (persoonlijke) tussenkomst van verweerders P. en S. vereist en noodzakelijk is.

Terecht stelt zich dan ook de vraag welk rechtstreeks en actueel belang eiseres S. heeft om, nu de gemeente L. reeds partij is in het geding en in deze oorspronkelijke procedure in verband met de kwestige overheidsopdracht alle vorderingen tussen S. en de gemeente L. mogelijk zijn, daarbovenop en naast de gemeente L., ook nog verweerders P. en S. ten persoonlijke titel in deze procedure te betrekken.

Volgens verweerders P. en S. heeft eiseres in tussenkomst daarbij geen belang, minstens wordt dit belang op geen enkele wijze toegelicht en/of aangetoond in de inleidende dagvaarding.

Meer nog dient de dagvaarding in tussenkomst van verweerders P. en S. louter aanzien te worden als een soort (procestactische) poging tot intimidatie van deze verweerders P en S. en dit vanuit een algemene (maar in het geheel onterechte) onvrede van S. in verband met de uitvoering van de kwestige overheidsopdracht.

De vordering is om die reden onontvankelijk.’

Ref.: Rb. Gent 8 januari 2014, ng. (Pub2031)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/02/2014

Persoonlijke vordering tegen schepen en leidend ambtenaar inzake overheidsopdrachten onontvankelijk

Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 8 januari 2014:

'Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: ‘De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.’ Overeenkomstig artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek moet het belang ‘een rechtstreeks en reeds verkregen’ belang zijn.
Door aannemer S. worden gemeente-ambtenaar P. en schepen voor Patrimonium S. gedagvaard in tussenkomst in hun hoedanigheid van respectievelijk ambtenaar en schepen van de gemeente L. 

De gemeente L. is partij in de oorspronkelijke procedure, meerbepaald is zij daarin de eisende partij en heeft zij daarin gevraagd een deskundige aan te stellen teneinde advies te verlenen omtrent de eindverrekening tussen partijen met betrekking tot de werken aan de gemeenteschool, vijfde fase waarbij S. hoofdaannemer was.

Verweerders P. en S. zijn met betrekking tot deze overheid slechts tussengekomen als aangestelde en uitvoeringsagent van de gemeente L. In hun respectieve hoedanigheid hebben zij de werken opgevolgd in opdracht en voor rekening van de gemeente L., zoals van een normale ambtenaar en een normale schepen verondersteld wordt.

Verweerders P. en S. hebben in de uitvoering van hun mandaat geen persoonlijke en individuele beslissingen genomen (over een dergelijke bevoegdheid beschikken zij immers niet ingevolge de wet) maar hebben zij louter de werken opgevolgd teneinde de bevoegde organen van de gemeente L. (inzonderheid het college van burgemeester en schepenen) te kunnen informeren en hen toe te laten de zich opdringende beslissingen te nemen.

In het kader van deze lastgeving moeten de handelingen van verweerders P. en S. volledig toegerekend worden aan hun opdrachtgever, zijnde de gemeente L., die overigens steeds de handelingen van haar aangestelden, zij het expliciet of impliciet, heeft gedekt en bevestigd.

Eventuele fouten of onzorgvuldigheden die verweerders P. en S. zouden begaan hebben (- hetgeen door eisers wordt ingeroepen, maar door verweerders P. en S. ten zeerste wordt betwist -) komen derhalve automatisch ten laste en voor rekening van de gemeente L., tenzij zou aangetoond worden dat verweerders P. en S. volledig buiten hun mandaat om zouden hebben gehandeld, quod certe non.

Dit brengt met zich mee dat, indien verweerders P. en S. daadwerkelijk fouten zouden begaan hebben in de uitvoering van hun opdracht, quod certe non, de eventuele schadelijke gevolgen ervan, hetzij contractueel hetzij extracontractueel, dienen toegerekend te worden aan de gemeente L., waarvoor de huidige eiseres hoe dan ook reeds over alle vorderingen en mogelijkheden beschikt in de oorspronkelijke procedure, zonder dat daarvoor de (persoonlijke) tussenkomst van verweerders P. en S. vereist of noodzakelijk is.

Terecht stelt zich dan ook de vraag welk rechtstreeks en actueel belang eiseres S. heeft om, nu de gemeente L. reeds partij is in het geding en in deze oorspronkelijke procedure in verband met de kwestige overheidsopdracht alle vorderingen tussen de nv S. en de gemeente L. mogelijk zijn, daarbovenop en naast de gemeente L., ook nog verweerders P. en S. ten persoonlijke titel in deze procedure te betrekken.

Volgens verweerders P. en S. heeft eiseres in tussenkomst daarbij geen belang, minstens wordt dit belang op geen enkele wijze toegelicht en/of aangetoond in de inleidende dagvaarding.

Meer nog dient de dagvaarding in tussenkomst van verweerders P. en S. louter aanzien te worden als een soort (proces-tactische) poging tot intimidatie van deze verweerders P. en S. en dit vanuit een algemene (maar in het geheel onterechte) onvrede van de nv S. in verband met de uitvoering van de kwestige overheidsopdracht.

De vordering is om die reden onontvankelijk.

De in het ongelijk gestelde partij, hier de eiseres S. dient verwezen in de kosten deze in hoofde van verweerders P. en S. begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen hetzij op 1.320,00 euro.’.

Referentie: Rb. Gent, ng. 8 januari 2014 (PUB2031)
23/09/2013

Ook in overheidsopdrachten leidt een motiveringsgebrek niet noodzakelijk tot schadevergoeding

Een illustratie daarvan is een vonnis dat door de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout werd uitgesproken op 16 september 2013:

‘Eiseres stelt dat de gunning aan bvba B. onwettig was. De vrijwillig tussenkomende partij vroeg (namens verweerster) prijsverantwoording bij toepassing van art. 110, §3, KB 8 januari 1996. Deze verantwoording voldeed volgens eiseres niet, zodat de inschrijving van bvba B. als onregelmatig had moeten worden geweerd.

Verweerster meent dat de verantwoording van bvba B. wel voldeed en dat de kritiek van eiseres louter formalistisch is. Zij stelt dat er geen zekerheid is dat bij wering van de offerte van bvba B. de opdracht aan eiseres zou zijn gegund en dat in dat geval aan eiseres prijsverantwoording zou zijn gevraagd.

Eiseres kan worden gevolgd waar zij de formele afhandeling van de prijsverantwoording door bvba B. en de gunningsbeslissing bekritiseert.

Nog afgezien van de vraag of de motivering door bvba B. voldeed, moet vastgesteld worden dat de vrijwillig tussenkomende partij de verantwoording overnam in het controleverslag en daarna zonder verdere toelichting gunning aan bvba B. voorstelde. Hieruit kan wel worden afgeleid dat de vrijwillig tussenkomende partij genoegen nam met de verantwoording, maar niet waarom zij daarmee genoegen nam.

De gunningsbeslissing van verweersters college bevat geen enkele autonome, inhoudelijke motivering. Het college verwees louter naar het voorstel van de technische dienst, dat niet voorligt en blijkbaar louter een herhaling was van het voorstel van de vrijwillig tussenkomende partij.

Aldus was sprake van een gebrek in de motivering van de gunningsbeslissing. De motivering die verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij thans in besluiten geven, kan hieraan niet meer verhelpen.

Maar deze vaststelling volstaat niet om de vordering van eiseres gegrond te verklaren.

Enerzijds was het vanwege verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij niet onredelijk of fout om de verantwoording van bvba B. te aanvaarden en dus de opdracht aan haar te gunnen. Het is inderdaad aannemelijk dat de posten voorzien in art. 11, 12 en 13 in de inschrijving van bvba B.  deels dubbel gebruik uitmaakten met posten voorzien in andere artikelen, zodat het volstond daarvoor beperkte bijkomende bedragen te voorzien. 

Anderzijds zou op basis van de voorliggende gegevens bij wering van de inschrijving van bvba B. wellicht verantwoording zijn gevraagd aan eiseres voor dezelfde artikelen.

(…)

Eiseres verantwoordt haar prijzen door:
- haar gunstigere geografische ligging in K.;
- het gegeven dat zij drie zaakvoerders heeft die alle drie effectief meewerken op de werf;

Deze verantwoording kan niet meer overtuigen dan die van bvba B., waarbij moet worden opgemerkt dat haar prijs iets lager lag dan die van eiseres zodat er nog enige marge was.’

Volgt. verwerping van de vordering.

Referentie: Rb. Turnhout, 16 september 2013, AR 12-2047-A, ng. (Pub503896)

16/03/2013

Geen schadevergoeding bij verbreking van een onwettige overheidsopdracht

Dit is het oordeel van het hof van beroep te Gent in een arrest van 1 maart 2013.

Een aannemer vorderde op contractuele, ondergeschikt op extra-contractuele basis een schadevergoeding van een gemeente die hem een overheidsopdracht had gegund, maar nog voor de aanvang der werken liet de gemeente weten geen uitvoering te geven aan de opdracht. Inmiddels waren er immers verkiezingen gehouden en het nieuwe bestuur weigerde uitvoering te geven aan de overeenkomst.

Het hof van beroep ontzegt de aannemer het rechtens vereiste belang om een schadevergoeding te vorderen.

Het hof stelde vooreerst vast dat met betrekking tot de toegewezen werken geen stedenbouwkundige vergunning, geen milieuvergunning, noch een milieueffectenrapport werd aangevraagd of bekomen: ‘De noodzaak van een stedenbouwkundige vergunning tot uitvoering van de geplande werken is van openbare orde, zelfs strafrechtelijk gesanctioneerd (…) beide inzake zijnde partijen dienen de vergunningsvereisten te kennen en zich respectievelijk ervan te onthouden niet-vergunde werken in uitvoering te stellen dan wel effectief uit te voeren’.  Daarnaast werden ook diverse inbreuken vastgesteld bij de toewijzing van de opdracht die kennelijk op maat werd geschreven, terwijl volgens het hof 'de prijsopgave, zo zij al niet mededingingsbeperkend was, dan toch niet als volkomen eerlijk en te goeder trouw en volgens de van toepassing zijnde regels gegeven.’

Het hof besluit:

‘Uit het voorgaande komt naar voor dat het aan het (nieuwe bestuur van) de gemeente X. niet als foutief kan worden aangerekend op de gegunde opdrachten onder de punten 2.2.a en 2.2.b hiervoor geschetste omstandigheden niet te hebben laten aanvangen noch uitvoeren. (…) Zoals uit het voorstaande evenzeer naar voor komt en werd gemotiveerd, heeft [de aannemer]  mee deel gehad aan de omstandigheden die tot de intrekking aldus van de aan haar verleende gunning van de opdracht hebben geleid.
Het belang van [de aannemer] om schadeaanspraken te laten gelden, moeten juridisch beschermd, derhalve een legitiem en rechtmatig belang zijn en in de omstandigheden die worden aangehaald en in acht genomen de mate van deel hebben daaraan van [de aannemer] – anders gezegd haar mede-verantwoordelijkheid in de omstandigheden geschetst onder 2.2.a en 2.2.b – laten niet toe te kunnen aannemen dat zij over dergelijk rechtmatig belang beschikt. 
Aldus is haar vordering in schadevergoeding als onontvankelijk aan te nemen.’

Referentie:, Gent 1 maart 2013, 2008/AR/1387, ng. (Pub502758)
Tags