25/07/2014

Behoort de ontwerper de finesses van het overheidsopdrachtenrecht te kennen?

Dit is niet noodzakelijk het geval, zo beslist het hof van beroep te Brussel in een niet-gepubliceerd arrest van 29 april 2014:

‘Uit het geheel van die biedingen blijkt dat aan het studiebureau een vaktechnische opdracht was toevertrouwd en dat juridische adviesverlening niet tot die opdracht behoorde.

Het enkele gegeven dat de regelgeving inzake overheidsopdrachten wordt aangegeven als kader waarin de diensten worden verschaft, houdt niet in dat de aanbestedende overheid, die mag geacht worden met regelgeving van openbare orde vertrouwd te zijn, gerechtigd was om van het studiebureau ook advies te verkrijgen over specifieke toepassingen van die voorschriften.

De analyse van de offertes en het verstrekken van een vergelijkend verslag over de inschrijvingen mag dan wel inhouden dat de toepassing van de relevante regelgeving bij de rapportage in aanmerking moet worden genomen, het houdt niet in dat op probleempunten in dit verband een juridisch onderbouwd standpunt wordt voorgesteld. Specifiek juridisch advies over betwistbare zaken behoort niet tot het vakmanschap van een architect of ingenieur.

In het voorliggende geval heeft het studiebureau over enkele punten, die vanuit juridisch oogpunt problematisch zijn gebleken, wel een opinie uitgedrukt in haar aanbestedingsverslag maar dit stelde haar tegenpartij, die als openbaar bestuur voldoende vertrouwd is met overheidsopdrachten om hierover in discussie te treden, niet vrij van de verplichting om die punten nader te (laten) onderzoeken. In dit verband valt trouwens op dat geen van de bewuste standpunten in enige mate juridisch werden onderbouwd zodat de gemeente L. helemaal niet over een beredeneerd standpunt beschikte.’

Referentie: Pub503896

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Ontwerper, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/04/2014

Verbrekingsvergoeding moet ingevorderd worden door alle architecten van de feitelijke vereniging

Een gemeente werd aangesproken door één architect en zijn architectenvennootschap in betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 1789 BW en wel omdat de betrokken gemeente ten onrechte voortijdig een einde had gemaakt aan de samenwerking en een nieuwe opdracht had gegund aan een derde.

In graad van beroep wordt ingegaan op de exceptie van de gemeente:

Primordiale betwisting blijft de door stad D. al voor de eerste rechter opgeworpen niet-ontvankelijkheid van de alleen door architect H. en bvba H. bij dagvaarding dd. 16 februari 2011 gevorderde verbrekingsvergoeding, betreffende het door stad D. met architecten H. en D. gesloten ‘studiekontrakt’ dd. 22 september 1988, voor het opmaken van het ontwerp van de modernisering- en saneringswerken aan het stadhuis, omvattende: ‘opmaken voorontwerp, opmaken definitief ontwerp, opmaken van de uitvoeringsdetails, opmaken bijzonder bestek met beschrijvende opmeting, onderzoek van de aanbiedingen na aanbesteding en opmaken van het verslag hieromtrent, toezicht van de werken, opmaken van de vorderingstaten, voorlopige overname, opmaken van de afrekeningen de definitieve overname van de bouwwerken’.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat de opdracht nominatum werd toegewezen aan en dat de overeenkomst nominatum werd gesloten met de beide architecten H. en D., die beiden hebben ondertekend en gehandeld, die ook beiden werden vermeld in de voorgebrachte stukken (bv. opleveringen dd. 24 januari 1991 en 23 november 1999 – dossier / H., stukken 3) én die zelfs uitdrukkelijk beiden alle brieven hebben geschreven en ondertekend betreffende de kwestieuze door hen beiden aangeklaagde verbreking van de overeenkomst (zijnde correspondentie vanaf 1 december 2005 tot 14 augustus 2009 – dossier / H. stukken 5-16), dit tot aan de betekening-ingebrekestelling dd. 20 november 2009 en navolgende dagvaarding dd. 16 februari 2011.

Architecten H. en D. hebben ook samen n.a.v. de onderhavige door hen vermeende contractbreuk op 28 mei 2009 melding gedaan bij de provinciale raad van de Orde van architecten, provincie West-Vlaanderen en werden er samen desbetreffend door het bureau gehoord op 7 december 2009 (dossier / H., stukken 14 en 21).

Door H. en bvba H. wordt ook deze effectieve samenwerking desbetreffend tussen de 2 architecten op zich niet ontkend (zie bv. syntheseconclusie dd. 26 december 2013, p. 11, punt 6).

Deze samenwerking van de architecten H. en D. betreffende de voornoemde architecturale opdracht en de er welomschreven doelstelling maakt, bij ontstentenis van enige vennootschap- of maatschapsvorm tussen hen, een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid uit.

Alle rechten die voortspruiten uit de kwestieuze overeenkomst met deze feitelijk verenigde architecten H. en D. behoren derhalve in onverdeeldheid toe aan de onderscheiden leden-architecten H. en D.

Ook de vorderingen, inclusief de vorderingsrechten zoals betreffende de hier beoogde verbrekingsvergoeding, behoren evident aan diezelfde leden-architecten H. en D. toe in onverdeeldheid.

Gelet precies op die onverdeeldheid kunnen de individuele leden-architecten H. en D. uiteraard niet bevoegd zijn om alleen over die onverdeelde vorderingsrechten te beschikken, ook niet voor hun aandeel:
Bij ontstentenis van rechtspersoonlijkheid kunnen de individuele leden-architecten H. en D. immers hun feitelijke vereniging H. – D. en de desbetreffend bestaande onverdeeldheid niet in rechte vertegenwoordigen en moeten zij daartoe aldus samen optreden en vorderen.

Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het gebeurlijk gegeven dat door de beide architecten H. en D. voor onderscheiden prestaties afzonderlijk mocht worden gefactureerd aan stad D.

Immers, deze uitvoeringsmodaliteit staat evident los van de kwestieuze contractuele verhouding op zich en kan de daarbij vigerende feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid alsook de rechtsgevolgen daarvan onmogelijk wijzigen.

Overigens betreft de onderhavige rechtsvordering niet de gefactureerde prestaties op zich, doch wél de beweerde verbreking van de kwestieuze overeenkomst tussen de 2 feitelijk verenigde architecten H. – D. en stad D. en de op deze grond beoogde verbrekingsvergoeding, die trouwens door H. en bvba H. niet gesplitst wordt geclaimd, doch wel op basis van de totale begroting van het volledige moderniserings- en renovatieproject.

De vordering is aldus onontvankelijk.’

Ref. Pub502771, Hof van Beroep Gent 13 maart 2014, ng.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Ontwerper, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/09/2013

De ontwerper-architect kan wel degelijk als leidend ambtenaar optreden

Kort geleden hebben we u in kennis gesteld van een arrest van de Raad van State nr. 224.389 van 23 juli 2013 waarbij de Raad van State tegenspreekt dat de aanstelling van een architect-ontwerper tijdens de gunningsfase (nazicht van de offerte) en de uitvoeringsfase (nazicht van de werken) het onpartijdigheidsbeginsel schendt en niet onderworpen zou zijn aan de verplichting tot vertrouwelijkheid.

Op 4 december 2012 heeft de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen zich uitgesproken over de vraag of een ontwerper-architect al dan niet kan optreden als (externe) leidend ambtenaar.

De gouverneur oordeelde als volgt:

‘Het feit dat een derde leidend ambtenaar kan zijn in de uitvoeringsfase wordt expliciet voorzien in artikel 1 van de Algemene Aannemingsvoorwaarden van het KB van 26 september 1996.

Het is een belangrijk juridisch gegeven dat er tussen de ontwerper-architect en de gekozen aannemer (...) geen enkele contractuele of juridische band bestaat. Enerzijds is er een contract tussen het opdrachtgevend bestuur en de aannemer, anderzijds is er de overeenkomst tussen het opdrachtgevend bestuur en de ontwerper-architect.

Verder is er ook geen sprake van ondergeschiktheid tussen de aannemer en de architect.

Fundamenteel in het dossier in kwestie is hoever de taak van leiding en toezicht zich uitstrekt. Wanneer de aanbestedende overheid en de architect overeenkomen dat laatstgenoemde de rol van leidend ambtenaar opneemt is er sprake van een overheidsopdracht van diensten. Het bestuur geeft de architect een welomschreven opdracht die hij in persoonlijke naam uitvoert en waarvoor hij wordt betaald. Wanneer een architect bijgevolg toezicht en leiding geeft, de vorderingsstaten naziet, processen-verbaal van ingebrekestelling opmaakt, enz. dan voert hij enkel een opdracht uit die hem werd gegeven, hij verleent zijn technische bijstand en staat in voor een goede uitvoering.

Wat het stellen van rechtshandelingen betreft, vertegenwoordigt de architect zijn opdrachtgever niet en kan hij dus ook niet verbinden. Hij is hier dus niet de mandataris van de opdrachtgever, in casu de gemeente. Dit is logisch, de gemeente kan de haar wettelijk toegewezen bevoegdheden niet delegeren aan een privé-persoon. In voorliggend dossier wordt het toezicht niet uit handen gegeven, maar blijft het bij de gemeente.

Op financieel vlak zal het gemeentebestuur alleen kunnen worden verbonden door zijn wettelijke budgethouders en nooit door de leidend ambtenaar. Zo zullen de betalingsaanvragen ook steeds moeten worden gericht aan het bestuur, dat zal instaan voor de uitbetaling.

(…)

Ik concludeer dat het gemeentedecreet niet wordt geschonden door het loutere feit dat de aanbestedende overheid een beroep doet op een extern leidend ambtenaar. De klacht komt mij dan ook als ongegrond voor.’

Ref. : Pub503761

Tags