29/03/2013

Vernietiging van de impliciete beslissing in overheidsopdrachten wordt uitzondering

Benadeelde inschrijvers vragen op de eerste plaats de vernietiging van de expliciete gunningsbeslissing. Doorheen de jaren was er evenwel ook een jurisprudentiële techniek gegroeid om ook de impliciete weigering tot gunning van de opdracht aan de benadeelde inschrijver aan te vechten. Het doel hiervan bestaat erin de verzoeker ruimere waarborgen te verschaffen wat het rechtsherstel betreft dat na een nietigverklaring door de overheid moet worden verstrekt.

In een arrest van 1 februari 2013 oordeelde de Raad van State in verenigde kamers dat de aanvechting van de impliciete beslissing in het kader van overheidsopdrachten in uitzonderlijke gevallen mogelijk moet blijven, met name wanneer de verzoekende partij in zijn middelen aannemelijk maakt dat de opdracht aan hem gegund moest worden.

Voordien stonden de Franstalige en Nederlandstalige rechtspraak binnen de Raad van State diametraal tegenover mekaar : volgens de Franstalige rechtspraak was het beroep tegen de impliciete beslissing om bij een offerteaanvraag de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen hoe dan ook onontvankelijk, terwijl volgens de Nederlandstalige rechtspraak het beroep juist wel ontvankelijk was.

Niettegenstaande de Auditeur het standpunt van de Franstalige Kamer van de Raad van State genegen was, is uiteindelijk gekozen voor de gulden middenweg.

Aansluitend oordeelde de Raad dat dit niet noodzakelijk inhoudt dat de verzoekende partij zich moet beroepen op een wettelijke of reglementaire bepaling op grond waarvan het oordeel aan hem diende te worden verleend, maar dat vernietiging van de impliciete beslissing ook mogelijk is wanneer er voor de overheid initieel een discretionaire beoordelingsmarge bestond, maar de gegeven omstandigheden ertoe leiden dat die overheid niet wettig (meer) vermag te weigeren het voordeel aan de verzoeker te geven.

Naschrift 29 maart 2013.
In dezelfde zin oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 222.984 van 26 maart 2013 waarin verwerende partij nochtans had nagelaten om tijdig een memorie van antwoord en een administratief dossier in te dienen. Daardoor was artikel 21, 3e lid R.v.S.-Wet van toepassing dat stelt dat in dergelijk geval de door verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze kennelijk onjuist zijn.

De Raad van State overweegt:

‘De Raad van State gaat slechts in uitzonderlijke omstandigheden over tot de vernietiging van de impliciete weigeringsbeslissing zo bijvoorbeeld wanneer uit de gegrond bevonden middelen zou blijken dat het aan de [gegunde inschrijver] verstrekte voordeel aan verzoekende partij had moeten zijn toegekend.

De uitzonderlijke omstandigheden worden hier niet aangetoond.’

Referentie: (pub503707)  R.v.S., arrest nr. 222.984 van 26 maart 2013.
Tags