12/01/2012

Grondwettelijk hof bevestigt verschil in schadevergoedingsregel tussen aanbesteding en offerteaanvraag

Artikel 15 van de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 bepaalt dat bij een aanbestedingsprocedure de opdracht moet worden toegewezen aan de laagste regelmatige inschrijver "op straffe van een forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op 10 pct. van het bedrag zonder belasting op de toegevoegde waarde van deze offerte". Voor overheidsopdrachten bij offerteaanvraag voorziet de wet niet in een forfaitaire schadevergoeding en moet een eisende partij de concrete schade (desnoods het verlies van een kans) bewijzen.

In arrest nr. 173/2011 van 10 november 2011 bevestigt het Grondwettelijk Hof dat deze verschillende regelingen geen schending uitmaken van het gelijkheidsbeginsel.

In een antwoord op een prejudiciële vraag van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, stelt het Hof:

"In een gunningsprocedure bij wege van aanbesteding moet de aanbestedende overheid één enkele rangschikking van de regelmatige offertes opstellen op basis van de voorgestelde en verbeterde prijzen (artikel 113 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken). Die bepaalt dus op louter mathematische wijze welke inschrijver de 'laagste regelmatige offerte' heeft ingediend. De rechter kan in dergelijke gevallen met zekerheid vaststellen aan wie de opdracht had moeten worden gegund.

In een gunningsprocedure bij wege van offerteaanvraag beschikt de aanbestedende overheid daarentegen over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het kiezen van de 'voordeligste regelmatige offerte' op grond van de gunningscriteria. Gelet op die beoordelingsbevoegdheid, kan de rechter in de regel niet met dezelfde zekerheid vaststellen of de opdracht had moeten worden toegewezen aan de inschrijver die meent ten onrechte te zijn geweerd."

Gepost door Jonas Riemslagh

Blog Overheidscontracten
Tags Concessies, Grondwettelijk Hof, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/07/2011

Grondwettelijk Hof vernietigt uitgestelde inwerkingtreding van nieuwe regels rechtsbescherming

De wet van 23 december 2009 voerde een nieuw boek toe aan de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 betreffende de rechtsbescherming bij overheidsopdrachten.

Artikel 7 van deze wet regelt de inwerkingtreding van de nieuwe rechtsbeschermingsregels:

"De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.
De overheidsopdrachten, de opdrachten en de prijsvragen voor ontwerpen bekendgemaakt vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór deze datum een uitnodiging werd verstuurd om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging."

Door het KB van 10 februari 2010 werd de datum van inwerkingtreding vastgesteld op 25 februari 2010.

In arrest nr. 105/2011 van 16 juni 2011 vernietigt het Grondwettelijk Hof het eerste lid van artikel 7. De overgangsbepaling zoals opgenomen in het tweede lid werd niet vernietigd.

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat er geen enkele reden was om de inwerkingtreding van de wet uit te stellen en de Koning te machtigen om de datum van inwerkingtreding te bepalen. Dit geldt des te meer omdat de nieuwe rechtsbeschermingsregels op grond van richtlijn 2007/66/EG uiterlijk op 20 december 2009 in werking moesten treden.
22/04/2011

Gewijzigde overheidsopdrachtenwet doorstaat eerste toets

Door de wet van 23 december 2009 werd de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 aanzienlijk gewijzigd, in het bijzonder wat de rechtsbescherming betreft. De Overheidsopdrachtenwet werd uitgebreid met een nieuw boek IIbis betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen.

De gemeente Oudergem stelde vernietigingsberoep in tegen de wetswijziging bij het Grondwettelijk Hof, die in arrest nr. 47/2011 van 30 maart 2011 het beroep afwees.

De middelen die de gemeente Oudergem aanvoerde kwamen voort uit de vrees dat zij als aanbestedende overheid zal worden geconfronteerd met een stijging van procedures inzake overheidsopdrachten. Zowel het eerste middel, dat de categorieën van personen die een verhaalprocedure kunnen instellen betrof, als het tweede middel, omtrent de toepasselijkheid van de 'Europese' beschermingsregels voor opdrachten onder de Europese bekendmakingsdrempels, werden door het hof ongegrond bevonden.
Tags