26/07/2013

Subcriteria die voor het eerst opduiken in de toewijzingsbeslissing zijn fataal

Daaraan wordt nog eens herinnerd in het nog niet gepubliceerde arrest van de Raad van State nr. 224.308 van 9 juli 2013:

‘Artikel 16, eerste zin, van de wet van 24 december 1993 stelt: “Bij algemene of beperkte offerteaanvraag dient de opdracht toegewezen te worden aan de inschrijver die de voordeligste regelmatige offerte indient rekening houdend met de gunningscriteria die vermeld moeten zijn in het bestek, of eventueel in de aankondiging van de opdracht.”

In het bestek wordt als tweede gunningscriterium „veiligheid‟ vermeld, te quoteren op 20 van de 100 punten, zonder nadere uitleg. In een zogenaamd werkdocument van verwerende partij, volgens de laatste memorie van verwerende partij “opgesteld naar aanleiding van de voorbereiding van de opmaak van het gunningsverslag”, wordt het volgende vermeld: “Beschrijving punten verdeling rubriek veiligheid (20 punten) Punten geklasseerd volgens belangrijkheid: 1° debiet compressor (8 punten) Hoe hoger debiet van de compressor, hoe beter voor de veiligheid van de wagen, gezien de pneumatisch sturing van remmen en andere sturingen afhankelijk is van het debiet. Hoe hoger debiet hoe vlugger dat de wagen op remdruk is bij het starten van de wagen. Bij veelvuldig gebruik van de luchtcapaciteit word de luchttank vlugger gevuld bij een compressor met meer debiet en is de druk voor de remmen en andere doeleinden stabieler. 2° geluidsniveau in cabine met ingeschakelde sirene (5 punten) Het [is] belangrijk dat de bevelvoerder nog duidelijk zijn informatie via de zender kan ontvangen en eveneens zijn bevelen mondeling kan doorgeven aan de manschappen in de cabine. 3° sterkte verlichting op uitschuifbare mast. Hoe meer watt (vermogen) en hoe beter verlichtingveld rond de interventiewagen. 4° reservecapaciteit alternator (2 punten) Hoe hoger reservecapaciteit hoe beter werking, maar er is nog altijd een back-up van de autobatterijen. 5° remtijd van 60 naar 20 km/h (2 punten) Hoe korter remtijd hoe beter, maar in de praktijk overweegt dat niet tegenoverstaand de andere punten.” 

De toepassing van deze nota op de offertes leidt tot een puntentoekenning wat dit gunningscriterium:


(…)        

Als subcriteria moeten worden beschouwd gegevens die dienstig zijn om in het aangebodene een onderscheid te maken en die aldus een maatstaf bij een beoordeling van een gunningscriterium zijn. Om een subcriterium te kunnen onderscheiden van de in het kader van de motiveringsplicht vereiste vermelding van gunstige of minder gunstige elementen die de beoordeling van een gunningscriterium ondersteunen, moet het gaan om een voorafgaand aan de toetsing bedacht gegeven waarmee de inschrijvingen min of meer stelselmatig worden vergeleken of om een enigszins planmatige toetsing.

Zoals blijkt uit het geciteerd werkdocument en de met toepassing daaruit voortvloeiende puntenbeoordeling is het duidelijk dat de offertes van de inschrijvers voor het gunningscriterium „veiligheid‟ systematisch werden getoetst aan de voornoemde vijf elementen die dan ook als subcriteria moeten worden beschouwd. Deze subcriteria waren de inschrijvers niet vooraf gekend, zekerlijk nu zoals gezegd de aanbestedende overheid zelf aangeeft dat ze slechts werden opgesteld in voorbereiding van de opmaak van het gunningsverslag; ze blijken noch uit het bestek noch uit de aankondiging van de opdracht; evenmin waren ze de inschrijvers op een andere wijze ter kennis gebracht vooraleer zij hun offerte indienden. Terecht merkt verzoekende partij op dat mocht zij bij de voorbereiding van haar offerte kennis hebben gehad van deze subcriteria, zij had kunnen zijn beïnvloed bij de redactie ervan. Zij had dan een meer voordelige offerte kunnen indienen.

Aldus staat niet langer vast dat de offerte werd toegewezen aan de inschrijver met de voordeligste regelmatige offerte, rekening houdend met de gunningscriteria.’

Referentie: Pub502616, arrest RvS nr. 224.308 van 9 juli 2013, ng.
02/07/2013

Op de valreep: nieuw koninklijk besluit betreffende de mededinging in het raam van de Europese Unie van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten

Met een koninklijk besluit van 24 juni 2013 betreffende de mededinging in het raam van de Europese Unie van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten (BS van 27 juni 2013) wordt het reglementair kader inzake overheidsopdrachten vervolledigd. Ook dit koninklijk besluit treedt in werking op 1 jumi 2013.

Hiermee wordt uitvoering gegeven aan Titel IV van de Wet van 15 juni 2006 overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.
02/07/2013

Voorstel voor richtlijn E-facturering bij overheidsopdrachten

De Europese Commissie heeft op 26 juni 2013 een voorstel ingediend voor een richtlijn inzake e-facturering bij overheidsopdrachten.
E-facturering is een belangrijke stap in de richting van een papierloze overheidsadministratie (e-government) in Europa - een van de prioriteiten van de Digitale Agenda - en biedt potentieel voor aanzienlijke economische en milieuvoordelen. De Commissie schat dat de overstap naar e-facturering bij overheidsopdrachten in de hele EU kan leiden tot besparingen van maximaal 2,3 miljard euro.
10/06/2013

Wetsontwerp rechtsbescherming overheidsopdrachten is aangenomen in de Kamer

Het is de bedoeling dat er - voor wat betreft de rechtsbescherming - voor 1 juli, datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving overheidsopdrachten, nog een specifieke wet wordt gepubliceerd.

Het wetsontwerp betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten werd op 30 mei 2013 aangenomen in de Kamer.

Dit wetsontwerp zal de bepalingen van boek IIbis van de wet van 24 december 1993 vervangen.


29/03/2013

Vernietiging van de impliciete beslissing in overheidsopdrachten wordt uitzondering

Benadeelde inschrijvers vragen op de eerste plaats de vernietiging van de expliciete gunningsbeslissing. Doorheen de jaren was er evenwel ook een jurisprudentiële techniek gegroeid om ook de impliciete weigering tot gunning van de opdracht aan de benadeelde inschrijver aan te vechten. Het doel hiervan bestaat erin de verzoeker ruimere waarborgen te verschaffen wat het rechtsherstel betreft dat na een nietigverklaring door de overheid moet worden verstrekt.

In een arrest van 1 februari 2013 oordeelde de Raad van State in verenigde kamers dat de aanvechting van de impliciete beslissing in het kader van overheidsopdrachten in uitzonderlijke gevallen mogelijk moet blijven, met name wanneer de verzoekende partij in zijn middelen aannemelijk maakt dat de opdracht aan hem gegund moest worden.

Voordien stonden de Franstalige en Nederlandstalige rechtspraak binnen de Raad van State diametraal tegenover mekaar : volgens de Franstalige rechtspraak was het beroep tegen de impliciete beslissing om bij een offerteaanvraag de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen hoe dan ook onontvankelijk, terwijl volgens de Nederlandstalige rechtspraak het beroep juist wel ontvankelijk was.

Niettegenstaande de Auditeur het standpunt van de Franstalige Kamer van de Raad van State genegen was, is uiteindelijk gekozen voor de gulden middenweg.

Aansluitend oordeelde de Raad dat dit niet noodzakelijk inhoudt dat de verzoekende partij zich moet beroepen op een wettelijke of reglementaire bepaling op grond waarvan het oordeel aan hem diende te worden verleend, maar dat vernietiging van de impliciete beslissing ook mogelijk is wanneer er voor de overheid initieel een discretionaire beoordelingsmarge bestond, maar de gegeven omstandigheden ertoe leiden dat die overheid niet wettig (meer) vermag te weigeren het voordeel aan de verzoeker te geven.

Naschrift 29 maart 2013.
In dezelfde zin oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 222.984 van 26 maart 2013 waarin verwerende partij nochtans had nagelaten om tijdig een memorie van antwoord en een administratief dossier in te dienen. Daardoor was artikel 21, 3e lid R.v.S.-Wet van toepassing dat stelt dat in dergelijk geval de door verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze kennelijk onjuist zijn.

De Raad van State overweegt:

‘De Raad van State gaat slechts in uitzonderlijke omstandigheden over tot de vernietiging van de impliciete weigeringsbeslissing zo bijvoorbeeld wanneer uit de gegrond bevonden middelen zou blijken dat het aan de [gegunde inschrijver] verstrekte voordeel aan verzoekende partij had moeten zijn toegekend.

De uitzonderlijke omstandigheden worden hier niet aangetoond.’

Referentie: (pub503707)  R.v.S., arrest nr. 222.984 van 26 maart 2013.
Tags