02/02/2014

Persoonlijke vordering tegen schepen en leidend ambtenaar inzake overheidsopdrachten onontvankelijk

Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 8 januari 2014:

'Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: ‘De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.’ Overeenkomstig artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek moet het belang ‘een rechtstreeks en reeds verkregen’ belang zijn.
Door aannemer S. worden gemeente-ambtenaar P. en schepen voor Patrimonium S. gedagvaard in tussenkomst in hun hoedanigheid van respectievelijk ambtenaar en schepen van de gemeente L. 

De gemeente L. is partij in de oorspronkelijke procedure, meerbepaald is zij daarin de eisende partij en heeft zij daarin gevraagd een deskundige aan te stellen teneinde advies te verlenen omtrent de eindverrekening tussen partijen met betrekking tot de werken aan de gemeenteschool, vijfde fase waarbij S. hoofdaannemer was.

Verweerders P. en S. zijn met betrekking tot deze overheid slechts tussengekomen als aangestelde en uitvoeringsagent van de gemeente L. In hun respectieve hoedanigheid hebben zij de werken opgevolgd in opdracht en voor rekening van de gemeente L., zoals van een normale ambtenaar en een normale schepen verondersteld wordt.

Verweerders P. en S. hebben in de uitvoering van hun mandaat geen persoonlijke en individuele beslissingen genomen (over een dergelijke bevoegdheid beschikken zij immers niet ingevolge de wet) maar hebben zij louter de werken opgevolgd teneinde de bevoegde organen van de gemeente L. (inzonderheid het college van burgemeester en schepenen) te kunnen informeren en hen toe te laten de zich opdringende beslissingen te nemen.

In het kader van deze lastgeving moeten de handelingen van verweerders P. en S. volledig toegerekend worden aan hun opdrachtgever, zijnde de gemeente L., die overigens steeds de handelingen van haar aangestelden, zij het expliciet of impliciet, heeft gedekt en bevestigd.

Eventuele fouten of onzorgvuldigheden die verweerders P. en S. zouden begaan hebben (- hetgeen door eisers wordt ingeroepen, maar door verweerders P. en S. ten zeerste wordt betwist -) komen derhalve automatisch ten laste en voor rekening van de gemeente L., tenzij zou aangetoond worden dat verweerders P. en S. volledig buiten hun mandaat om zouden hebben gehandeld, quod certe non.

Dit brengt met zich mee dat, indien verweerders P. en S. daadwerkelijk fouten zouden begaan hebben in de uitvoering van hun opdracht, quod certe non, de eventuele schadelijke gevolgen ervan, hetzij contractueel hetzij extracontractueel, dienen toegerekend te worden aan de gemeente L., waarvoor de huidige eiseres hoe dan ook reeds over alle vorderingen en mogelijkheden beschikt in de oorspronkelijke procedure, zonder dat daarvoor de (persoonlijke) tussenkomst van verweerders P. en S. vereist of noodzakelijk is.

Terecht stelt zich dan ook de vraag welk rechtstreeks en actueel belang eiseres S. heeft om, nu de gemeente L. reeds partij is in het geding en in deze oorspronkelijke procedure in verband met de kwestige overheidsopdracht alle vorderingen tussen de nv S. en de gemeente L. mogelijk zijn, daarbovenop en naast de gemeente L., ook nog verweerders P. en S. ten persoonlijke titel in deze procedure te betrekken.

Volgens verweerders P. en S. heeft eiseres in tussenkomst daarbij geen belang, minstens wordt dit belang op geen enkele wijze toegelicht en/of aangetoond in de inleidende dagvaarding.

Meer nog dient de dagvaarding in tussenkomst van verweerders P. en S. louter aanzien te worden als een soort (proces-tactische) poging tot intimidatie van deze verweerders P. en S. en dit vanuit een algemene (maar in het geheel onterechte) onvrede van de nv S. in verband met de uitvoering van de kwestige overheidsopdracht.

De vordering is om die reden onontvankelijk.

De in het ongelijk gestelde partij, hier de eiseres S. dient verwezen in de kosten deze in hoofde van verweerders P. en S. begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen hetzij op 1.320,00 euro.’.

Referentie: Rb. Gent, ng. 8 januari 2014 (PUB2031)
Tags