08/05/2019

Geen vergunning, geen belang?

In een arrest van 25 februari 2019 verwerpt het hof van beroep te Antwerpen als volgt een belangenexceptie:

'De geïntimeerden worden verder niet gevolgd waar zij laten gelden dat de appellante geen rechtmatig belang zou hebben bij de door haar gestelde rechtsvorderingen, dit bij gebrek aan (wettige) milieuvergunning. Sinds 14 juni 2013 beschikt de appellante (opnieuw) over een milieuvergunning (hernieuwing van de milieuvergunning die geldig was tot 29 april 2013). Tot toepassing van artikel 159 Gecoörd. GW bestaat geen aanleiding bij gebrek aan bewijs van de onwettigheid van die vergunning'.

De dagvaarding dateert van 19 mei 2014, dus op een ogenblik dat de milieuvergunning van de eiser (appellante) terug in orde was. Uiteraard wordt de exceptie verworpen.

Ref. Antwerpen 25 februari 2019, nr. 2019/1797, ng. (PUB 4436))

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Belang, Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Wettigheidsexceptie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/09/2018

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden? Jazeker, en dat kan verzoekende partij haar belang kosten

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden? Dit vraagstuk kwam reeds aan bod in onze blog bij de bespreking van het arrest nr.RvVb/A/1617/0356.  De Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigt in het arrest nr. RvVb/A/1718/1199 van 21 augustius 2018 haar rechtspraak naar aanleiding van een belangenexceptie in zeer duidelijke bewoordingen:

'De Raad stelt vast dat het eerste en vierde middelonderdeel enkel betrekking hebben op de motivering betreffende de deelgebieden van het BPA die niet gelegen zijn in de gewestplanbestemming “milieubelastende industrie” volgens het gewestplan van 1979. De verzoekende partij viseert de wettigheid van de motieven die de omvorming van de oorspronkelijke gewestplanbestemming ‘landschappelijke waardevol agrarisch gebied’ en ‘agrarisch gebied’ naar nijverheidszone moeten verantwoorden.

Bij nazicht van de plannen en zoals bevestigd ter zitting door de verzoekende en tussenkomende partij blijkt dat de aangevraagde werken gelegen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan ‘Roeselare-Tielt’, vastgelegd met koninklijk besluit van 17 december 1979 in een “gebied voor milieubelastende industrieën”.

De vaststelling van het gewestplan uit 1979 wordt in deze middelonderdelen niet betwist door de verzoekende partij, noch vordert zij de buitentoepassingverklaring van dit gewestplan.

Een BPA vormt in beginsel één ondeelbaar geheel. Een partiële vernietiging, of buitentoepassingverklaring, is evenwel mogelijk wanneer zulks de algemene economie van het plan niet aantast en wanneer vaststaat dat de bevoegde overheden het plan ook zouden hebben vastgesteld en goedgekeurd zonder het onderdeel ervan waarvan de onwettigheid is vastgesteld.

Uit de gegevens van het dossier blijk dat het BPA enerzijds uit de oorspronkelijke gewestplanbestemming (milieubelastende industriezone en industriegebied) bestaat en anderzijds delen van het agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied inkleurt als nijverheidszone, terwijl twee andere stukken gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied uit de goedkeuring van het BPA worden gesloten.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de visie en het ontwikkelingsperspectief van het bestreden BPA voortkomen uit het uitbreiden van de bestaande bedrijvenzone.

Een mogelijke gedeeltelijke vernietiging heeft niet tot gevolg dat daarmee de algemene economie van het plan wordt aangetast. Het BPA blijft in dat geval bestaan voor de deelgebieden die volgens het gewestplan van 1979 als milieubelastende industrie waren ingekleurd en als industriegebied (wijziging gewestplan in 1998). Deze zone van het BPA is volledig conform de initieel geldende gewestplanbestemming, gezien zij slecht een bevestiging is van een bestaande planologische toestand, en de economie van het plan, dat ook nieuwe gebieden tot nijverheidszone bestemt, niet aantast.

De ter zitting en in de wederantwoordnota opgeworpen argumentatie van de verzoekende partij dat het BPA ondeelbaar is, wordt door de Raad bijgevolg niet bijgetreden. Er is immers een wezenlijk verschil tussen delen van het BPA die agrarische gebieden omzet naar een in wezen totaal verschillende bestemming ‘nijverheid’, en het deel van het BPA dat een bestaande gewestplanbestemming bevestigt. Dat het bedrijf vergunningen heeft verkregen voor uitbreidingen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en agrarisch gebied, doet niet terzake.

De aangevraagde werken bevinden zich binnen de contouren van het oorspronkelijke gewestplan uit 1979 in een gebied voor milieubelastende industrie.

De verzoekende partij voert enkel argumenten aan tegen de delen van het BPA gelegen in agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en niet tegen het deel gelegen in het gebied voor milieubelastende industrieën.

In de mate dat de Raad van oordeel is dat de mogelijke gegrondverklaring van het eerste en/of vierde middelonderdeel enkel moet leiden tot een gebeurlijke buitentoepassing verklaring van de deelgebieden die een bestemmingswijziging hebben ondergaan, maar niet van de deelgebieden die reeds voorafgaand aan het BPA als bestemming industriegebied of milieubelastende industriezone hadden, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij enig voordeel kan halen bij een gebeurlijke gegrondverklaring van beide middelonderdelen.

Het eerste en vierde middelonderdeel zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen, Wettigheidsexceptie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/10/2017

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden?

Dit was het debat dat werd beslecht door het arrest nr. RvVb/A/1617/0356 van de Raad voor Vergunningsbewistingen van 29 november 2016 en van het daaropvolgende, nog niet gepubliceerde, niet-cassatiearrest van de Raad van State nr. 239.292 van 5 oktober 2017:

‘Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Uit het bestreden arrest blijkt dat de heer Valcke de vernietiging vordert van de vergunningsbeslissing van 25 juli 2014 ‘met toepassing van artikel 159 van de Grondwet’ wegens ondermeer de schending van artikel 16, vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw/artikel 14, vierde lid, van het coördinatiedecreet omdat ‘zowel de Spie als de Teut werden herbestemd van industriegebied tot zone voor sociale woningbouw of zone voor wegenis’ zonder afdoende ‘verantwoording […] voor de afwijking van het gewestplan’ en hij in dat verband volgens het bestreden arrest betoogt wat volgt:

‘Het feit dat het slechts over kleine stukjes grond gaat of dat de Spie en de Teut niet lijken te worden opgenomen in het verkavelingsproject doet niets af aan het feit dat door de loutere omstandigheid dat het om gedeeltelijk van het gewestplan afwijkende BPA’s gaat. Nu niet wordt beantwoord aan de voorwaarden van de Heylendoctrine kon niet wettig worden getoetst aan de bestemmingsvoorschriften van de BPA’s.
[…]
De vaststelling dat Spie en De Teut geen deel uitmaken van de verkaveling, heeft niet tot gevolg dat de [heer Valcke] geen belang heeft bij dit middel. het is volgens [hem] geen toeval dat De Spie en De Teut geen deel uitmaken van het verkavelingsplan, gelet op de strijdigheid met de gewestplanbestemming. Deze voorzichtige houding kan de [verzoekende partij] en [GSA] echter niet baten. De BPA’s nr. 29 en nr. 30 zijn immers voor de totaliteit onwettig daar waar deze het gewestplan hervormd hebben, zonder passende ‘Heylentoets’. Uiteraard heeft de [heer Valcke] alle belang om deze onwettigheid in te roepen nu deze invloed heeft op het gehele BPA’.

Het middel dat ervan uitgaat dat het gedeeltelijk buiten toepassing laten door de RvVb van het kwestieuze BPA, aldus beperkt tot de genoemde gronden ‘De Spie’ en ‘De Teut’, de heer Valcke volledige genoegdoening zou hebben gegeven, mits feitelijke grondslag.’

Verzoekende partij in cassatie had opgeworpen dat de onwettigheid van een BPA zat in 2 perceeltjes die niet het eigenlijke voorwerp uitmaakten van de verkaveling. De onwettigverklaring van het BPA voor wat betreft die 2 percelen zou - gelet op de gevraagde beperking (belang en territorialiteit) dan geen impact hebben op de verkaveling. Dit zou dan betekenen dat het BPA de Heylendoctrine zou doorstaan omdat de onwettigheid elders zit. Het effect van de Heylendoctrine is echter dat het geëigende planinstrument om af te wijken van een gewestplan, een nieuw een gewestplan was en geen BPA (RvS 28 januari 1988, nr. 29.254). De RvVb, zonder daarin tegengesproken te worden door de Raad van State, heeft geoordeeld dat de betrokken BPA’s daardoor in de totaliteit onwettig zijn.

Referentie: Pub505041

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Wettigheidsexceptie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/09/2017

Schadevergoedingsaanspraak in overheidsopdrachten mogelijk zonder voorafgaande procedure voor de Raad van State?

In een niet-gepubliceerd arrest van 12 september 2017 stelt het hof van beroep te Brussel :

‘De omstandigheid dat [eiseres] geen beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State instelde [tegen de gunningsbeslissin waarbij de overheidopdracht aan een ander werd toegekend], belet haar niet om de illegaliteit van de administratieve handeling voor de burgerlijke rechter in te roepen’.

Op basis van een succesvolle wettigheidsexceptie kan de opdrachtgevende overheid tot schadevergoeding veroordeeld worden, mits een causaal verband bewezen wordt tussen fout en schade.

Referentie : Brussel 12 september 2017, AR 2015/478, ng. (ADM999205)

PS. Zie evenwel dit blogbericht

13/03/2016

Wettigheidsexceptie door gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is problematisch

Zo blijkt alvast uit een parlementair debat op 16 februari 2016.

De minister van omgevingsrecht werd gevraagd of zij het vindt kunnen dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in het kader van een herstelvordering een wettigheidsexceptie opwerpt tegenover een stedenbouwkundige vergunning die niet is aangevochten door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar.

Het standpunt van de minister is duidelijk:

‘Wanneer de leidend ambtenaar heeft beslist geen beroep in te stellen, acht ik het niet wenselijk dat de regularisatievergunning door een individuele gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur nog wordt betwist, niet alleen in lopende gedingen, maar evengoed met het oog op het verkrijgen van een positief advies van de Hoge Raad. Het is de taak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen om in eerste instantie te oordelen over de wettigheid van een aangevochten stedenbouwkundige vergunning en de leidend ambtenaar beslist om al dan niet een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Een exceptie van onwettigheid zonder gelijklopend beroep van de leidend ambtenaar moet de uitzondering zijn.

(…)

De uitzonderingen op dit algemeen principe zullen ook worden gedefinieerd. Het kan bijvoorbeeld wel in geval van een manifest onwettige beslissing van een lokaal bestuur die Vlaamse beleidsregels schaadt en die op basis van de richtlijn niet werd voorgelegd voor een eventueel beroep.

(…)

Wanneer de leidend ambtenaar beslist om geen beroep in te stellen, moet de individuele gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur dit niet wél doen. Ik heb daar heel duidelijk op geantwoord: dat kan niet de bedoeling zijn.

Gaat men zijn boekje te buiten? Artikel 159 van de Grondwet is wat het is. Maar ik vind dat er intern een duidelijke hiërarchie is. Tegen de beslissing van de leidend ambtenaar moet niet worden ingegaan'.

Tags