25/02/2019

Vanaf 7 maart 2019 is het mogelijk om stedenbouwkundige voorschriften van (verouderde) APA's, BPA's en gemeentelijke RUP's te herzien of op te heffen zonder een nieuw RUP

De codextrein van 8 december 2017 lanceerde een aantal initiatieven om een aantal procedures om het ruimtelijk rendement te verhogen te versoepelen.

Eén van deze initiatieven was het invoeren van een artikel 7.4.4/1 in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dat het mogelijk maakt om verouderde inrichtingsvoorschriften van BPA's, APA's en gemeentelijke RUP's te herzien of te wijzigen. Voorheen kon dit enkel via de opmaak van een nieuw RUP. 

Het gaat om volgende types voorschriften:

  • de perceelsafmetingen;
  • de afmetingen en de inplanting van constructies;
  • de dakvorm en de gebruikte materialen;
  • de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
  • het aantal bouwlagen;
  • de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de binnenplaatsen, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken;
  • het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel;
  • de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen; (niet voor RUP's) 
  • de parkeergelegenheden.

Het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2019 inzake de herziening of de opheffing van stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, met toepassing van artikel 7.4.4/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals vandaag gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bepaalt de procedure tot herziening of opheffing en regelt de inwerkingtreding van artikel 7.4.4/1 VCRO. 

Het heet dat artikel 101 van de Codextrein van 8 december 2017 dat artikel 7.4.4/1 VCRO invoegt in werking op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit, zodat artikel 7.4.4/1 VCRO 7 maart a.s. in voege treedt.  

Lees hier de integrale tekst van het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2019.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Procedure, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/07/2018

Binnenkort bestemmingsneutraliteit voor windturbines?

Zo ziet het er alvast naar uit.

In de 'superministerraad' van 20 juli 2018 hechtte de Vlaamse regering haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet over de bestemmingsneutraliteit voor de winning van hernieuwbare energie. 

Het luidt in de memorie van toelichting bij het voorontwerp dat het aangewezen is om meer (planologische) mogelijkheden te bieden aan productie-installaties van de verschillende vormen van hernieuwbare energie (windturbines, WKK-centrales, zonnepanelen,...) en aan de opslag en de ontsluiting die de lokale productie met zich meebrengt. 

De planologische bestemming van een gebied zal geen weigeringsgrond meer vormen voor de inplanting van degelijke infrastructuren. 

Het voorontwerp van decreet voorziet daartoe in een wijziging van artikel 4.4.9 VCRO (= de clicheringsbepaling):

'Art. 3. Artikel 4.4.9 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 4 april 2014 en 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt:

"Artikel 4.4.9. Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie of energierecuperatie, en hun aanhorigheden, afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften.

Onder hernieuwbare energie, als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan hernieuwbare energiebronnen zoals vermeld in artikel 1.1.3, 65°, van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid.

Elke vraag tot afwijking als vermeld in het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

De Vlaamse Regering bepaalt criteria inzake de ruimtelijke voorwaarden ter beoordeling van de inpasbaarheid van de installaties voor de prodcutie van hernieuwbare energie of energierecuperatie in een goede ruimtelijke ordening.'

Het voorontwerp ligt op heden voor advies voor bij de SARO en Minaraad. 

De diverse documenten vindt u hier:

- nota van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de leden van de Vlaamse regering
- voorontwerp van decreet betreffende de bestemmingsneutraliteit voor de winning van hernieuwbare energie
- memorie van toelichting bij het voorontwerp

16/06/2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt in een uitvoeringsbesluit

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

Art. 2.4.10. §1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

‘De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

(...)

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/01/2016

Een nieuw jaar, nieuwe regels: verzameldecreet omgeving, natuur en landbouw en energie gepubliceerd in Belgisch Staatsblad

Op 29 december 2015 werd het decreet van 18 december 2015 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Het decreet wijzigt onder meer enkele procedureregels in de VCRO.

Hier worden alvast enkele relevante wijzigingen opgesomd.

De procedure inzake stedenbouwkundige meldingen werd grondig aangepast (artikel 4.2.2 VCRO). 
De gewijzigde procedureregels kunnen als volgt samengevat worden:

- de melding gebeurt per beveiligde zending
- de gemeente moet controleren of de gemelde handelingen wel degelijk meldingsplichtig zijn en toegelaten zijn
- in de meldingsakte kunnen voorwaarden opgelegd worden
- de gemeente heeft ordetermijn van 30 dagen om akte te nemen van de melding
- de melder moet wachten met het uitvoeren van de gemelde handeling(en) totdat de aktename van de gemeente aan hem betekend werd
- een mededeling die te kennen geeft dat akte is genomen van de melding moet gedurende 30 dagen worden aangeplakt op de plaats waarop de melding betrekking heeft (cfr. aanplakking stedenbouwkundige vergunning)
- aktenames van meldingen kunnen voortaan aangevochten worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen

Niet-vergunningsplichtige handelingen blijven niet-vergunningsplichtige handelingen (artikelen 4.2.5 VCRO).
Provincies en gemeenten kunnen niet-vergunningsplichtige handelingen niet langer aan de hand van stedenbouwkundige verordeningen omzetten in vergunningsplichtige handelingen.

Geen aangetekende zending meer vereist voor het indienen van bezwaren lopende het openbaar onderzoek van een RUP of in het kader van een planologisch attest  (artikelen 2.2.7, 2.2.10, 2.2.14, 4.4.25 VCRO).
Het indienen van adviezen/bezwaren/opmerkingen in het kader van het openbaar onderzoek van een ruimtelijk uitvoeringsplan of in het kader van een planologisch attest hoeven niet langer per aangetekende zending verstuurd te worden. Deze kunnen ook per gewone brief of per email ingediend worden.

Hogervermelde wijzigingen zijn sinds 8 januari 2016 in werking.

Lees hier het uitgebreide bericht op de website van Ruimte Vlaanderen.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/11/2015

Update: aangepaste lijst met handelingen van algemeen belang gepubliceerd en inmiddels in werking getreden

In ons bericht van dinsdag 13 oktober 2015 deelden wij mee dat de lijst met handelingen van algemeen belang werd aangepast naar aanleiding van het vernietigingsarrest nr. 229.800 van de Raad van State door middel van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012.

Inmiddels - op 12 november 2015 - werd dit besluit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het trad in werking op 22 november 2015, waardoor alle vergunningsaanvragen vanaf die datum rekening dienen te houden met de gewijzigde lijst. Volledigheidshalve sommen wij hieronder nog enkele interessante aanpassingen op. Volgende handelingen worden beschouwd als gewijzigde handelingen die steeds een beperkte ruimtelijke impact hebben:
  • de aanleg van gemeentelijke verkeerswegen met maximaal 2 rijstroken die over een lengte van maximaal 1 km afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften
  • de wijziging of uitbreiding van gemeentelijke verkeerswegen tot maximaal 2 rijstroken
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van telecommunicatienetwerken, zoals voor telefoonverkeer, televisie en internet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals masten, voedings- en schakelkasten, en pylonen, op voorwaarde dat de pylonen een hoogte van 20 meter niet overschrijden
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse waterleidingen die bedoeld zijn voor het openbaar distributienet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals pompen (niet: watertorens, die schuiven op naar de groep van handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben)
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse leidingen die voor het openbaar net bedoeld zijn, en voorzieningen voor het verzamelen en afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater en de bijbehorende kleinschalige infrastructuur, zoals controlepunten, pomp- en overslagstations (niet: rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1000 inwonersequivalenten
Onderstaande groep handelingen kunnen een beperkte impact hebben:
  • openbare park-and-rideparkings en carpoolparkings
  • pylonen van meer dan 20 meter hoog
  • bufferbekkens met een oppervlakte van minder dan 1 hectare, overstromingsgebieden van minder dan 5 hectare
  • het opheffen van vismigratieknelpunten
  • de wijziging of uitbreiding van watertorens
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1.000 inwonerequivalenten
  • het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen
De mogelijkheid om af te wijken van de stedenbouwkundige en verkavelingsvoorschriften geldt niet meer voor bebossingsprojecten, bos- en natuurcompensatieprojecten, en scholenbouwprojecten.

We lichten kort nog even het specifieke geval van het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen toe

Het bouwen, verbouwen of uitbreiden van gebouwen waar op regelmatige basis aan jeugdwerk wordt gedaan, valt voortaan wél onder het regime van de handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben. Hiertoe dient aan een drietal voorwaarden voldaan te zijn, met name:
  • het jeugdwerk wordt georganiseerd door een lokaal jeugdwerkinitiatief
  • het lokaal jeugdwerkinitiatief aangesloten is bij een erkende landelijk georganiseerde jeugdvereniging
  • het jeugdwerk voornamelijk georganiseerd wordt voor jongeren tot en met 16 jaar
Wanneer de bouw, het verbouwen of uitbreiden van jeugdlokalen onder het regime van handelingen van algemeen belang valt, worden dergelijke vergunningsaanvragen vanaf 22 november 2015 behandeld en afgehandeld door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. Het staat buiten kijf dat de mening en de invloed van de gemeenten hierin uiterst belangrijk zal zijn. Na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet zal het opnieuw de gemeente zijn die over dergelijke vergunningsaanvragen beslist. 
In ons bericht van dinsdag 13 oktober 2015 deelden wij mee dat de lijst met handelingen van algemeen belang werd aangepast naar aanleiding van het vernietigingsarrest nr. 229.800 van de Raad van State door middel van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012.

Inmiddels - op 12 november 2015 - werd dit besluit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het treedt in werking op 22 november 2015, waardoor alle vergunningsaanvragen vanaf die datum rekening dienen te houden met de gewijzigde lijst.

Volledigheidshalve sommen wij hieronder nog enkele interessante aanpassingen op.

Volgende handelingen worden beschouwd als gewijzigde handelingen die steeds een beperkte ruimtelijke impact hebben:
  •  de aanleg van gemeentelijke verkeerswegen met maximaal 2 rijstroken die over een lengte van maximaal 1 km afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften
  • de wijziging of uitbreiding van gemeentelijke verkeerswegen tot maximaal 2 rijstroken
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van telecommunicatienetwerken, zoals voor telefoonverkeer, televisie en internet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals masten, voedings- en schakelkasten, en pylonen, op voorwaarde dat de pylonen een hoogte van 20 meter niet overschrijden
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse waterleidingen die bedoeld zijn voor het openbaar distributienet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals pompen (niet: watertorens, die schuiven op naar de groep van handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben)
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse leidingen die voor het openbaar net bedoeld zijn, en voorzieningen voor het verzamelen en afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater en de bijbehorende kleinschalige infrastructuur, zoals controlepunten, pomp- en overslagstations (niet: rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1000 inwonersequivalenten)
Onderstaande groep handelingen kunnen een beperkte impact hebben:
  • openbare park-and-rideparkings en carpoolparkings
  • pylonen van meer dan 20 meter hoog
  • bufferbekkens met een oppervlakte van minder dan 1 hectare, overstromingsgebieden van minder dan 5 hectare
  • het opheffen van vismigratieknelpunten
  • de wijziging of uitbreiding van watertorens
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1.000 inwonerequivalenten
  • het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen 
De mogelijkheid om af te wijken van de stedenbouwkundige en verkavelingsvoorschriften geldt niet meer voor bebossingsprojecten, bos- en natuurcompensatieprojecten, en scholenbouwprojecten.

We lichten kort nog even het specifieke geval van het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen toe

Het bouwen, verbouwen of uitbreiden van gebouwen waar op regelmatige basis aan jeugdwerk wordt gedaan, valt voortaan wél onder het regime van de handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben. Hiertoe dient aan een drietal voorwaarden voldaan te zijn, met name:
  • het jeugdwerk wordt georganiseerd door een lokaal jeugdwerkinitiatief
  • het lokaal jeugdwerkinitiatief aangesloten is bij een erkende landelijk georganiseerde jeugdvereniging
  • het jeugdwerk voornamelijk georganiseerd wordt voor jongeren tot en met 16 jaar
Wanneer de bouw, het verbouwen of uitbreiden van jeugdlokalen onder het regime van handelingen van algemeen belang valt, worden dergelijke vergunningsaanvragen vanaf 22 november 2015 behandeld en afgehandeld door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. Het staat buiten kijf dat de mening en de invloed van de gemeenten hierin uiterst belangrijk zal zijn. Na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet zal het opnieuw de gemeente zijn die over dergelijke vergunningsaanvragen beslist.
Tags