04/03/2019

Moet Beroepscommissie voor Tuchtzaken getuigen horen?

De Beroepscommissie voor Tuchtzaken treedt op als beroepsinstantie voor alle tuchtbeslissingen van gemeenten, provincies en OCMW’s. Sinds 1 januari 2013 beschikt de Beroepscommissie voor Tuchtzaken niet meer over een hervormingsrecht.

Krachtens artikel 7, § 3, 6° van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 tot vaststelling van de tuchtprocedure voor het statutaire personeel van het lokaal bestuur en tot vaststelling van de werking, de samenstelling en de vergoeding van de leden van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken moet de oproeping voor de Beroepscommissie het 'recht om te vragen getuigen te horen' vermelden.

De Raad van State beslist in het niet-schorsingsarrest nr. 243.793 van 22 februari 2019 dat het recht om het horen van getuigen te vragen niet inhoudt dat de Beroepscommissie verplicht is op de vraag in te gaan. 

Referentie: PUB 7161-4

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Tucht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/02/2019

Bewijs in tuchtzaken

De Raad van State heeft zich in het belangwekkende arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 in zeer duidelijke bewoordingen uitgesproken over het bewijs in tuchtzaken en over de rol van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken in de controle van de bewijsvoering.

De Beroepscommissie voor Tuchtzaken had een beslissing van de gemeenteraad houdende ontslag van een ambtenaar van ambtswege vernietigd omdat de bewijsvoering ontoereikend zou zijn. De Raad van State vernietigt op zijn beurt de vernietigingsuitspraak van de Beroepscommissie op grond van volgende argumentatie:

De bestreden beslissing vernietigt de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 omdat ze onwettig is en namelijk gebaseerd is op een tenlastelegging die ten onrechte voor bewezen wordt gehouden.

Opdat een tuchtfeit rechtmatig als bewezen kan worden beschouwd, moeten voldoende gegevens voorhanden zijn om naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, te mogen aannemen dat het personeelslid het tuchtfeit heeft gepleegd. Ook vermoedens, waarbij gevolgtrekkingen worden afgeleid uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten, kunnen het bestaan van een tuchtfeit staven.

Te dezen heeft de verzoekende partij gemeend de bestelling door de tussenkomende partij op 13 augustus 2014, 19 juli 2010 en 30 juli 2012, op kosten van de stad W., van meerdere paren veiligheidsschoenen die in werkelijkheid voor privégebruik bestemd zijn, als bewezen in aanmerking te mogen nemen op grond van een zeer uitvoerige redengeving, hiervóór sub randnummer 3 weergegeven.

Daarin wordt onder meer rekening gehouden met het feit dat de bestellingen werden geplaatst op een ogenblik dat de controle geringer was, tijdens de grote vakantie en de vakantie van de financieel beheerder, met het abnormale aantal aangekochte veiligheidsschoenen, met de bestelling van meerdere paren tegelijk terwijl dat niet door de functie van de tussenkomende partij verantwoord wordt en de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie twee tot drie jaar of langer is, met het feit dat het om lage veiligheidsschoenen gaat die het uitzicht van gewone schoenen benaderen, met de eigen verklaringen van de tussenkomende partij die onjuist zijn of ongeloofwaardig.

Dat de Beroepscommissie na alle feiten en feitelijkheden in het administratief dossier te hebben afgewogen, meent naar recht en redelijkheid tot het besluit te moeten komen dat er geen tuchtstraf kan worden opgelegd bij gebrek aan bewijs, doet niet ter zake. De wettigheid van het oordeel van de tuchtoverheid over het bewezen zijn van de tuchtfeiten, hangt niet af van wat de Beroepscommissie zelf in redelijkheid over het bestaan van de tuchtfeiten meent.

Of de voorhanden zijnde gegevens volstaan om de tenlasteleggingen bewezen te achten, is een aangelegenheid waarover soms verschillende meningen denkbaar zijn die niettemin élk voor wettig te houden zijn ingeval ze binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, bleven. Wat telt is dus niet of de Beroepscommissie rechtmatig kan menen dat de tuchtfeiten niet bewezen zijn, maar of verzoekster, door te oordelen dat ze wél bewezen zijn, onredelijk of anderszins onwettig heeft gehandeld.

In de bestreden beslissing is de motivering van de onwettigheid van verzoeksters oordeel over het bewezen-zijn van de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden, wezenlijk beperkt tot een ontkenning van dat bewezen-zijn. Geponeerd wordt, zonder meer, dat het "niet bewezen voorkomt" dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn, dat de tenlasteleggingen "in de feiten, onvoldoende aan[getoond]" worden, en dat de feiten "niet onderbouwd [worden] met bewijskrachtige stukken".

Dat de Beroepscommissie zou hebben verkozen dat door verzoekster een klacht was neergelegd bij politie, parket of onderzoeksrechter, met eventueel huiszoekingen en verhoren tot gevolg, verklaart nog geenszins waarom verzoekster, door dat niet te hebben gedaan maar door zich integendeel te hebben gebaseerd op de elementen die zij in haar uitvoerige motivering deed gelden, een onwettigheid heeft begaan.

Precies vanwege die elementen, waaraan in de bestreden beslissing geen enkele concrete aandacht wordt besteed, kan de Beroepscommissie er niet van overtuigen op een zorgvuldige en terechte wijze tot de conclusie te zijn gekomen dat "het woord tegen woord [is]". Evenmin wordt zij gevolgd waar zij voor de wettigheid van verzoeksters oordeel niet slechts vereist dat verzoekster de feiten naar recht, inbegrepen redelijkheid, als vaststaand mocht beschouwen, maar dat ze worden gestaafd door zogenaamde "harde bewijzen", aldus klaarblijkelijk vermoedens uitsluitend.

Resumerend, mag de Beroepscommissie dan wel beweren dat zij tot haar opvatting is gekomen "na grondige studie van het dossier", de bestreden beslissing laat de Raad van State niet toe dat bij te vallen.

Het besproken middelonderdeel is gegrond.’

Referentie: PUB504971-2

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Tucht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
31/07/2018

Wat als een tuchtfeit wordt bewezen met schending van de privacyregels?

Blijkens het arrest van de Raad van State nr. 238.717 van 29 juni 2017 vermag de tuchtoverheid de beoordeling van de tuchtfeiten niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, waarbij rekening mag gehouden worden met onregelmatig bekomen bewijzen, tenzij (a) een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden ofwel (b) de betrouwbaarheid van het bewijs werd aangetast, ofwel (c) het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.  Een loutere schending van de privacyregels maakt niet dat het tuchtbewijs moet gediskwalificeerd worden:

‘De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

Het feit dat het bewijs van het tuchtfeit zou zijn verkregen met (door verzoeker veronderstelde) schending van het recht op eerbieding van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 2 van de privacywet houdt niet noodzakelijk in dat de feitenvinding door de tuchtoverheid onwettig is en derhalve ook de gevoerde tuchtprocedure. Het feit dat de niet-nageleefde bepalingen de bescherming van het privéleven beogen, doen hieraan geen afbreuk.

Een onwettig of onregelmatig verkregen bewijs is slechts ongeldig en dient bijgevolg te worden uitgesloten als bewijselement, indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige oormelde voorwaarden, worden niet uit het bewijs geweerd noch maken ze de gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Dat geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht.

Geen van de door verzoeker aangehaalde verdragsrechtelijke, of grondwettelijke bepalingen die het recht op privacy en eerbiediging van het privéleven waarborgen, bevatten een uitdrukkelijke nietigheid als sanctie bij de schending van de voorwaarden ervan. Hetzelfde geldt wat de door verzoeker geschonden geachte vormvoorwaarden betreft vervat in de privacywet. De omstandigheid dat die voorwaarden strafrechtelijk zijn gesanctioneerd en volgens verzoeker de openbare orde raken, doet hieraan geen afbreuk.

 

(...)

 

Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, hij niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid in verband met de waardering van het bewijs van de tuchtfeiten, tot een onwettige conclusie is gekomen door zich inzonderheid op die ingewonnen bewijzen te steunen ter motivering van het bewijs van het tuchtvergrijp’.

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Tucht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/06/2014

Wie is bevoegde tuchtoverheid voor lichte tuchtstraffen bij detachering van een politieambtenaar?

Het antwoord is te vinden in artikel 21 van de Politietuchtwet:

‘Met uitzondering van de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 105, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, worden in geval dat een politieambtenaar bij een ander korps of dienst is gedetacheerd, de lichte tuchtstraffen opgelegd door de tuchtoverheden van het korps of de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd. De zware tuchtstraffen worden in dat geval opgelegd door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong, op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd.’

Maar hoe zit het met een lichte tuchtsanctie op basis van tuchtfeiten die dateren van voor de detachering?

Het antwoord wordt gegeven door de Raad van State in een arrest nr. 227.612 van 3 juni 2014:

‘In deze hadden de tuchtfeiten die verzoeker ten laste worden gelegd plaats op 26 december 2008. Vanaf 1 maart 2009 is verzoeker, tot dan in dienst bij de lokale politie van de politiezone Ma., gedetacheerd bij het korps politiezone Mi. 

Op 25 november 2009 bestraft de bestreden beslissing hem met de lichte tuchtstraf van een blaam, nadat de korpschef van de politiezone Ma. met een nota van 2 juli 2009 de hogere tuchtoverheid van de politiezone Ma had geadieerd en nadat die hogere tuchtoverheid op 8 oktober 2009 een inleidend verslag opstelde.

Ten onrechte betwist verwerende partij de ontvankelijkheid van het middel omdat het niet ook al in de administratieve procedure zou zijn aangevoerd, maar pas voor het eerst in de procedure bij de Raad van State.

Immers kan uit het 23 november 2009 gedateerd proces-verbaal van verhoor van verzoeker door de hogere tuchtoverheid worden opgemaakt dat verzoeker ter verweer deed gelden:

“Op 1 maart werd K. gedetacheerd naar Mi. Waardoor de gewone tuchtoverheid op dit moment de korpschef van Mi. Wordt. De korpschef van Ma. Moet het dossier overmaken en de korpschef van Mi. moet beslissen wat hij met dit tuchtdossier doet. Hij kan het dossier afwerken als lichte tuchtstraf of voor een zware tuchtstraf doorsturen naar de hogere tuchtoverheid van Ma. De procedure is hier dus foutief gevoerd.”

De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel mist dus feitelijke grond.

Overeenkomstig artikel 21 van de politietuchtwet worden behoudens inzake een hier niet relevante uitzondering, ‘in geval dat een politieambtenaar bij een ander korps of dienst is gedetacheerd, de lichte tuchtstraffen opgelegd door de tuchtoverheden van het korps of dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd. De zware tuchtstraffen worden in dat geval opgelegd door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong, op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd’.

Het artikel maakt geen onderscheid naargelang de disciplinaire tekortkomingen vóór of na de detachering zijn gepleegd. Zoals het is gelibelleerd, is in alle gevallen bij de bestraffing van een tuchtvergrijp een substantiële rol weggelegd voor de tuchtoverheden van het korps of de dienst waarbij de detachering gebeurde: ofwel leggen zij zelf een lichte tuchtstraf op, ofwel vragen zij de dienst van oorsprong een zware tuchtstraf uit te spreken.

Is de politieambtenaar niet slechts gedetacheerd, maar is hij van het ene korps of de ene dienst naar een andere gemuteerd of overgegaan, dan wordt, gelet op artikel 22 van de politietuchtwet, de tuchtoverheid van het nieuwe korps of de nieuwe dienst zelfs zonder meer exclusief bevoegd inzake het voeren van een tuchtprocedure.

De Raad van State ziet niet in welk opzicht de bevoegdheid die het artikel 21 aan de tuchtoverheden van het korps waarbij het betrokken personeelslid gedetacheerd is, ‘volstrekt’ niet zou samengaan met het oogmerk van de politietuchtwet om in een eenvoudige, snelle en werkzame procedure te voorzien waarbij de verantwoordelijkheid van de lokale verantwoordelijken wordt gestimuleerd.

Evenmin volgt de Raad van State de zienswijze van de verwerende partij dat de bevoegdheid die het artikel 21 verleent aan de tuchtoverheden van het korps waarbij het betrokken personeelslid gedetacheerd is, indruist tegen de logica, nog daargelaten of zulks in het andere geval een voldoende reden kon zijn geweest om het artikel dan maar ter zijde te laten.

Het beweerde de facto-gevaar van een ‘immuniteit voor lichte tuchtfeiten gepleegd kort voor de detachering’, tenslotte, betreft niet meer dan een oppotuniteitsopmerking. Ze vermag niet te verantwoorden dat wordt afgeweken van een duidelijke wettekst.

Het verzoek tot prejudiciële vraagstelling vertrekt van de premisse dat, niettegenstaande verzoeker naliet in de tuchtprocedure de onbevoegdheid te doen gelden van de hogere tuchtprocedure van de politiezone Ma., de Raad van State het besproken middel toch in aanmerking neemt omdat het wordt beschouwd als zijnde van openbare orde.

Zoals uit wat voorafgaat, sub 33, blijkt, mist die premisse grond. Alleen al om die reden is er geen aanleiding toe om de prejudiciële vraag te stellen.

Het besproken middel is gegrond.’

Referentie: PUB502366

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Politie, Tucht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
11/06/2014

Gebrekkige medewerking aan tuchtonderzoek maakt op zich geen tuchtfout uit

Zo oordeelde de Raad van State in een arrest nr. 227.612 van 3 juni 2014:

‘Wel terecht meent verzoeker dat, als zodanig, zijn gebrek aan medewerking aan het onderzoek, inzonderheid door aanvankelijk onvolledige verklaringen af te leggen, niet als een tuchtfeit mag worden gekwalificeerd. Die handelwijze van verzoeker bij het afleggen van zijn verklaringen behoort tot de wijze waarop hij meent zich te moeten verdedigen. Ze kan om die reden niet rechtsgeldig aanleiding geven tot het formuleren en aannemen van een bijkomende tenlastelegging.

Overigens oordeelde eerder het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 4/2001 van 25 januari 2001, naar aanleiding van het beroep tegen het toenmalige artikel 25 van de politietuchtwet, dat het op kennelijk onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht van verdediging in zoverre het een betrokkene ertoe verplicht om in het kader van een tuchtonderzoek dat op hemzelf betrekking heeft loyaal aan dit onderzoek mee te werken en nauwgezet op elke vraag te antwoorden.’

Referentie: Pub502366

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Tucht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags