27/04/2019

Hoe de bijzondere verbeurdverklaring te berekenen voor een winkel die stedenbouwkundig gedeeltelijk wél en gedeeltelijk niet vergund is?

De correctionele rechtbank te Antwerpen benadrukt vooreerst dat de bijzondere verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen dient uitgesproken te worden, daar het negeren van de stedenbouwkundige voorschriften niet mag lonen.

Bij de berekening van de hoegrootheid van het illegaal vermogensvoordeel wordt rekening gehouden met het feit dat de winkel deels was vergund: 'Enkel het surplus in de omzet tengevolge van een grotere winkeloppervlakt kan als onrechtmatig vermogensvoordeel worden beschouwd. Dit surplus valt niet zondermeer gelijk te stellen met een percentage van de oppervlakte gedurende de ganse periode'. 

Aldus trad de rechter de argumentatie van bekaalgde bij dat de eerste, vergunde vierlkante meters méér omzet genereren dat de bijkomende onvergunde vierkante meters winkeloppervlakte. De regel van drie wordt aldus door de correctionele niet toegepast en er wordt een forfaitaire verbeurdverklaring bevolen gelijk aan 5% van de geraliseerde omzet in de strafbaar relevante periode.

Referentie: Corr. Antwerpen 22 maart 2019, nr. 2019/1529, ng. (PUB 507608)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/04/2019

Miskenning van onderzoeksplicht leidt tot veroordeling wegens stedenbouwmisdrijf

Voor de correctionele rechtbank te Antwerpen beriep beklaagde, die werd vervolgd wegens een onvergund gebruik van een landbouwloods, zich op de afwezigheid van een moreel bestanddeel. De correctionele rechtbank benadrukt dat het bewust en vrijwillig handelen volstaat voor een stedenbouwmisdrijf. De rechtbank beslist verder dat er geen schulduitsluitingsgrond (zoals overmacht of onoverkomelijke dwaling) of een rechtvaardigingsgrond (zoals noodtoestand) aanwezig is:

'Concreet stelt deze beklaagde dat zij onwetend was en te goeder trouw handelde. Evenwel, indien de beklaagde te goeder trouw onwetend of dwalend was omtrent de feitelijke toestand, betekent dit nog niet dat zij als redelijk en voorzichtig persoon ook aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan. Het is daarbij naar de oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig dat een professionele speler in 2006 een loods huurt in een overduidelijk agrarische omgeving en zich geen vragen stelt omtrent de eventueel stedenbouwkundige mogelijkheid om dergelijke activiteiten, de opslag van electro- en huishoudtoestellen, op die concrete locatie te ontplooien. Door bewust en vrijwillig te verzaken aan haar onderzoeksplicht, heeft derde beklaagde niet gehandeld als een redelijk en voorzichtig persoon, in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst. Een geloofwaardige schulduitsluitingsgrond of rechtvaardigingsgrond wordt niet aangevoerd'.

Referentie: Corr. Antwerpen 22 maart 2019, nr. 2019/1529, ng. (PUB 507608)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/09/2018

Overheid niet langer strafrechtelijk immuun

Met de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van een strafwetboek is de strafrechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen opgeheven.

Artikel 7 bis van het Strafwetboek luidt thans als volgt:

‘De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, met uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in het derde lid, zijn:

In criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken:
1° geldboete;
2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag.

In criminele en correctionele zaken:
1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;
2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing.]1

Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken.’

De wetgever hoopt dat dankzij de (beperkte) strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden, pijnlijke processen tegen in het bijzonder gemeentemandatarissen kunnen vermeden worden. Bekend is het geval van de burgemeester van de stad Damme die na een dodelijk verkeersongeval op een onveilig kruispunt zich moest verantwoorden voor de strafrechter.

Let wel: de overheid kan hoogstens veroordeeld worden tot een eenvoudige schuldigverklaring. Voor de burgerlijke partijen wordt het evewnwel eenvoudiger om schadevergoeding van de betrokken overheid te bekomen, omdat zij niet langer de bewijslast moeten dragen van de fout van de publiekelijke rechtspersoon.

Referentie: S. Keunen, ‘Publiekrechtelijke rechtspersonen genieten niet langer strafrechtelijke immuniteit’, De Juristenkrant, 12 september 2018, 9.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/02/2018

Hof van Cassatie bevestigt rechtspraak over voortgezet misdrijf

In een arrest nr. P.16.1161N van 30 januari 2018 spreekt het Hof van Cassatie zich nogmaals de 'verjaarbaarheid' van stedenbouwschendingen:

Dit is de zienswijze van het Hof aangaande het misdrijf van het bestemmingsstrijdig gebruik (het 'bestemmingsmisdrijf'):

‘Het niet-vergund gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften is geen voortdurend misdrijf, dit is een misdrijf dat bestaat in een ononderbroken en door de dader bestendige wederrechtelijke toestand. Daden van gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften vormen elk alsdusdanig een aflopend misdrijf, voor zover zij ruimtelijke implicaties hebben. Verscheidene daden van gebruik kunnen wegens eenheid van opzet een enkel voortgezet misdrijf opleveren. Onder voortzetten in de zin van artikel 146, 1e lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1, 1e lid, 6° VCRO valt dan ook het stellen van daden van gebruik van een weekendverblijf in een gebied bestemd voor dag- en verblijfsrecreatie voor andere doeleinden dan dag- en verblijfsrecreatie.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.’.

Het Hof van Cassatie stelt ook dat het onvergund gewoonlijk gebruik (het 'gewoontemisdrijf') eveneens een voortgezet en daardoor ‘onverjaarbaar’ misdrijf is:

‘Met gewoonlijk gebruik beoogt de decreetgever gunningsplicht voor de toevallige opslag van materialen, materieel of afval, maar een gebruik van de grond dat een zekere regelmaat vertoont en een zekere tijd moet duren. Het misdrijf bestaat van zodra door meerdere handelingen van gebruik zonder dat daartoe de nodige vergunning werd verkregen, het gewoonlijk gebruik ontstaat.

Het misdrijf wordt voortgezet in de zin van artikel 6.1.1, 1e lid, 1° VCRO en de verjaring loopt niet zolang bijvend handelingen tot gebruik, zonder een tussentijdse onderbreking die tot verjaring leidt, worden gesteld. Indien dergelijke daden niet langer worden gesteld, wordt het niet-vergund maar vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in stand gehouden, dit is de onthouding van de dader om door enige handeling aan het bestaan van de toestand van een rechtmatig gebruik van de grond een einde te maken.’.

Referentie: pub3233-1

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/02/2014

Mag de gemeente de vergoeding in een (strafrechtelijke) minnelijke schikking met een gemeentemandataris betalen?

De vraag stelde zich of een burgemeester de vergoeding, betaald in een minnelijke schikking, mag ‘doorrekenen’ aan de gemeente indien de schikking betrekking heeft op een misdrijf, begaan tijdens de uitoefening van het mandaat. In casu werd een burgemeester strafrechtelijk aangesproken voor een stedenbouwinbreuk. Opgemerkt wordt dat de gemeente zelf niet strafrechtelijk kon aangesproken worden gelet op diens strafrechtelijke immuniteit.

Op 23 januari 2014 stelt de bevoegde minister van binnenlands bestuur:

‘In uw brief verwijst u naar artikel 73 van het gemeentedecreet.

Dit artikel stelt de gemeente burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van een geldboete waartoe de burgemeester is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn ambt.

U argumenteert waarom de gemeente ook tot betaling kan overgaan van de minnelijke schikking die de burgemeester van X is aangeboden voor feiten (i.c. bouwovertreding) gepleegd bij de normale uitvoering van zijn ambt. Zo haalt u onder meer aan dat:

- De feiten werken betreffen uitgevoerd in opdracht van de gemeente;
- De herstelvordering gericht is aan de gemeente;
- De gemeente tot herstel in de oorspronkelijke toestand is overgegaan;
- De minnelijke schikking laat vermoeden dat er geen sprake is van zware schuld;
- Er geen aanwijzingen zijn van bedrog of gewoonlijke lichte fout;

Ik stel ook vast dat de burgemeester voor genoemde feiten werd gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank en dat de minnelijke schikking is aangeboden hangende de zaak bij de rechtbank (art. 216bis, §2 Sv.). Dat aanbod tot minnelijke schikking werd gedaan omdat intussen proces-verbaal was opgemaakt waaruit het herstel in de oorspronkelijke toestand blijkt.

Gelet op het bovenstaande komt het mij in deze billijk en aanvaardbaar voor dat de gemeente tot terugbetaling overgaat van de minnelijke schikking die de burgemeester is aangeboden.

Referentie: Pub504122

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags