07/02/2019

Wat is een ‘overeenkomstige onderneming' van een sociaaleconomieonderneming bij voorbehouden opdrachten of concessies?

In het arrest nr. 243.568 van 31 januari 2019, uitgesproken bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wordt door de Raad van State alvast aangegeven wie niet kan beschouwd worden als een ‘overeenkomstige onderneming’:

'Wat het tweede middelonderdeel betreft, lijkt, voor de beoordeling ervan, vooralsnog niet vereist na te gaan of het bestek, al dan niet met toepassing van artikel 33 van de concessiewet, in die zin dient te worden begrepen dat slechts de in dit bestek vermelde drie categorieën van erkende sociale economieondernemingen in aanmerking mogen komen voor het voorbehouden perceel; de verzoekende partij beantwoordt naar eigen zeggen niet aan één van die categorieën.

De verzoekende partij lijkt immers niet aan te tonen dat zij zich hier nuttig beroept op de volgende besteksbepalingen, mocht zij er al een beroep mogen op doen:

     “Overeenkomstige ondernemingen kunnen aan de plaatsingsprocedure voor het perceel 2 van deze concessie deelnemen op voorwaarde dat zij aantonen dat zij aan gelijkwaardige voorwaarden voldoen.”

     en

     “Overeenkomstige ondernemingen kunnen met de geijkte documenten aantonen dat ze aan gelijkwaardige voorwaarden voldoen.”

De verzoekende partij toont immers op het eerste gezicht niet aan dat zij aan “gelijkwaardige voorwaarden” voldoet als de voorwaarden die worden gesteld in de regelgevingen voor erkende ondernemingen waarnaar in het bestek wordt verwezen. Met de verwerende partij mag worden aangenomen dat daartoe de loutere opname door de verzoekende partij in haar statuten van het hoofddoel, namelijk de maatschappelijke, sociale en professionele integratie en/of re-integratie van gehandicapten en/of kansarmen zoals onder meer bepaalde soorten werklozen, leden van achtergestelde minderheden of andere maatschappelijk gemarginaliseerde groepen, op het eerste gezicht niet volstaat. Evenmin lijkt daartoe te volstaan dat in die statuten is opgenomen dat zij activeringsmogelijkheden zal aanbieden aan gehandicapten of kansarmen, noch het feit dat zij de rechtsvorm heeft aangenomen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met een sociaal oogmerk. Minstens toont de verzoekende partij dit niet met de in het kader van deze procedure vereiste klaarblijkelijkheid aan'.

Referentie: pub7669

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Concessies, Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/01/2019

Raad van State oordeelt soepel(er) over 'Dimarso-vereiste' dat de beoordelingsmethode om een overheidsopdracht te gunnen op voorhand moet vastgesteld zijn

Het Hof van justitie heeft in het bekende TNS Dimarso-arrest nr. C-6/15 van 14 juli 2016 geoordeeld dat de beoordelingsmethodee weliswaar niet op voorhand moet bekendgemaakt worden, maar in beginsel wél op voorhand moet worden vastgesteld.

Het was de vraag of elk gunningsverslag onwettig zou worden bevonden als niet voorafgaand aan de offertes duidelijk was vastgesteld welke beoordelingsmethode zou gebruikt worden.

Het arrest nr. 240.866 van 1 maart 2018 deed veronderstellen dat de Raad van State zich strikt zou opstellen. Ut het arrest nr. 243.420 van 17 januari 2019 lijkt evenwel te kunnen worden afgeleid dat de Dimarso-vereiste zich enkel doet gelden als uit het gunningsverslag blijkt dat een op voorhand niet vastgestelde bijzondere beoordelingsmethode werd gevolgd:

'5.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 4 van de Wet Overheidsopdrachten van 17 juni 2016 en het gelijkheidsbeginsel, transparantiebeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”.

Zij betoogt:

Krachtens rechtspraak van het Hof van Justitie en de Raad van State is de aanbestedende overheid in principe verplicht om vóór de opening van de offertes de beoordelingsmethodiek van een gunningscriterium vast te stellen, om aldus transparant te handelen en alle ondernemingen gelijk te behandelen. Uit de opdrachtdocumenten blijkt niet dat de gemeente Dilbeek de beoordelingsmethodiek voor gunningscriterium nr. 1 in verband met de kwaliteit vóór de opening van de offertes heeft vastgesteld, er werd immers geen methodiek meegedeeld aan de inschrijvers. Uit het verslag van nazicht lijkt te kunnen worden afgeleid dat de gemeente wel degelijk een bijzondere methodiek heeft toegepast voor dit ene gunningscriterium, waarvan de toepassing bijzonder nadelig is gebleken voor verzoekende partij. Het komt aan de gemeente Dilbeek toe om te bewijzen dat de gehanteerde beoordelingsmethodiek voorafgaand aan de opening van de offertes werd vastgesteld overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie en de Raad van State.”

De verzoekende partij licht toe dat het bestek op geen enkele wijze melding maakt van enige beoordelingsmethodiek die zal worden gehanteerd bij de beoordeling van de (BAFO-)offertes van de inschrijvers en aan de hand waarvan op objectieve wijze punten worden toegekend en een rangschikking kan worden opgesteld.

Uit de tekst van de beoordeling van het kwaliteitscriterium voor perceel 3 kan volgens de verzoekende partij worden afgeleid dat de gemeente Dilbeek lijkt te hebben gewerkt aan de hand van een systeem van puntenaftrek.

Tekortkomingen in de offerte of de demo van de inschrijvers worden aldus ogenschijnlijk gelijkgesteld met een vermindering van het maximaal aantal punten.

Het voorgaande impliceert volgens de verzoekende partij dat de gemeente Dilbeek een uitdrukkelijk bewijs, daterend van voor de opening van de offertes, dient voor te leggen dat de voormelde beoordelingsmethodiek – met puntenaftrek per tekortkoming – werd vastgesteld. Tevens moet uit de vastgestelde beoordelingsmethodiek blijken hoe de tekortkomingen gewaardeerd zullen worden en dus hoeveel punten afgetrokken worden, gelet op de aard en de mate van de tekortkoming.

Voorts dient volgens de verzoekende partij opgemerkt te worden dat enkel voor de beoordeling van het betrokken gunningscriterium, namelijk het gunningscriterium nr. 1 "Kwaliteit" bij het derde perceel, wordt gebruikgemaakt van een stelsel van puntenaftrek. Voor de overige gunningscriteria bij het derde perceel, alsook voor het gunningscriterium "Kwaliteit" en andere gunningscriteria bij de overige percelen wordt een dergelijk systeem niet gebruikt.

De verzoekende partij meent dat de gemeente Dilbeek blijkens de gehanteerde beoordelingsmethodiek – puntenaftrek voor tekortkomingen – en de puntenaftrek van 15 punten ingevolge de demo, eigenlijk een nieuw gunnings-criterium "demo" heeft toegevoegd. De demo is aldus niet langer een element om de kwaliteit te beoordelen, het is getransformeerd naar een afzonderlijk criterium dat op zichzelf klaarblijkelijk (minstens) 15 punten waard is. Dit was de verzoekende partij op voorhand niet bekend.

Beoordeling

5.2.1. Te dezen blijkt uit de motivering dat de aanbestedende overheid zich voor de beoordeling van het eerste gunningscriterium en de vraag of het door de inschrijvers aangebodene kwalitatief voldoet aan de gevraagde functionaliteiten, heeft gesteund op de offerte en de demo. Zij lijkt terecht, gelet op de hiervoor geselecteerde bestekbepaling, in die motivering te stellen dat "[e]r werd meegegeven dat uit de demo moest blijken dat aan de gevraagde functionaliteiten kon worden voldaan". Voor de gekozen inschrijver werden twee punten in mindering gebracht omdat uit de offerte bleek dat een aantal zaken in de offerte anders werden ingevuld dan wat de verwerende partij hieromtrent verwachtte; bij de verzoekende partij werden 15 punten afgetrokken omdat uit de demo niet bleek dat de gevraagde (en in de offerte aangeboden) functionaliteiten ook steeds in de effectieve werkomgeving konden worden getoond. Op die wijze lijkt het niet dat enige bijzondere berekeningswijze werd toegepast bij de evaluatie, maar lijken de offertes gewoon inhoudelijk aan het gunningscriterium kwaliteit afgetoetst, zoals in het bestek is bepaald, namelijk “[d]e beantwoording aan de gevraagde formaliteiten wordt beoordeeld aan de hand van de offerte en de demo, conform III.6”. De evaluatie van dit gunningscriterium lijkt aldus op een volgens het bestek bepaalde manier te zijn gebeurd, namelijk rekening houdend met de mate waarin de offerte beantwoordt aan de vereiste functionaliteiten volgens het bestek én met de mate waarin de demo daarvan blijk geeft.

5.2.2. Het eerste middel is niet ernstig'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/03/2018

Litigation van advocaten toch onder overheidsopdrachtenreglementering?

Het Grondwettelijk Hof werd gevat met een rechtstreeks vernietigingsberoep tegen artikel 28, § 1, 74° Overheidsopdrachtenwet 2016, dat van de verplichting tot overheidsopdracht uitsluit:

'4° een van de volgende juridische diensten :
  a) de vertegenwoordiging in rechte van een cliënt door een advocaat als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, en dit in het kader van :
  i een arbitrage- of bemiddelingsprocedure in een lidstaat, een derde land of voor een internationale arbitrage- of bemiddelings-instantie, of
  ii een procedure voor een rechter of overheidsinstantie van een lidstaat of een derde land of voor een internationale rechter of instantie;
  b) juridisch advies dat wordt gegeven ter voorbereiding van de procedures als bedoeld in de bepaling order a), of indien er concrete aanwijzingen zijn en er een grote kans bestaat dat over de kwestie waarop het advies betrekking heeft, een dergelijke procedure zal worden gevoerd, mits het advies door een advocaat is gegeven in de zin van artikel 1 van voormelde richtlijn 77/249/EEG;
  c) het waarmerken en voor echt verklaren van documenten door een notaris;
  d) juridische dienstverlening door bewindvoerders of aangewezen voogden, en andere juridische dienstverlening waarvan de aanbieders door een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat, of van rechtswege, aangewezen zijn om specifieke taken te verrichten onder toezicht van die rechterlijke instanties;
  e) andere juridische diensten die in het Rijk al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag'

Deze bepalig, inzoverre  het de juridische diensten die erin worden opgesomd, uitsluit van het toepassingsgebied van de regelgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten die zij bevat, vindt rechtsgrond in artikel 10, c) en d), i), ii) en v), van de richtlijn 2014/24/EU.  Daarin wordt bepaald dat de arbitrage- en bemiddelingsdiensten, de zogenaamde ''litigation'-diensten, de diensten van advocaten en de rechtskundige diensten 'die in de betrokken lidstaat al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag', worden uitgesloten van de bij de richtlijn geharmoniseerde plaatsingsregels voor diensten, hetgeen tot gevolg heeft dat lidstaten niet verplicht zijn om die specifieke diensten te onderwerpen aan de algemene plaatsingsregels, die uit de richtlijn voortvloeien.

Het Grondwettelijk Hof twijfelt in het arrest nr. 43/2018 van 29 maart 2018 aan de wettigheid ... van de richtlijn en stelt volgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 10, c) en d), i), ii) en v), van de richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 februari 2014 « betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG » verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met het subsidiariteitsbeginsel en met de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat de daarin vermelde diensten worden uitgesloten van de toepassing van de plaatsingsregels in de voormelde richtlijn die nochtans de volle mededinging en het vrije verkeer waarborgen bij de aanschaf van diensten door de overheid ?'

De advocatuur wacht het antwoord op deze vraag met een bang hart af.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
24/01/2017

Nieuw KB in de maak dat sociale dumping bij overheidsopdrachten bestrijdt

Op vrijdag 20 januari 2017 heeft de Belgische regering een ontwerp van koninklijk besluit voorgesteld ter hervorming van de procedures voor overheidsopdrachtenin de klassieke sectoren, in overeenstemming met de Europese wetgeving.  Ziehier de persmededeling van de bevoegde minister Borsus:

'De strijd tegen sociale dumping is een topprioriteit van de regering. In het kader van de omzetting van de richtlijnen “overheidsopdrachten” hebben we de kans gegrepen om onze actie hieromtrent aanzienlijk te versterken, legt minister Willy Borsus uit.

Van bij de opstelling van de wet was de regering sterke verbintenissen aangegaan. Zo werd bijvoorbeeld bijzondere aandacht besteed aan de naleving van het arbeidsrecht.

Zo zal een aanbestedende overheid die op het moment van de offerte vaststelt dat de offerte van de best gerangschikte ondernemer een inbreuk vormt op het arbeidsrecht (bijvoorbeeld de bepalingen inzake de veiligheid op het werk), die offerte over het algemeen moeten weren.

Op het moment van de uitvoering van de opdracht zal elke aanbestedende overheid die een inbreuk vaststelt, ambtshalve maatregelen kunnen nemen.

Bovendien is voor de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen een eenvoudige vaststelling van de inbreuk voldoende om de uitsluitingsgrond toe te passen (geen in kracht van gewijsde gegane veroordeling nodig).

De regering had zich ertoe verbonden de inspanning voort te zetten bij de opmaak van de koninklijke uitvoeringsbesluiten. Wij wensten doeltreffende, met de sector overlegde maatregelen naar voren te brengen, aldus staatssecretaris de Backer. We zijn verheugd met de zeer constructieve werkzaamheden van de werkgroep voor de strijd tegen de sociale dumping, die bestaat uit leden van de vakbonds- en de werkgeversbank.

Met dit tekst zullen ongeoorloofd lage prijzen - 15% of meer onder de gemiddelde indienprijs - gemakkelijker geweerd kunnen worden. Hiermee pakken we sociale dumping bij de bron aan en is een belangrijk punt van de plannen voor eerlijke concurrentie in de bouw-, elektro- en schoonmaaksectoren uitgevoerd."

Vandaag hebben we bij de goedkeuring van het koninklijk “gunnings-”besluit dus een nieuwe stap gezet. In samenspraak met de actoren van de sector treffen we maatregelen om abnormaal lage prijzen op te sporen, bedrijven die aan dumping doen te weren en afkeurenswaardig gedrag bij de bevoegde overheden aan de kaak te stellen.

Met deze beslissing komen we onze verbintenis om de strijd tegen de sociale dumping op te drijven na. Stap na stap voeren we doeltreffende maatregelen uit om een gezonde concurrentie te garanderen, verduidelijkt Charles Michel. Ik ben blij dat we de bekommernissen van de sector in juridische teksten hebben kunnen omzetten”.

De regering zal de komende weken het koninklijk besluit “uitvoering” voorleggen.

Het doel is een uitvoering van de maatregelen vanaf 30 juni [2017]'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/10/2016

Een materiële vergissing in het Belgisch Staatsblad aangaande de volmacht om een overheidsopdracht te ondertekenen is niet dodelijk

Zo besliste de Raad van State in het arrest nr. 236.291 van 27 oktober 2016 dat bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd uitgesproken.

Verzoekende partij, die de gunning van de overheidsopdracht had misgelopen, wierp op dat de benoeming van de volmachthouder was gebeurd door de algemene vergadering en niet door de raad van bestuur van de gekozen inschrijver.  Dit omdat de bij de offerte gevoegde publicatie in het Belgisch Staatsblad zulks stelde.  Er zou sprake zijn van een bevoegdheidsoverschrijding en dus van een onwettige volmacht.

De Raad bevestigt het strenge principe:

'Uit wat voorafgaat volgt dat de ondertekening van een offerte een substantiële formaliteit is, waarvan de niet-naleving de nietigheid van de offerte wegens substantiële onregelmatigheid tot gevolg heeft. Met het gebrek aan ondertekening moet de situatie worden gelijkgesteld waarbij zij die ondertekenen niet degenen zijn die daartoe bevoegdheid hebben krachtens dwingende regelgeving of eigen statutaire bepalingen van de inschrijver. Een offerte ingediend door een tijdelijke handelsvennootschap, zoals te dezen de offerte van de gekozen inschrijver, dient aldus te worden ondertekend door al de leden van die vennootschap behoudens volmacht en is anders nietig wegens substantiële onregelmatigheid'.

Vervolgens wordt de schorsingsvordering verworpen. De correcte beslissing van de raad van bestuur, niet de omstandigheid dat de publicatie in het Belgisch Staatsblad een vergissing bevatte, gaf voor de Raad van State de doorslag:

'Wel wekt het bij de offerte gevoegde voormelde "uittreksel uit de notulen van de Jaarvergadering van 4 maart 2011", dat duidelijk bedoeld is als bewijs van de bevoegdheid van Samuel Auquier om de offerte namens de nv Audebo te ondertekenen, de indruk dat die volmacht werd verleend door de algemene vergadering, en niet door de raad van bestuur. De door de tussenkomende partijen voorgelegde notulen van die algemene vergadering van 4 maart 2011, die begon om 19 uur, bevatten geen beslissing tot aanwijzing van bijzonder gevolmachtigden maar wel tot herbenoeming van de commissaris, eerste punt in die bekendmaking. Wel is de beslissing tot aanwijzing van bijzondere mandatarissen, tweede punt in die bekendmaking, opgenomen in de notulen van de raad van bestuur van 4 maart 2011, die begon om 19u30. Bijgevolg moet worden aangenomen dat het betrokken uittreksel, zoals bij de offerte gevoegd, per vergissing geen onderscheid maakt tussen de organen die deze beslissingen namen.

(...)

Reeds in het inleidend verzoekschrift in de toelichting bij het middel benadrukte de verzoekende partij dat een onregelmatige ondertekening van de offerte van THV ...niet kan worden rechtgezet door bijvoorbeeld post factum en buiten de indieningstermijn van de offertes alsnog een volmacht door de raad van bestuur van de nv A. toe te kennen aan S., ongeacht of dit een bekrachtiging inhoudt van eerder gestelde handelingen.

Overeenkomstig haar pleitnota betoogt zij ter terechtzitting dat met een document dat louter post factum wordt bijgebracht in de procedure voor de Raad van State, zoals stuk 4 van de stukkenbundel van de THV ..., dat een bewijs van machtiging van het bevoegde orgaan zou moeten inhouden, evenmin rekening mag worden gehouden. Zelfs indien stuk 4 was bijgebracht tijdens de gunningsprocedure, doch ná indiening van de offertes, is dit volgens de verzoekende partij manifest laattijdig en mag er geen rekening mee worden gehouden gezien geenszins met voldoende zekerheid aangetoond kan worden dat stuk 4 vaste datum heeft of authentiek is. Een bestuur mag er bijgevolg niet van uitgaan dat er een geldige volmacht van het bevoegde orgaan bestond vóór de indiening van de offerte. De Raad van State oordeelde in het arrest nv Tractebel Engineering, nr. 223.253 van 23 april 2013 dat "[s]pecifiek wat het bewijs van de volmacht betreft, [het] lijkt […] dat uit de artikelen 94 en 110, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996, samen genomen, volgt dat het bestuur het recht heeft, zonder daartoe evenwel verplicht te zijn, een inschrijving als onregelmatig te weren, wanneer deze niet de stukken of inlichtingen bevat die moeten toelaten vast te stellen dat de ondertekenaar van de inschrijver de bevoegdheid heeft om de natuurlijke persoon of rechtspersoon namens welke hij optreedt, te verbinden". Hieruit volgt, volgens het arrest cvba Vooruit nr. 1, nr. 226.982 van 31 maart 2014, "dat het niet bij de offerte voegen van de reeds gegeven volmacht geen absolute nietigheid van de offerte meebrengt". Er blijkt niet prima facie waarom te dezen anders geoordeeld moet worden, in het kader van de hiervoor aangehaalde artikelen 82, § 3, en 95 van het koninklijk besluit Plaatsing. De voorliggende zaak lijkt eveneens te moeten worden onderscheiden van de zaak beslecht door het arrest bvba Office Depot International, nr. 229.829 van 16 januari 2015, en waarnaar de verzoekende partij in het verzoekschrift verwijst. In die zaak werd immers, in tegenstelling tot hetgeen in de voorliggende zaak gebeurde, blijkbaar pas na de opening van de offertes een bijzondere volmacht verstrekt aan de persoon die de offerte had ondertekend.

Te dezen blijkt niet dat pas na de opening van de offertes een bijzondere volmacht werd verleend aan S. om de offerte namens de nv A. te ondertekenen, maar is deze reeds op 4 maart 2011 verleend door de raad van bestuur. Het bestaan van deze beslissing van de raad van bestuur als collegiaal orgaan wordt te dezen bewezen door de aan de Raad van State door de tussenkomende partijen als stuk 4 voorgelegde notulen van de vergadering. De voormelde chronologie tussen de jaarvergadering van 4 maart 2011 om 19 u en de vergadering van de raad van bestuur van 4 maart 2011 om 19u30, waarop grotendeels dezelfde personen aanwezig waren, bevestigt ook de datum van dit stuk 4. Daarnaast werd een uittreksel uit de beslissing van de jaarvergadering van 4 maart 2011 met de volmacht, waarbij het uittreksel per vergissing stelt dat dit werd verleend door die vergadering, op 30 juni 2006 neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Gent en werd dit uittreksel bekendgemaakt in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2011.

De verzoekende partij betwist te dezen dit stuk niet van valsheid'.

Referentie: PUB506177

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags