15/02/2014

Ratificerend 'vergunningsdecreet' doorstaat toets Grondwettelijk Hof niet

De Waalse decreetgever heetf getracht enkele zgn. vergunningen van algemeen belang - betrekking hebbende op de luchthaven van Gosselies - bij decreet te 'ratificeren'.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt het vergunningsdecreet van 17 juli 2008 met arrest nr. 29/2014 van 13 februari 2014:

' B.5.3. De bekrachtigingen vervat in de artikelen 7 tot 9 van het bestreden decreet verlenen retroactief kracht van wet aan enkele specifieke vergunningen die door de administratieve overheid werden verleend. Die bepalingen hebben dus tot gevolg dat ze aan de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring onttrekken die tegen die vergunningen zijn ingesteld. Enkel het Grondwettelijk Hof is bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing ervan.

 Het Hof is echter niet bevoegd om een exhaustieve materiële en formele toetsing uit te voeren van de handelingen ter voorbereiding van de bekrachtiging of de aanneming van de in het geding zijnde vergunningen, zelfs aan de regels van internationaal en Europees recht die vervat zijn in het Verdrag van Aarhus of in de richtlijn 85/337/EEG.

Hoewel het Hof, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, erop toeziet dat de wetgever zijn verplichting van voorafgaande aanmelding bij de Europese Commissie in acht neemt, kan het, wanneer de schending van die verplichting, ten aanzien van het recht van de Europese Unie, een fundamentele procedurefout vormt, de bevoegdheden die door de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan het Hof werden toegewezen, niet uitbreiden zodat ze een dergelijke formele toetsing overstijgen, en zelf de materiële toetsing uitvoeren van de
inachtneming van de procedureregels in milieuaangelegenheden die voorafgaan aan de aanneming van de bestreden wetgevingshandeling.

 B.5.4. De omvang van de toetsing door het Grondwettelijk Hof kan bijgevolg niet worden gelijkgesteld met die van de toetsing door de Raad van State, zodat de bevoegdheid van het Hof zoals die voortvloeit uit de Grondwet en uit de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, niet volstaat om te voldoen aan de vereisten inzake rechterlijke toetsing, wanneer de projecten binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 85/337/EEG vallen.

 B.6.1. De categorie van burgers aan wie die vergunningen nadeel berokkenen, wordt dus op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 159 van de Grondwet, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (met name in het kader van de bij de artikelen 6, 8 en 14 ervan gewaarborgde rechten) en bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend, aangezien die vergunningen niet meer het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring voor een rechter die, zoals de Raad van State, beschikt over een toetsingsbevoegdheid die zich uitstrekt tot zowel de grond van de bestreden vergunning als de procedure voorafgaand aan de aanneming ervan.

Een dergelijk verschil in behandeling is discriminerend, behalve indien het op een wettige doelstelling berust en redelijk is verantwoord.

(...)

B.9. Hoewel het Hof in beginsel niet bevoegd is om, al was het maar via zijn toetsing van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de parlementaire procedure te controleren aan het eind waarvan een wetgevingshandeling werd aangenomen, dient te worden vastgesteld dat in het onderhavige geval de bevoegdheid om rekening te houden « zowel met de inhoud van de wetgevingshandeling als met de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, in het bijzonder met de
voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten » (HvJ, 16 februari 2012, C-182/10, Solvay e.a., punt 41) voortvloeit uit de noodzaak de werkingssfeer van de in B.5.1 en B.5.2 vermelde vereisten van het recht van de Europese Unie te bepalen.

 Die controle kan dus noch met een materiële toetsing, noch met een procedurele toetsing van de grondwettigheid van wetskrachtige bepalingen worden gelijkgesteld, maar vormt een voorafgaand onderzoek, opgelegd bij het recht van de Europese Unie, van de kwalificatie van de bestreden wetgevingshandeling.

B.10.1. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 30/2010 heeft opgemerkt, werd tijdens de aanneming van de artikelen 5 tot 17 van het bestreden decreet aan de parlementsleden slechts een beperkte rol gegeven. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat hun stem het bestaan van die vergunningen, dat losstaat van de bekrachtiging, niet in het gedrang kon brengen. Het was de parlementsleden overigens verboden de vergunningsaanvraag opnieuw te onderzoeken of de vergunning te wijzigen (Parl. St., Waals
Parlement, 2007-2008, nr. 805/5, p. 36). Er werd hun enkel gevraagd zich uit te spreken over het bestaan van een « gewestelijk belang » of van een « aanzienlijk belang » voor het Waalse Gewest (ibid., pp. 6 en 31).

Uit het onderzoek van de parlementaire voorbereiding blijkt dat de parlementsleden zich klaarblijkelijk ertoe hebben beperkt de aan de vergadering voorgelegde projecten zuiver en eenvoudig te « ratificeren », zodat die bepalingen, daar zij noch de vereisten inzake rechterlijke toetsing die zijn vermeld in B.5.1 en B.5.2, noch de voorwaarden inzake een specifieke wetgevingshandeling die in herinnering zijn gebracht in B.7 in acht nemen, dus een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1, lid 5, en 10bis van de richtlijn 85/337/EEG.

B.10.2. Die vaststelling doet geen afbreuk aan het bestaan van een recht van daadwerkelijk beroep, in de zin van artikel 10bis van de voormelde richtlijn 85/337/EEG of van artikel 11 van de voormelde richtlijn 2001/92/EU, tegen de vergunningen die het voorwerp hebben uitgemaakt of hebben kunnen uitmaken van een decretale bekrachtiging vermits het, aangezien de bestreden artikelen moeten worden vernietigd, aan de Raad van State toekomt toe te zien op de formele en materiële wettigheid van die vergunningen.

 B.11. Het middel is gegrond.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Legislatieve validatie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/06/2019

Afwijkingsmogelijkheden van 15 jaar oude BPA's en verkavelingen teruggeschroefd

Vandaag werd het Decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw (of ook: het Verzameldecreet 2019) in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Dit Verzameldecreet voert onder andere een aantal wijzigingen door aan de VCRO, het omgevingsvergunningendecreet en het DABM.

Met betrekking tot de versoeplingen die de Codextrein had ingevoerd inzake 15 jaar oude verkavelingen of Bijzondere Plannen van Aanleg, achtte de decreetgever deze iets te soepel en tracht zich hierbij kennelijk te herpakken.

Inzake verkavelingen maakt het nieuwe decreet het mogelijk dat de gemeenteraad kan beslissen, los van een concrete vergunningsaanvraag, de verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar toch te behouden als weigeringsgrond. Bijkomend maakt het verzameldecreet het mogelijk dat in het kader van de beoordeling van een concrete vergunningsaanvraag, de vergunningverlenende overheid gemotiveerd kan verwijzen naar bepaalde voorschriften van een meer dan 15 jaar oude verkaveling, waarbij zij dan aangeeft dat die voorschriften nog steeds belangrijke actuele criteria omvatten om op die specifieke plaats de goede ruimtelijke ordening te motiveren.

Zo ook is het vanaf nu mogelijk dat constructies die gelegen zijn in meer dan 15 jaar oude zonevreemde verkavelingen als zonevreemde constructie kunnen worden beschouwd en bijgevolg in aanmerking komen voor toepassing van de zonevreemde basisrechten ingeval de onderliggende gewestplanbestemming als toetsingskader naar boven komt. Het verzameldecreet wijzigt namelijk de definitie van “zonevreemde constructie” in artikel 4.4.1, 17° van de VCRO.

Inzake BPA's wordt voorzien in het feit dat de gemeenteraad kan beslissen dat voor een BPA ouder dan 15 jaar de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.4.9/1 VCRO niet kan worden aangewend. Zo kan de gemeente gebiedsgericht een afweging maken in functie van de ligging van de percelen, de inhoud van de stedenbouwkundige voorschriften van elk BPA enz

Bijkomend kan het vergunningverlenende bestuursorgaan bij de behandeling van individuele vergunningsaanvragen, gemotiveerd beslissen om de afwijkingsmogelijkheid niet toe te passen indien het van oordeel is dat de stedenbouwkundige voorschriften nog steeds de criteria van een goede ruimtelijke ordening (bedoeld in artikel 4.3.1,§2 VCRO) weergeven.

Geen onbelangrijke wijzigingen voor de praktijk dus.

Daarenboven is er voor deze specifieke wijzigingen geen overgangsbepaling voorzien. Deze bepalingen treden dus in werking 10 dagen na publicatie in het staadsblad.

Bij vragen, kan u ons gerust contacteren.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags DABM, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, VCRO, Verkavelingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/06/2019

Over de omvang van de bevoegdheid van de Raad van State als cassatierechter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

In een interessant arrest nr. 244.783 van 13 juni 2019 licht de Raad van State toe wat zij wél en niet kan als cassatierechter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

'Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.8.11, § 1, eerste alinea, 3°, VCRO [= toegang tot de RvVb]  omdat het om de aangehaalde redenen niet vaststond dat L. rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kon ondervinden van de bestreden vergunning, noopt de Raad van State tot de beoordeling van de zaak zelf. Als cassatierechter is de Raad van State hiervoor niet bevoegd.

Het middel is niet ontvankelijk.

(...)

De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

Het middel dat een niet afdoende motivering aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/06/2019

Thomas More Mechelen-Antwerpen (2019 – 2023)

Hogeschool Thomas More Mechelen-Antwerpen heeft recent een overheidsopdracht gegund aan 3 advocatenkantoren, waaronder aan de combinatie Geert/Denaeyer-Publius.

De raamovereenkomst heeft betrekking op de juridische ondersteuning voor dossiers onderworpen aan de wetgeving overheidsopdrachten en voor de geschillen in de uitvoeringsfase van werken. De raamovereenkomst heeft een looptijd van 4 jaar.

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/06/2019

Steeds belang bij een middel over bestemmingsstrijdigheid?

Klassiek luidt de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat, opdat een verzoekende partij belang zou hebben bij een middel, het noodzakelijk, doch voldoende is dat de vernietiging op grond van dit middel zou kunnen bijdragen tot het voordeel dat de verzoekende partij beoogt of, anders gezegd, dat dit middel het door haar geschetste nadeel zou kunnen weren.

In het eerder door ons gecommentarieerde arrest nr. RvVb/A/1718/0887 van 22 mei 2018 werd deze rechtspraak schijnbaar genuanceerd. Indien een middel strekt tot bescherming van belangen die geheel vreemd zijn aan het belang waarop de verzoekende partij zich voor de staving van de ontvankelijkheid van haar vordering beroept, dan is er geen belang bij het middel.

In het arrest nr. RvVb-A-1819-1000 van 21 mei 2019 werd aan verzoekende partijen tegengeworpen dat zij geen belang konden doen gelden tegen de ingeroepen bestemmingsstrijdigheid van een gedeelte van het bouwproject, omdat zij te ver af wonen van dit gedeelte. De Raad herhaalt haar klassieke rechtspraak, met name dat het bekomen van de nietigverklaring op zich een voldoende belang uitmaakt, en argumenteert bijkomend:

‘Bovendien zijn de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP, waarvan de verzoekende partijen de toepassing benaarstigen, ingegeven vanuit het algemeen belang en de principiële vrijwaring van het gebied voor stedenbouwkundige handelingen en strekken deze aldus niet louter tot de bescherming van de eigenaar/bewoner van de aanpalende/vlakbij gelegen percelen/woningen, zodat de verwijzing in de exceptie naar de afstand ten aanzien van de woning van de verzoekende partijen in dat verband irrelevant is’.

Vrij vertaald hebben verzoekende partijen altijd belang bij een middel gestoeld op de bestemmingsstrijdigheid, onafgezien de impact daarvan op hun persoonlijk leven.

Referentie: RvVb, 21 mei 2019, nr. RvVb-A-1819-1000 (Pub507125)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Belang, Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht