11/11/2018

Procedure voor Raad van State heeft altijd verjaringsstuitende werking (ook bij verwerping van de vordering)

Het Grondwettelijk Hof moest in het arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordelen over hiernavolgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een arrest van nietigverklaring leiden, een verjaringsstuitende werking verleent en dezelfde verjaringsstuitende werking niet verleent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een arrest van nietigverklaring leiden en/of aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die leiden tot een arrest waarbij een verlies van belang wordt vastgesteld dat tot de verwerping van het beroep leidt?'

Het Hof besliste:

'Artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 'tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State', schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het geen verjaringstuitende werking toekent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een vernietigingsarrest leiden'.

Dit is de argumentatie:

'B.9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat ontstaat doordat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de arresten waarbij het beroep wordt verworpen wegens het verlies van belang van de verzoeker.

B.10.1. De Ministerraad, die daarin wordt bijgetreden door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, voert in zijn memorie aan dat rekening moet worden gehouden met de samenhang van de tekst zelf, in het bijzonder met de bewoordingen 'voor de toepassing van deze afdeling » in artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2247 van hetzelfde Wetboek, dat deel uitmaakt van die afdeling, bepaalt evenwel dat, « indien de eiser afstand doet van zijn eis, of indien zijn eis wordt afgewezen, [...] de stuiting voor niet bestaande [wordt] gehouden'.

Volgens de Ministerraad en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, zou de wetgever ten opzichte van de door de Raad van State geformuleerde opmerkingen een standpunt hebben ingenomen door te beslissen om de voor het beroep tot nietigverklaring bedoelde regeling af te stemmen op de voor de dagvaarding bedoelde regeling. Aldus zou hij, net zoals artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek voor de dagvaarding, hebben beslist dat het beroep tot nietigverklaring niet gepaard zou gaan met een verjaringsstuitende werking indien de handeling, aan het einde van de procedure voor de Raad van State, niet nietig werd verklaard.

B.10.2. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, besluit daaruit dat, teneinde het eventueel discriminerende karakter van de in het geding zijnde bepaling te beoordelen, niet twee categorieën van rechtzoekenden bij de Raad van State met elkaar zouden moeten worden vergeleken, zoals het verwijzende rechtscollege doet, maar dat de situatie van de rechtzoekenden die zich tot de Raad van State wenden en een verwerpingsarrest verkrijgen, zou moeten worden vergeleken met die van de rechtzoekenden die zich tot de burgerlijke rechtbanken wenden en die een verwerpend vonnis of een verwerpingsarrest verkrijgen.

B.11. Het staat niet aan de partijen om de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te laten wijzigen.

B.12.1. De redenen waarom de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan verwerpen zonder de grond van de zaak te hebben onderzocht, kunnen talrijk zijn. Zulks geldt met name wanneer de verzoeker, om redenen buiten zijn wil, zijn belang om in rechte te treden verliest tijdens het geding voor het hoge administratieve rechtscollege, zoals dat het geval is in de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak. De termijn die is verstreken tussen de datum van het instellen van het beroep en de datum waarop de Raad van State zijn arrest wijst, kan bijzonder lang zijn en eveneens voortvloeien uit omstandigheden buiten de wil van de verzoeker, zoals dat het geval is in de aan de
verwijzende rechter voorgelegde zaak, zodat de termijn waarin is voorzien om een burgerlijke vordering tot schadevergoeding in te stellen, intussen is verstreken.

B.12.2. Zoals de appellant voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont, kan de verzoeker, op het ogenblik van het instellen van zijn beroep bij de Raad van State, niet de omstandigheden voorzien die ertoe kunnen leiden dat een verwerpingsarrest zal worden gewezen, noch de termijn voorzien waarbinnen de Raad van State uitspraak zal doen. Indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zal de ontstentenis van een verjaringsstuitende werking die, in geval van een verwerpingsarrest, uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, tot gevolg hebben dat aan de rechtzoekende elke mogelijkheid wordt ontzegd om bij de burgerlijke rechter tijdig een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen de administratieve overheid.

Het enige middel waarover de verzoeker beschikt om zijn rechten te vrijwaren, is het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter, naast het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, hetgeen echter de doelstelling van proceseconomie zou tenietdoen, die precies door de wetgever wordt nagestreefd.

B.12.3. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zou de ontstentenis van een verjaringstuitende werking met betrekking tot een door de Raad van State gewezen verwerpingsarrest niet kunnen worden verantwoord door de bekommernis om de in het geding zijnde regeling te harmoniseren met de in artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde regeling inzake de dagvaarding voor het gerecht.

Zoals in B.2 is vermeld, verwijst artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit naar de regels van het gemeen recht voor de stuiting van de verjaring, namelijk die welke worden voorgeschreven in afdeling I van hoofdstuk IV, titel XX, boek III, van het Burgerlijk Wetboek, onder de artikelen 2242 tot 2250 van het Wetboek. Hoewel artikel 2244 van dat Wetboek naar de regels van die afdeling verwijst, met inbegrip van de in artikel 2247 bedoelde regel, dient te worden opgemerkt dat, wanneer de rechtzoekende een dagvaardinginstelt voor de burgerlijke rechter, laatstgenoemde zich dient uit te spreken over de zaak in het kader van één en dezelfde procedure met betrekking tot subjectieve rechten tijdens welke de rechtzoekende al zijn argumenten zal hebben kunnen doen gelden. De omstandigheid dat de stuiting van de verjaring, door de toepassing van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, voor niet-bestaande wordt gehouden in geval van verwerping van de rechtsvordering op inhoudelijke of vormelijke gronden, zal het onderzoek van de gegrondheid van de vordering niet hebben aangetast. In een dergelijk geval zal de rechtzoekende op geen enkele manier het slachtoffer kunnen zijn geweest van een achterstand bij het burgerlijke rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, aangezien hij precies die rechter is die uitspraak doet met een stuiting van de verjaringstermijn zolang de beslissing niet is gewezen.

B.12.4. Daarentegen kan ten aanzien van de rechtzoekende die bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring instelt, in het objectieve contentieux, dat beroep worden verworpen om een reden die niets te maken heeft met de grond van de zaak. Hij moet een nieuwe procedure, ditmaal in het subjectieve contentieux, instellen voor de burgerlijke rechtscolleges teneinde een schadevergoeding te verkrijgen, indien hij de onwettigheid van de betwiste bestuurshandeling aantoont, hetgeen een onderzoek van de grond van de zaak door de burgerlijke rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, vereist.

Een dergelijk beroep wordt hem evenwel ontzegd indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zodat ingevolge de toepassing van artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 100 en 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, de termijn om zijn vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter zal zijn verstreken.B.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een vernietigingsarrest leiden, een verjaringsstuitende werking verleent, niet relevant is ten opzichte van de in B.7 en B.8
vermelde doelstellingen, aangezien zij de rechtzoekende die ervoor kiest om een bestuurshandeling aan te vechten voor de Raad van State nog steeds ertoe verplicht om tevens ten bewarende titel een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter, teneinde de verjaring van zijn vordering te voorkomen'.

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Raad van State, Verjaring
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/10/2019

Substituerend vorderingsrecht in ere hersteld

Met het Decreet Lokaal Bestuur werd het substituerend vorderingsrecht zoals vervat in artikel 194 van het Gemeentedecreet afgeschaft.

Het substitutierecht stelde inwoners van een gemeente in staat om namens de gemeente in rechte op te treden wanneer deze laatste ten onrechte naliet om op te treden.

Deze figuur werd frequent gebruikt in combinatie met de milieustakingsvordering.

Eerder werd een poging van de decreetgever om het substituerend vorderingsrecht te beperken tot gevallen waarin schade aan het leefmilieu werd toegebracht, afgeblokt door het Grondwettelijk Hof (zie ons eerdere blogbericht hierover).

Ook de volledige afschaffing van het substituerend vorderingsrecht heeft de toets van het Grondwettelijk Hof niet kunnen doorstaan.

Bij arrest nr. 129/2019 van 10 oktober 2019 heeft het Grondwettelijk Hof de opheffing van artikel 194 van het Gemeentedecreet vernietigd op grond van volgende overwegingen:

“ B.6.2.  Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van elke wetgever de maatregelen te bepalen die hij adequaat en opportuun acht om dat doel te verwezenlijken.

Krachtens artikel 7bis van de Grondwet dient elke wetgever bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de doelstellingen na te streven van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.

B.6.3.  Door het veelvuldig gebruik van de milieustakingsvordering, door de inwoners die namens de gemeente of de provincie in rechte optreden, valt de opheffing van artikel 194 van het Gemeentedecreet en artikel 187 van het Provinciedecreet binnen het toepassingsgebied van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet dat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu waarborgt.

B.7.1. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.7.2.  In de materies die tot de gemeentelijke bevoegdheden behoren, komt het aan de gemeentelijke overheden toe om onwettige handelingen te doen ophouden of te voorkomen en om daartoe desnoods in rechte op te treden. Artikel 194 van het Gemeentedecreet beoogde de inwoners van een gemeente in de mogelijkheid te stellen om namens de gemeente in rechte op te treden indien het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad dat ten onrechte nalaten. Het algemeen belang van de gemeente - met inbegrip van de gemeentelijke financiën - kan immers in het gedrang komen door het stilzitten van het college of de gemeenteraad.

Hoewel de mogelijkheid om namens de gemeente in rechte op te treden aan bepaalde voorwaarden was onderworpen, was zij in vele gevallen de enige weg voor individuele burgers om het rechterlijk toezicht op onwettige handelingen te activeren. De opheffing van die mogelijkheid, door de bestreden bepaling, houdt een aanzienlijke vermindering in van het bestaande beschermingsniveau.

B.7.3.  Het Hof dient derhalve te onderzoeken of daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.8.  Op het vlak van het milieubeleid dient het Hof, rekening houdend met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet voor de gewestwetgevers geldt om het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen, het oordeel van die wetgevers betreffende het algemeen belang te eerbiedigen, tenzij dat oordeel onredelijk is.

B.9.1.  De Vlaamse Regering haalt een aantal redenen aan ter verantwoording van de bestreden maatregel. Zij voert allereerst aan dat de ratio legis van het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente achterhaald is. Toen de wetgever in 1836 artikel 150 van de Gemeentewet aannam, beoogde hij volgens de Vlaamse Regering een oplossing te bieden voor de situatie waarin een gemeente niet durfde of wilde optreden tegen vooraanstaande inwoners van de gemeente. De gemeenteraden waren niet op dezelfde wijze representatief samengesteld zoals vandaag het geval is en het college van burgemeester en schepenen werd niet verkozen door de gemeenteraad maar benoemd door de regering.

B.9.2.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet, dat artikel 194 van het Gemeentedecreet heeft opgeheven:
 « Toen de nationale wetgever in 1836 artikel 150 van de Gemeentewet aannam (de voorloper van artikel 194 van het Gemeentedecreet) wilde hij een oplossing bieden voor de situatie waarin een kleinere gemeente niet durfde of niet wilde optreden tegen een van de meest vooraanstaande inwoners van de gemeente. Die mogelijkheid kan niet los gezien worden van de toenmalige context van de bestuurlijke organisatie, meer bepaald de omstandigheid dat gemeenteraden niet op dezelfde manier representatief zijn samengesteld zoals dat op vandaag het geval is, en dat het college van burgemeester en schepenen werd benoemd door de regering. Bij stilzitten van de gemeentelijke overheden, kon een andere inwoner dus, namens de gemeente, het nodige doen, met het daartoe voorziene artikel 150 van de Gemeentewet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1353/1, p. 19).

B.9.3.  Het komt vanzelfsprekend de decreetgever toe de bestaande wetgeving aan te passen aan de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden. Nadat hij vanaf 1 januari 2002 de bevoegdheid verwierf om, op grond van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen te regelen, heeft de Vlaamse decreetgever het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente uitdrukkelijk overgenomen in artikel 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005. Daaruit moet worden afgeleid dat de decreetgever, ook in de hedendaagse bestuurlijke context, zich het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente heeft toegeëigend.

B.10.1.  In het verlengde van de voormelde reden, voert de Vlaamse Regering voorts aan dat het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente, met name in combinatie met de milieustakingsvordering, op gespannen voet staat met de normale werking van de plaatselijke democratie. Het zou niet verantwoord zijn dat een beslissing van een democratisch orgaan om niet in rechte op te treden, op initiatief van een individuele inwoner kan worden omzeild.
 
 B.10.2.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet:
 « Bepaalde rechtspraak maakte van artikel 194 van het Gemeentedecreet een door de wetgever onbedoeld wapen tegen de gemeente. Het artikel zou immers betekenen dat inwoners ook namens de gemeente kunnen optreden tegen de gemeente, namelijk om een project dat uitdrukkelijk door de gemeenteraad en het college gesteund wordt, aan te vallen.
Die situatie staat op gespannen voet met de normale werking van de plaatselijke democratie. Het is inderdaad weinig zinnig en democratisch verantwoord, dat een eerder democratisch tot stand gekomen beslissing van een gemeente, of de weloverwogen keuze om niet op te treden, vervolgens aan een rechterlijke controle wordt onderworpen op een verzoek dat daartoe, namens de gemeente zelf, wordt ingediend door (één of meer, maar niettemin een minderheid van) haar inwoners » (ibid., p. 20).

B.10.3.  Zoals in het arrest nr. 60/2016 reeds werd opgemerkt, is het stilzitten van de gemeente niet noodzakelijkerwijs een gevolg van een nalatigheid of onwilligheid om het gemeentelijk belang te behartigen, doch kan het evenzeer de uiting zijn van een weloverwogen keuze, omdat de gemeente van oordeel is dat geen onwettigheid is begaan en er dus geen aanleiding is om een stakingsvordering in te stellen.
Aan die democratisch gelegitimeerde keuze wordt evenwel geen afbreuk gedaan door een inwoner die een andere mening is toegedaan. Zijn optreden in rechte, namens de gemeente, beoogt slechts de wettigheid van een betwiste handeling aan de rechterlijke toetsing te onderwerpen en bestendigt op die manier zijn participatie aan de democratische rechtsstaat. De eerbiediging van de rechtsstaat is een essentiële voorwaarde voor de bescherming van alle grondrechten, waaronder het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Bovendien zal de rechter de vordering of het beroep ongegrond verklaren indien geen onwettigheid werd begaan.
 

B.11.1.  Vervolgens voert de Vlaamse Regering aan dat de inwoner inmiddels over andere juridische instrumenten beschikt, ter vrijwaring van een subjectief recht, een persoonlijk belang of een collectief belang.

B.11.2.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet:
 « Daarbij is er rekening mee te houden dat inwoners van een gemeente thans over een hele reeks aan juridische instrumenten beschikken, wat betreft hun rechtsbescherming tegen een in gebreke blijvende overheid (zoals administratieve beroepsmogelijkheden en inspraakmogelijkheden), of om op te komen tegen door de gemeentelijke overheid genomen beslissingen, die in 1836 niet bestonden (zoals onder meer de in de rechtspraktijk sterk geëvolueerde mogelijkheid om, ter vrijwaring van subjectieve rechten, een (kortgeding)rechter te vatten met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, of artikel 14, § 3, van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State) » (ibid., p. 20).

B.11.3.  Een inwoner die doet blijken van een subjectief recht of een persoonlijk belang wordt door de bestreden opheffingsbepaling in zijn optreden in rechte niet gehinderd.
 Een inwoner die op grond van artikel 194 van het Gemeentedecreet in rechte optreedt, treedt evenwel niet op uit eigen naam, maar enkel uit naam en als vertegenwoordiger van de gemeente. De vordering dient te steunen op een recht van de gemeente en heeft tot doel een collectief belang te verdedigen. Bijgevolg vermag een inwoner van een gemeente slechts namens haar in rechte op te treden voor zover de gemeente in kwestie zelf een ontvankelijke vordering kan instellen.

B.11.4.  De Vlaamse Regering verwijst in het bijzonder naar de mogelijkheid voor milieuverenigingen om in rechte op te treden ter vrijwaring van een collectief belang.

B.11.5.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet:
 « Dat de procederende inwoner geen belang heeft bij de veroordeling van de tegenpartij, is bovendien zelden tot nooit het geval mocht dit wel het geval zijn dan is het zo dat op het moment dat de wetgever deze bepaling in het gemeentedecreet had ingeschreven de federale wetgever nog geen ruime mogelijkheden had voorzien ten aanzien van verenigingen om in functie van hun maatschappelijk doel rechtsvorderingen in te stellen en uit hoofde van hun doel een belang te veronderstellen. Zo beschikken milieubewegingen vandaag over een autonoom recht om vorderingen in te stellen en beschikt de burger die over geen persoonlijk belang zou beschikken dus over een alternatief en hoeft hij - om de rechtsbescherming die de grondwet inzake milieubescherming biedt te behouden - niet terug te vallen op een uitzonderlijke procedure die ooit in het gemeentedecreet is terecht gekomen en waarbij aan een burger een vorderingsrecht namens de gemeenten werd toegekend » (ibid., p. 47).

B.11.6.  Het bestaan van een alternatieve mogelijkheid om de wettigheid van een betwiste handeling aan de rechterlijke toetsing te onderwerpen, kan weliswaar verantwoorden dat een andere toegang tot de rechter wordt beperkt. Het bestaan van een alternatieve toegang tot de rechter biedt evenwel geen reden van algemeen belang die de aanzienlijke vermindering van het bestaande beschermingsniveau kan verantwoorden. Dat geldt des te meer wanneer die alternatieve toegang een hogere drempel opwerpt doordat zij de inwoners van de gemeente ertoe noopt zich te verenigen.

B.12.  Het komt ten slotte aan de rechter toe om een eventueel misbruik begaan door de inwoners te bestraffen. Daartoe vereist artikel 194 van het Gemeentedecreet overigens dat de inwoner die namens de gemeente in rechte optreedt, een zekerheidstelling moet aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding - waartoe ook de rechtsplegingsvergoeding behoort - te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.

B.13.  Door de opheffing van het vorderingsrecht namens de gemeente heeft de decreetgever het beschermingsniveau dat werd geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate verminderd zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang”.

De opheffing van het substituerend vorderingsrecht schendt aldus de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting.

Waar de Vlaamse Regering heeft verzocht de vernietiging te beperken tot het vorderingsrecht van inwoners ter vrijwaring van het leefmilieu, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de standstill-verplichting niet enkel geldt ter bescherming van het recht op een gezond leefmilieu, maar van alle in artikel 23 van de Grondwet vermelde rechten. De decreetgever dient, wanneer hij het vorderingsrecht van inwoners wenst te beperken, niet alleen artikel 23 van de Grondwet maar ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht te nemen.

Alzo wordt het substituerend vorderingsrecht opnieuw in ere hersteld.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Lokale Besturen
Tags Celine Van De Velde, Grondwettelijk recht, Lokale besturen, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/10/2019

Loutere verwijzing naar vernietigingsarrest van de Raad van State is geen voldoende draagkrachtig motief bij herbeslissing

Met arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 vernietigde de Raad van State de beslissing van de Beroepscommissie in Tuchtzaken. De Raad van State oordeelde dat de (vernietigings-)beslissing van de Beroepscommissie wezenlijk beperkt was tot een ontkenning van het bewezen-zijn van het tuchtfeit en dat er te weinig rekening werd gehouden met elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden. De Beroepscommissie sprak zich opnieuw uit en stelde ‘gelet op het gezag van gewijsde van de overwegingen in het tussengekomen arrest is de Beroepscommissie er in de gegeven omstandigheden toe gehouden om vast te stellen dat de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond dienen te worden afgewezen en dat de bestreden beslissing dient te worden gehandhaafd’.

Dit is aldus de Raad van State in het schorsingsarrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 , prima facie, te kort door de bocht:

‘Waartoe het arrest [van 6 december 2018] de Beroepscommissie op het eerste zicht wel – en slechts – verplicht is tot een nieuwe uitspraak over verzoekers administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 waarbij zij niet haar eigen oordeel over het al dan niet bewezen-zijn van de tegen verzoeker in aanmerking genomen tuchtfeiten geeft, maar aan de hand van de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden, beoordeelt of de zienswijze hieromtrent van de gemeenteraad binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid is gebleven.

Bijgevolg lijkt de Beroepscommissie, door in de bestreden beslissing (…) het administratief beroep van verzoeker af te wijzen, omdat uit het arrest van de Raad van State zou volgen dat het door de stad W. opgelegde tuchtstraf geenszins als niet-bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd’ en dat ‘de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond diende te worden afgewezen’, een foutieve invulling te geven aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 van 6 december 2018, en heeft het administratief beroep van verzoeker op het eerste zicht niet zorgvuldig en deugdelijke beoordeling gekregen die vereist is’.

Het lijkt erop dat de Beroepscommissie zich zodoende ten derde maal zal moeten buigen over dezelfde zaak.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/10/2019

Ook Beleidsplan Provincie Oost-Vlaanderen een eerste keer ter inzage

Ter aanvulling van een eerder blogbericht - waarin ook het belang van provinciale beleidsplannen werd uiteengezet - ligt thans ook het provinciaal Beleidsplan 'Oost-Vlaanderen 2050' een eerste maal ter inzage. 

De relevante documenten vindt u hier.

Eerste opmerkingen kunnen overgemaakt worden tot en met 14 november.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Integraal handelsvestigingenbeleid, Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/10/2019

Raad voor Vergunningsbetwistingen spreekt zich uit over de melding van de beroepstermijn op het omgevingsloket

Aangezien het Omgevingsvergunningsdecreet en bijhorende uitvoeringsbesluiten niet meer voorzien in een attest van aanplakking - hetgeen de start van de beroepstermijn voor derden akteert - rees de vraag waarop een derde zich dan wel moest beroepen om de laatste dag van de beroepstermijn te weten te komen. 

In een eerder blogbericht wezen wij al op de gevaren. 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is nu onlangs, op 13 augustus 2019, tot een eerste arrest gekomen dienaangaande (RvVb 13 augustus 2019, RvVb-S-1819-1296):

"Het omgevingsvergunningsdecreet voorziet immers niet in een attest van aanplakking, zoals voorheen het geval was, noch omvat artikel 57 OVB de verplichting om op de affiche van aanplakking de startdatum van de aanplakking te vermelden. Bovendien zijn de gegevens over de aanplakking in het omgevingsloket, met name de registratie van de startdatum van aanplakking en eventueel bijgevoegde foto’s, voor een derden zoals de verzoekende partijen via het publiek toegankelijk deel van het omgevingsloket op het eerste gezicht niet raadpleegbaar.

Aangezien de omgevingsvergunningsprocedure in hoofdzaak digitaal verloopt, zoals ook in de regelgeving is vastgelegd, mogen derden er in die concrete omstandigheden dan ook op kunnen vertrouwen dat vermelde einddatum van de beroepstermijn in het omgevingsloket correct is. Er kan van een derde niet in die mate waakzaamheid worden vereist, en de vermelding van een einddatum van de beroepstermijn op het publieke luik in het omgevingsloket ondermijnt de plicht tot waakzaamheid overigens ook, dat hij zelf ook nog steeds bij de gemeente moet verifiëren wanneer de aanplakking in het omgevingsloket is geregistreerd.

Voor zover de gegevens van de aanplakking niet ter inzage liggen op grond van de bepalingen uit het artikel 63 OVB, dat die gegevens op het eerste gezicht niet uitdrukkelijk vermeldt, vallen derden, zoals de verzoekende partijen, terug op de generieke regeling inzake de toegang tot bestuursdocumenten uit het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Gezien de besturen slechts binnen de in het Bestuursdecreet vermelde termijnen moeten beslissen om de inzage al dan niet toe te staan, loopt een derde op die manier het risico dat zijn beroepstermijn reeds is verstreken op het moment hij inzage in de gegevens van de aanplakking verkrijgt."

De laatste dag om beroep in te dienen zou aldus gelijk zijn aan de datum 'einde beroepsperiode derden' zoals in het omgevingsloket is bepaald. 

Een en ander blijkt evenwel niet uitdrukkelijk uit het omgevingsvergunningsdecreet, dus het blijft wel oppassen in de praktijk, maar het kan niet ontkend worden dat de rechten van derden hierdoor wel enigszins versterkt worden. 

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/09/2019

Provinciale beleidsplannen belangrijk voor retailsector

Het openbaar onderzoek van het Beleidsplan Ruimte Provincie Antwerpen is op dit ogenblik lopende. Binnenkort volgen de publieke raadplegingen van het Beleidsplan Ruimte Provincie Vlaams-Brabant en Beleidsplan Ruimte Limburg. Alles wijst erop dat deze beleidsplannen van belang zijn voor de perifere kleinhandel, waaronder de baanwinkels. Vandaar deze oproep aan de sector om de kans om gehoord te worden, niet aan zich voorbij te laten gaan!

Lees ook: Bye Bye structuurplannen. Welkom beleidsplannen

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht