28/12/2017

Nieuwe Europese drempelbedragen voor overheidsopdrachten vanaf 1 januari 2018!

Op 18 december 2017 heeft de Europese Commissie bij verordening de nieuwe drempelbedragen voor overheidsopdrachten in respectievelijk de klassieke en speciale sectoren en concessieovereenkomsten vastgesteld.

Voor overheidsopdrachten of concessieovereenkomsten waarvan het bedrag gelijk is aan deze bedragen of deze overschrijdt, moeten de Europese aanbestedingsregels gerespecteerd worden.

De nieuwe (en hogere!) drempels gelden vanaf 1 januari 2018 voor een periode van 2 jaar.

De Europese drempelbedragen vervat in artikel 4 Richtlijn 2014/24/EU aangaande de klassieke sectoren worden als volgt aangepast:

  • voor overheidsopdrachten voor werken: van 5 225 000€ naar 5 548 000€
  • voor overheidsopdrachten  voor leveringen en diensten van centrale overheidsinstanties: van 135 000€ naar 144 000€
  • voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten van decentrale overheidsdiensten: van 209 000€ naar 221 000€

De Europese drempelbedragen neergelegd in artikel 15 Richtlijn 2014/25/EU aangaande de speciale sectoren worden gewijzigd als volgt:

  • voor overheidsopdrachten voor werken: van 5 225 000€ naar 5 548 000€
  • voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten: 418 000€ naar 443 000€

Voor concessieovereenkomsten van openbare werken en dienstconcessies geldt overeenkomstig het gewijzigde artikel 8 Richtlijn 2014/23/EU voortaan niet langer 5 225 000€ maar 5 548 000€ als Europese drempel.

Hogervermelde bedragen zijn telkens exclusief btw.

14/11/2019

Rechtszekerheid tuincentra opnieuw op de helling

In een arrest nr. 179/2019 van vandaag, 14 november 2019, heeft het Grondwettelijk Hof beslist om de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 "houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving", kortweg: de Codextrein, te vernietigen. 

Het Hof kwam tot deze vaststelling om een aantal redenen. Het Hof diende na te gaan of er een objectieve verantwoording voorligt voor een verschil in behandeling tussen zonevreemde tuincentra en andere zonevreemde bedrijven in agrarisch gebied. De redenen van decreetswijziging waren daarbij drieërlei:

  • het historisch gegroeid karakter van de zonevreemde activiteiten;
  • de moeilijkheden om de betrokken tuincentra te herlokaliseren;
  • de inpasbaarheid van hun activiteiten in de agrarische context.

Wat betreft het eerste criterium, het historisch gegroeide karakter, bepaalde het Hof dat de vaststelling dat een bedrijf reeds bijna 20 jaar onvergunde en onvergunbare activiteiten uitoefent - de wijziging diende immers vóór 1 mei 2000 te hebben plaatsgevonden -, geen pertinent criterium is om dergelijke bedrijven een vereenvoudigde toegang te verlenen tot het instrument van het planologisch attest. Het historisch gegroeid karakter van de zonevreemde tuincentra verantwoordt bijgevolg het verschil in behandeling met andere zonevreemde bedrijven niet.

Aangaande het tweede criterium stelde het Hof dat niet aangetoond is waarom de moeilijke herlokaliseerbaarheid niet zou gelden voor andere zonevreemde bedrijven. De vaststelling dat er in vele gevallen onvoldoende alternatieven voorhanden zijn voor de herlokalisatie van zonevreemde bedrijven, was immers, zo merkt het Hof op, precies een van de motieven voor de invoering van het planologisch attest. Opnieuw geen objectieve verantwoording.

Ook het derde en laatste criterium kon niet voor een objectieve verantwoording zorgen, aldus het Hof. Het Hof stelt dat de vereiste dat minstens vijftig procent van het terrein moet bestaan uit serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen zo ruim omschreven is dat zij nauwelijks kan worden onderscheiden van het louter in leven houden van de planten voor verkoop.

 

Het Grondwettelijk Hof besloot dan ook om de regeling, zoals ingevoegd door de Codextrein, te vernietigen omwille van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen gelijke categorieën, zijnde zonevreemde bedrijven in agrarisch gebied. 

14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/11/2019

Wat als het beroep tegen een omgevingsvergunning enkel geldgewin beoogt?

In een heel interessant arrest van het hof van beroep te Antwerpen wordt de vordering tot betaling van een bemiddelingsvergoeding, met name voor het bereiken van een financieel zwaarwegende  'dading' tussen de vergunningsaanvrager van een retailcomplex en een nabuur die de Raad voor Vergunningsbetwistingen had gevat, verworpen omdat er sprake is van misbruik van beroepsrecht:

De bedoeling van de beroepsprocedure tegen de vergunning was niet dat de vergunning zou ingetrokken worden en had derhalve geen stedenbouwkundige finaliteit. De beroepsprocedure had daarentegen louter een financieel doel waarbij  [vennootschap S.] enkel optrad om de verschillende hoedanigheden van de heer B., meerbepaald de werkelijke initiatiefnemer van de beroepsprocedure en nadien tevens bemiddelaar waarbij hij daadwerkelijk aan zichzelf een rijkelijke vergoeding toekende en de woning verkocht werd aan een niet-marktconforme prijs en tevens onderhandelings- en procedurekosten betaald werden, te verbergen zodat er sprake is van misbruik van het beroepsrecht.

(…)

De doorslaggevende reden van de beroepsprocedure was derhalve om ‘de bemiddelaar’ te verrijken, onder andere door de onredelijk hoge bemiddelingsvergoeding die in werkelijkheid aan ‘de bemiddelaar’ zou moeten betaald worden, hetgeen ingaat tegen de openbare orde en de goede zeden, te meer daar ‘de bemiddelaar’, een ‘voormalig’ gemeenteraadslid is, die persoonlijk failliet is verklaard en geen bemiddelaar is. Vooraleer ‘de ontwikkelaar’ overging tot uitvoering van de kaderovereenkomst, heeft zij reeds bij een gerechtsdeurwaarder verklaard dat zij onder druk gezet werd, dat zij meende het slachtoffer te zijn van chantage en enkel meewerkte om de stedenbouwkundige vergunning veilig te stellen. (…) heeft duidelijk ongeoorloofd gehandeld.

Gelet op het voorgaande dient de bemiddelingsovereenkomst te worden nietig verklaard. Het hof dient immers geen verbintenissen te honoreren die voortvloeien uit een overeenkomst die strijdig is met de openbare orde'.

Referentie: Antwerpen, 22 oktober 2019, nr. 2019/9489 (ng) – PUB507121-3.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2019

(Stedenbouwkundige) Herstelvordering door het Openbaar Ministerie

Sinds 1 maart 2018 heeft het openbaar ministerie als bevoegde overheid de mogelijkheid om een stedenbouwkundige herstelvordering in te stellen, ook als hersteleisende overheden als de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester in naam van de gemeente zelf geen herstelvordering hebben ingesteld.

In een zaak onderworpen aan het hof van beroep te Gent kwam de decreetswijziging tot stand lopende de beroepsprocedure.

Het hof van beroep is in een arrest van 25 januari 2019 soepel voor wat betreft de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolgberoep geen specifieke beroepsgrief heeft geformuleerd:

‘De herstelvordering die wordt ingesteld door een bevoegde overheid, in casu het Openbaar Ministerie, behoort tot de strafvordering in de ruime zin, maar is niettemin als een bijzondere vorm van teruggave een maatregel van burgerlijke aard. Aldus was de herstelvordering begrepen in de grief ‘vervolgberoep’ en behoort de herstelvordering die het Openbaar Ministerie voor het hof instelde tot de Saisine van het hof’.

Opmerkelijk is dit initiatief van het hof van beroep:

‘Het Openbaar Ministerie heeft geen vordering tot verbeuring van een dwangsom ingesteld, voor het geval de herstelmaatregel niet vrijwillig zou worden uitgevoerd. Het hof kan dit niet ambtshalve voorzien, doch slechts op vordering van c.q. het Openbaar Ministerie.

Overeenkomstig artikel 6.3.4. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt het hof dat als de bevolen bouw- of aanpassingswerken niet binnen de hierna gestelde termijn worden uitgevoerd, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde beklaagden’.

Referentie: Gent (10e kamer), 25 januari 2019, nr. C/111/2019 (PUB508251).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/10/2019

Publius zoekt versterking!

Op dinsdag 12 november 2019 zal Publius aanwezig zijn op de jobbeurs van het VRG Gent en de Faculteit Rechtsgeleerdheid. Publius gaat ook dit jaar op zoek naar rechtenstudenten met een uitgesproken interesse voor het publiek en administratief recht.

Op zoek naar een zomerstage of een baliestage? Kom dan zeker bij ons langs!

Blog Publius Nieuws
Tags Jobs
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags