12/08/2011

Kritische ontvankelijkheidsvereiste voor beroep bij deputatie uitgeklaard!

Er heerste al enige tijd wat onduidelijkheid over de exacte lezing van artikel 4.7.21, §4 VCRO.

Dit artikel schrijft als ontvankelijkheidsvereiste bij het indienen van een beroep bij de deputatie voor dat de indiener van het beroep, het beroepschrift gelijktijdig dient te bezorgen aan de aanvrager van de vergunning en aan het college van burgemeester en schepenen (in zoverre zij niet zelf de indiener van het beroep zijn). Hiervan dient het bewijs te worden geleverd aan de deputatie.

Vraag was nu echter, wanneer diende dit te gebeuren en is de notie gelijktijdigheid ook van toepassing op het verzenden van bewijs?

In de praktijk werd hierop geanticipeerd door dit bewijs daadwerkelijk gelijktijdig te versturen. Bij het aanbieden van het beroepschrift bij de post werd gevraagd een kopie te nemen van het verzendbewijs en deze werd dan alsnog toegevoegd in de stukkenbundel van het beroepschrift gericht aan de deputatie.

Tot voor kort....

Medio juli liet bpost weten dat er geen kopies meer worden genomen voor klanten.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt er een pragmatische visie op na en verwoordt het in zijn arrest nummer A/2011/0106 van 19 juli 2011 als volgt:

"De Raad stelt in de tweede plaats vast dat artikel 4.7.21, §4 VCRO uitdrukkelijk stelt dat een afschrift van het beroepschrift gelijktijdig moet worden bezorgd aan het college. De verplichting van de gelijktijdigheid geldt evenwel niet voor het bewijs, dat aan de deputatie moet worden bezorgd, dat een afschrift van het beroepschrift per beveiligde zending gelijktijdig is verzonden aan het college."

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/08/2011

Nieuwe bouwaanvraag houdt geen verzaking in van de voor de Raad van State aangevochten stedenbouwkundige vergunning

In een opmerkelijk arrest nr. 211.933 van 11 maart 2011 weerlegt de Raad van State als volgt de exceptie van tussenkomende partij “dat de verzoekende partij door op 29 september 2009 een nieuwe vergunningsaanvraag in te dienen, verzaakt heeft aan de vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid en bijgevolg haar belang bij het voorliggende beroep verloren heeft”.

De Raad van State antwoordt kurkdroog:

“Er dient te worden vastgesteld dat het enkele feit dat de verzoekende partij, hangende het huidige geding bij de Raad van State soortgelijke of identieke vragen heeft ingediend, niet beschouwd kan worden als een verzaking aan de bouwaanvrager die in laatste instantie geleid heeft tot het bestreden besluit.
De exceptie wordt verworpen.”

Aldus bevestigt de Xe kamer van de Raad van State eerdere rechtspraak, o.m. het arrest nr. 191.153 van 9 maart 2009 (zie ons eerder blogbericht van 24 oktober 2010). Er is echter andersluidende rechtspraak van de VIIe kamer (nr. 197.711 van 12 november 2009)....

Kent één van onze lezers rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in dit verband?

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
11/08/2011

Voor weekendverblijven is een met grind aangelegde weg voldoende

De deputatie van de provincie Antwerpen werd geconfronteerd met de vraag wanneer er sprake is van een voldoende uitgeruste weg in de zin van artikel 4.3.5 §2 VCRO als de aanvraag betrekking heeft op een weekendverblijf gelegen in een recreatiegebied en verblijfsrecreatiegebied.

De deputatie willigde het beroep van de aanvrager op 28 juli 2011 in op grond van volgende argumentatie:

“Voor wat betreft de ligging aan een minimaal uitgeruste weg wordt het standpunt van de beroeper bijgetreden dat de met grind aangelegde weg voldoende is om weekendverblijven te ontsluiten. Immers weekendverblijven kennen een lagere verkeersdynamiek dan een straat in een dorpskern. De grind / steenslag verharding van de weg kan in de optiek van tijdelijke verblijven als voldoende duurzaam worden aanschouwd. De weg is uitgerust met elektriciteitsnet. Het perceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste weg conform artikel 4.3.5 §2.”

Referentie : Dep. Antwerpen, 28 juli 2011, NG (pub502449)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Weekendverblijven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/08/2011

Wat bij lacunes in een bouwdossier?

De Raad van State oordeelde in een recent arrest van 30 juni 2011 dat onjuistheden en lacunes in een bouwdossier slechts tot de vernietiging van een stedenbouwkundige vergunning aanleiding kunnen geven, indien zij enerzijds van die aard zijn dat zij de vergunningverlenende overheid hebben misleid en haar hebben verhinderd met kennis van zaken te beslissen en indien zij anderzijds beslissend zijn geweest voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning.

Hiermee geeft de Raad van State aan dat niet elke dubbelzinnigheid in een bouwdossier automatisch aanleiding kan geven tot de vernietiging van de later verkregen stedenbouwkundige vergunning.

RvS, nr. 214.325, 30 juni 2011

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/08/2011

Het (nog) niet voorhanden zijn van milieuvergunning is geen geldige weigeringsgrond voor de weigering tot afgifte van stedenbouwkundige vergunning

De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde terecht bij arrest van 28 juni 2011 (nummer A/2011/0093) dat een stedenbouwkundige vergunning niet kan worden geweigerd om de loutere reden dat geen milieuvergunning werd afgeleverd.



In dat verband is het misschien nuttig te wijzen op de koppelingsregeling die bestaat tussen stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen. Voor de inrichtingen waarbij zowel een stedenbouwkundige vergunning als milieuvergunning noodzakelijk is, kan men in principe pas beginnen bouwen of exploiteren zodra beide vergunningen defintief verkregen zijn (de zgn. koppelingsregeling).



De stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning vereist is, wordt overeenkomstig artikel 4.5.1 § 2 VCRO geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend. De milieuvergunning is overeenkomstig artikel 5§1 Milieuvergunningsdecreet "definitief verleend" zodra de termijn voor het indienen van een administratief beroep verstrijkt of zodra de milieuvergunning wordt verleend door de vergunningverlenende overheid in (administratief) beroep. De stedenbouwkundige vergunning vervalt van rechtswege indien het administratief beroep niet wordt ingewilligd of de termijn voor het indienen van een administratief beroep tegen de weigering van de milieuvergunning in eerste aanleg verstrijkt.



Ook de milieuvergunning wordt geschorst zolang de stedenbouwkundie vergunning niet definitief wordt verleend en vervalt van rechtswege indien de stedenbouwkundige vergunning na een administratief beroep niet wordt verleend of indien de termijn voor het indienen van dergerlijk administratief beroep tegen de weigering van de stedenbouwkundige vergunning in eerste aanleg verstrijkt.



Zodra de procedure voor het adminsitratief beroep zodoende wordt afgerond, of niet wordt ingesteld, kunnen zowel de stedenbouwkundige vergunning als de milieuvergunning als "definitief" worden beschouwd.



Bovenstaande koppelingsregeling houdt evenwel niet in dat een stedenbouwkundige vergunning kan worden geweigerd omwille van het loutere feit dat (nog) geen milieuvergunning is afgeleverd. Het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is als volgt gemotiveerd:



"De Raad dient, samen met de verzoekende partij, vast te stellen dat het determinerende weigeringsmotief van de bestreden beslissing het nog niet voorhanden zijn van een milieuvergunning is.



De verwerende partij is van mening dat het geen zin heeft om de stedenbouwkundige vergunning af te leveren nu de milieuvergunning werd geweigerd en er momenteel nog een beroep hangende is bij de minister.



De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) en het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 zijn twee afzonderlijke wetgevingen met elk hun eigen finaliteit. Tengevolge van artikel 4.5.1 VCRO en artikel 5, §1 van het Milieuvergunningsdecreet zijn de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning wel gekoppeld. De koppeling tussen beide vergunningen betekent dat de stedenbouwkundige vergunning wordt geschorst en dus niet uitvoerbaar is zolang de milieuvergunning niet is verleend. Omgekeerd mag de milieuvergunning niet worden benut zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is toegekend. Indien de milieuvergunning wordt geweigerd, vervalt van rechtswege de stedenbouwkundige vergunning op de dag van de weigering van de milieuvergunning in laatste administratieve aanleg, en vice versa.

De koppeling, zoals voorzien in artikel 4.5.1 VCRO en artikel 5, §1 Milieuvergunningsdecreet heeft echter niet tot gevolg dat de vergunningverlenende overheid een vergunning moet weigeren omdat de andere vergunning nog niet is toegekend.



De verwerende partij heeft de stedenbouwkundige vergunning geweigerd omdat er nog geen milieuvergunning is. De bestreden beslissing schendt de materiële motiveringsplicht nu zij als determinerend weigeringsmotief verwijst naar de milieuvergunning. Noch de VCRO noch het Milieuvergunningsdecreet voorzien dergelijke weigering. De motivering van de bestreden beslissing faalt dan ook naar recht.



Artikel 39 §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) stelt dat, in afwijking van artikel 5 (niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse, exploiteren) de exploitatie die het voorwerp uitmaakt van een tijdig ingediende vergunningsaanvraag mag worden voortgezet tot wanneer er een definitieve beslissing is genomen. Dit artikel doorbreekt echter niet de koppeling tussen artikel 4.5.1 VCRO en artikel 5, §1 Milieuvergunningsdecreet. De stedenbouwkundige vergunning zou – indien deze zou worden verleend – geschorst blijven tot wanneer er definitief over de milieuvergunningsaanvraag wordt beslist.



De Raad stelt vast dat de verwerende partij geen andere motieven aanhaalt dan enkel het wachten op de behandeling van de milieuvergunningsaanvraag in graad van administratief beroep. De verwerende partij heeft de stedenbouwkundige aanvraag niet zelf aan een beoordeling onderworpen.

De Raad is dan ook van oordeel dat de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt door de stedenbouwkundige aanvraag niet in haar volledigheid te onderzoeken, meer bepaald aangezien niet wordt aangetoond dat het aangevraagde niet in overeenstemming zou zijn met de goede ruimtelijke ordening en verenigbaar zou zijn met de ter plaatse bestaande aanleg.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond."

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags