01/08/2011

Milieuvergunning niet meer in tijd beperkt

De Vlaamse regering heeft het principe goedgekeurd dat een milieuvergunning kan worden verleend die niet beperkt is in de tijd. Dit blijkt uit een mededeling van de minister van leefmilieu, natuur en cultuur.

De mogelijkheid om een permanente milieuvergunning te verlenen drong zich op nadat de Vlaamse regering besliste tot de invoering van een omgevingsvergunning, die de stedenbouwkundige verugnning en milieuvergunning combineert. In ons eerder blogartikel hierover wezen wij reeds op de noodzaak om de permanente stedenbouwkundige vergunning en de tijdelijke (maximum 20 jaar) milieuvergunning met elkaar te verzoenen.

De vergunningverlenende overheid kan de milieuvergunning voor een onbepaalde termijn verlenen, maar de inrichting zal onderworpen worden aan periodieke controles.

Een ontwerp van decreet inzake omgevingsvergunning en de permanenten milieuvergunning wordt verwacht tegen december 2011.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Milieuvergunning, Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/07/2011

De stedenbouwkundig inspecteur is geen burgerlijk partij

In een arrest van 24 mei 2011 verbrak het Hof van Cassatie een arrest van het hof van beroep te Brussel omdat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur ten onrechte werd gelijkgesteld aan een burgerlijke partij voor de betaling van de rechtsplegingsvergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding is een door de wetgever vastgestelde forfaitaire vergoeding voor de advocatenkosten die moet worden betaald aan de in het gelijk gestelde partij. In strafzaken wordt deze geregeld door artikel 162bis Wetboek Strafvordering. Wanneer een beklaagde niet wordt veroordeeld, dient de burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de beklaagde. Het Hof van Cassatie oordeeld dat dit niet geldt voor herstelvorderingen ingesteld door de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur:

"Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering beperkt de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken tot de verhoudingen tussen eensdeels de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, anderdeels de burgerlijke partij.

De herstelmaatregel beoogt niet zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad.
Het optreden van de stedenbouwkundig inspecteur, die een wettelijke opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, kan niet worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering.

De appelrechters, na de herstelvordering van de eisers ongegrond te hebben verklaard, veroordelen hen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoofde van iedere verweerder. Zodoende schenden zij voormelde wetsbepalingen."

Volgens deze zienswijze lijkt het omgekeerde eveneens het geval: de burger die in het kader van een herstelvordering wordt veroordeeld is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de stedenbouwkundig inspecteur.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Gerechtskosten, Handhaving stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/07/2011

Vlaanderen zet eerste stap naar unieke omgevingsvergunning

Op 22 juli 2011 keurde de Vlaamse regering een startnota goed "die de principes vastlegt voor de omgevingsvergunning. Dit is een eerste stap naar de langverwachte unieke vergunning, het samensmelten van de stedenbouwkundige en de milieuvergunning. De omgevingsvergunning geeft verder uitvoering aan de conceptnota ‘Versnellen van investeringen’."

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziet reeds in een summiere vorm van 'eenheidsprocedure' door een uniek loket in te stellen voor de milieu- en stedenbouwkundige vergunning. Dit is echter een facultatief 'uniek loket'. Eenmaal de vergunningsaanvraag is ingediend worden de respectievelijke procedures grotendeels apart doorlopen. Van het huidige uniek loket kan enkel gebruik gemaakt worden indien dezelfde overheid bevoegd is voor het afleveren van de milieu- en stedenbouwkundige vergunning.

De Vlaamse regering gaat nu voor een verregaandere integratie. Er is sprake van één loket, één openbaar onderzoek, één adviesronde en één vergunning die wordt afgeleverd door één bevoegd niveau.
Er wordt een omgevingsvergunningscommissie opgericht die alle bevoegde administratief samenbrengt en een "syntheseadvies zonder tegenstrijdigheden" moet maken.
De bevoegde overheid wordt bepaald door de "omgavng, mogelijke effecten, aard en ligging" van het project. De gemeenten zullen bevoegd zijn voor het gros van de aanvragen. Projecten met een grote milieu-impact (MER-plichtig, SEVESO-inrichting, ...) worden vergund door de provincies of door de ontvoogde gemeenten. Strategische projecten worden vergund door het gewest. De Vlaamse Regering zal een lijst opmaken van projecten die een bovenlokale afweging vergen.

Daarnaast keurde de Vlaamse regering enkele principes over de integratie van de MER en de versnelling van investeringsprojecten goed.

De goedgekeurde nota zal verder worden uitgewerkt met onder andere VVSG. Tegen het einde van 2011 moet het ontwerp van decreet klaar zijn. Belangrijke vragen zijn bijvoorbeeld hoe het tijdelijke karakter van de milieuvergunning zal worden verzoend met de niet in tijd beperkte stedenbouwkundige vergunning.

Referentie:

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/07/2011

Nieuwe beroepstermijn voor Raad voor Vergunningsbetwistingen

In een arrest van 27 januari 2011 (8/2011) heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over het vernietigingsberoep dat ingestld werd tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid. Dit decreet voerde de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke ordening in. Het Grondwettelijk Hof vernietigde de termijnregeling om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Deze termijn bedroeg 30 dagen en ging in beginsel in vanaf de aanplakking. Volgens het Hof verhinderde een dergelijke termijn het recht op toegang tot de rechter. De decreetgever kreeg tot 31 juli 2011 de tijd om aan deze ongrondwettigheid te remediëren.

Met artikel 5 van het Decreet van 8 juli 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kwam het Vlaams Parlement aan deze verplichting toe. De nieuwe beroepstermijn bedraagt nu 45 dagen en is van toepassing voor alle beslissingen die worden genomen na datum van de inwerkingtreding van het decreet (BS 15 juli 2011 + 10 dagen).

Opmerkelijk is dat de decreetgever de wachttermijn niet heeft aangepast. Een voorbeeld. Artikel 4.7.25, §5 VCRO stelt nog steeds:

"§5. Van een vergunning, afgegeven door de deputatie, mag gebruik worden gemaakt vanaf de zesendertigste dag na de dag van aanplakking. Hetzelfde geldt voor de vergunning, afgegeven door het college van burgemeester en schepenen, waartegen het beroep door de deputatie stilzwijgend is afgewezen".

Dit blijkt, zowaar, geen vergetelheid te zijn (arl. St. Vl. P 2010-2011, nr. 1171/1, p. 11)

"De Raad van State merkt op dat de wachttermijn die momenteel buiten de beroepstermijn verstrijkt, door de verlenging van de beroepstermijn, binnen de nieuwe beroepstermijn verstrijkt. Gelet op de nadelige gevolgen hiervan voor de betrokken partijen, vraagt de Raad om na te gaan of de voormelde wachttermijn niet eveneens dient te worden uitgebreid.
Het verlengen van de wachttermijn wordt echter niet wenselijk geacht. Indien men deze wachttermijn in evenredigheid met de uitbreiding van de termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou uitbreiden, zou deze wachttermijn
op vijftig dagen moeten worden gebracht. Het is niet wenselijk elke vergunninghouder, nahet doorlopen van de volledige vergunningsprocedure, nog eens dergelijke lange termijn verplichtend op te leggen, vooraleer van de vergunning gebruik kan worden gemaakt.
De bestaande wachttermijn van 35 dagen biedt voldoende rechtsbescherming voor belanghebbende derden. Aangezien de werken slechts een aanvang mogen nemen na 36 dagen, is het immers weinig waarschijnlijk dat de werken reeds een substantiële aanvang zouden hebben genomen vooraleer de vergunninghouder in kennis werd gesteld van een eventueel beroep.

Bovendien zou ook een verlenging van de wachttermijn op zichzelf genomen geen sluitende rechtsbescherming aan belanghebbende derden bieden, vermits een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet schorsend werkt en de vergunninghouder dus toch de werken kan aanvatten ook al werd een dergelijk beroep ingesteld.

Indien de vergunninghouder dit wenselijk acht en ter zake geen enkel risico wenst te lopen, kan deze er uiteraard wel vrijwillig voor opteren om een langere wachttermijn in acht te nemen".

Het is zeker bij een sloopvergunning aangewezen niet te wachten op de laatste dag om beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in te dienen...

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags