11/08/2011

Voor weekendverblijven is een met grind aangelegde weg voldoende

De deputatie van de provincie Antwerpen werd geconfronteerd met de vraag wanneer er sprake is van een voldoende uitgeruste weg in de zin van artikel 4.3.5 §2 VCRO als de aanvraag betrekking heeft op een weekendverblijf gelegen in een recreatiegebied en verblijfsrecreatiegebied.

De deputatie willigde het beroep van de aanvrager op 28 juli 2011 in op grond van volgende argumentatie:

“Voor wat betreft de ligging aan een minimaal uitgeruste weg wordt het standpunt van de beroeper bijgetreden dat de met grind aangelegde weg voldoende is om weekendverblijven te ontsluiten. Immers weekendverblijven kennen een lagere verkeersdynamiek dan een straat in een dorpskern. De grind / steenslag verharding van de weg kan in de optiek van tijdelijke verblijven als voldoende duurzaam worden aanschouwd. De weg is uitgerust met elektriciteitsnet. Het perceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste weg conform artikel 4.3.5 §2.”

Referentie : Dep. Antwerpen, 28 juli 2011, NG (pub502449)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Weekendverblijven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/08/2011

Wat bij lacunes in een bouwdossier?

De Raad van State oordeelde in een recent arrest van 30 juni 2011 dat onjuistheden en lacunes in een bouwdossier slechts tot de vernietiging van een stedenbouwkundige vergunning aanleiding kunnen geven, indien zij enerzijds van die aard zijn dat zij de vergunningverlenende overheid hebben misleid en haar hebben verhinderd met kennis van zaken te beslissen en indien zij anderzijds beslissend zijn geweest voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning.

Hiermee geeft de Raad van State aan dat niet elke dubbelzinnigheid in een bouwdossier automatisch aanleiding kan geven tot de vernietiging van de later verkregen stedenbouwkundige vergunning.

RvS, nr. 214.325, 30 juni 2011

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/08/2011

Het (nog) niet voorhanden zijn van milieuvergunning is geen geldige weigeringsgrond voor de weigering tot afgifte van stedenbouwkundige vergunning

De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde terecht bij arrest van 28 juni 2011 (nummer A/2011/0093) dat een stedenbouwkundige vergunning niet kan worden geweigerd om de loutere reden dat geen milieuvergunning werd afgeleverd.



In dat verband is het misschien nuttig te wijzen op de koppelingsregeling die bestaat tussen stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen. Voor de inrichtingen waarbij zowel een stedenbouwkundige vergunning als milieuvergunning noodzakelijk is, kan men in principe pas beginnen bouwen of exploiteren zodra beide vergunningen defintief verkregen zijn (de zgn. koppelingsregeling).



De stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning vereist is, wordt overeenkomstig artikel 4.5.1 § 2 VCRO geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend. De milieuvergunning is overeenkomstig artikel 5§1 Milieuvergunningsdecreet "definitief verleend" zodra de termijn voor het indienen van een administratief beroep verstrijkt of zodra de milieuvergunning wordt verleend door de vergunningverlenende overheid in (administratief) beroep. De stedenbouwkundige vergunning vervalt van rechtswege indien het administratief beroep niet wordt ingewilligd of de termijn voor het indienen van een administratief beroep tegen de weigering van de milieuvergunning in eerste aanleg verstrijkt.



Ook de milieuvergunning wordt geschorst zolang de stedenbouwkundie vergunning niet definitief wordt verleend en vervalt van rechtswege indien de stedenbouwkundige vergunning na een administratief beroep niet wordt verleend of indien de termijn voor het indienen van dergerlijk administratief beroep tegen de weigering van de stedenbouwkundige vergunning in eerste aanleg verstrijkt.



Zodra de procedure voor het adminsitratief beroep zodoende wordt afgerond, of niet wordt ingesteld, kunnen zowel de stedenbouwkundige vergunning als de milieuvergunning als "definitief" worden beschouwd.



Bovenstaande koppelingsregeling houdt evenwel niet in dat een stedenbouwkundige vergunning kan worden geweigerd omwille van het loutere feit dat (nog) geen milieuvergunning is afgeleverd. Het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is als volgt gemotiveerd:



"De Raad dient, samen met de verzoekende partij, vast te stellen dat het determinerende weigeringsmotief van de bestreden beslissing het nog niet voorhanden zijn van een milieuvergunning is.



De verwerende partij is van mening dat het geen zin heeft om de stedenbouwkundige vergunning af te leveren nu de milieuvergunning werd geweigerd en er momenteel nog een beroep hangende is bij de minister.



De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) en het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 zijn twee afzonderlijke wetgevingen met elk hun eigen finaliteit. Tengevolge van artikel 4.5.1 VCRO en artikel 5, §1 van het Milieuvergunningsdecreet zijn de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning wel gekoppeld. De koppeling tussen beide vergunningen betekent dat de stedenbouwkundige vergunning wordt geschorst en dus niet uitvoerbaar is zolang de milieuvergunning niet is verleend. Omgekeerd mag de milieuvergunning niet worden benut zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is toegekend. Indien de milieuvergunning wordt geweigerd, vervalt van rechtswege de stedenbouwkundige vergunning op de dag van de weigering van de milieuvergunning in laatste administratieve aanleg, en vice versa.

De koppeling, zoals voorzien in artikel 4.5.1 VCRO en artikel 5, §1 Milieuvergunningsdecreet heeft echter niet tot gevolg dat de vergunningverlenende overheid een vergunning moet weigeren omdat de andere vergunning nog niet is toegekend.



De verwerende partij heeft de stedenbouwkundige vergunning geweigerd omdat er nog geen milieuvergunning is. De bestreden beslissing schendt de materiële motiveringsplicht nu zij als determinerend weigeringsmotief verwijst naar de milieuvergunning. Noch de VCRO noch het Milieuvergunningsdecreet voorzien dergelijke weigering. De motivering van de bestreden beslissing faalt dan ook naar recht.



Artikel 39 §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) stelt dat, in afwijking van artikel 5 (niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse, exploiteren) de exploitatie die het voorwerp uitmaakt van een tijdig ingediende vergunningsaanvraag mag worden voortgezet tot wanneer er een definitieve beslissing is genomen. Dit artikel doorbreekt echter niet de koppeling tussen artikel 4.5.1 VCRO en artikel 5, §1 Milieuvergunningsdecreet. De stedenbouwkundige vergunning zou – indien deze zou worden verleend – geschorst blijven tot wanneer er definitief over de milieuvergunningsaanvraag wordt beslist.



De Raad stelt vast dat de verwerende partij geen andere motieven aanhaalt dan enkel het wachten op de behandeling van de milieuvergunningsaanvraag in graad van administratief beroep. De verwerende partij heeft de stedenbouwkundige aanvraag niet zelf aan een beoordeling onderworpen.

De Raad is dan ook van oordeel dat de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt door de stedenbouwkundige aanvraag niet in haar volledigheid te onderzoeken, meer bepaald aangezien niet wordt aangetoond dat het aangevraagde niet in overeenstemming zou zijn met de goede ruimtelijke ordening en verenigbaar zou zijn met de ter plaatse bestaande aanleg.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond."

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/08/2011

Nieuwe beroepstermijn bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen

Ingevolge artikel 4.8.16 § 2 VCRO moest een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van 30 dagen.


Deze termijn wordt nu met het nieuwe wijzigingsdecreet op 45 dagen gebracht.


De reden van deze verlenging is te zoeken in een arrest van het Grondwettelijk Hof (nr. 8/2011 van 27 januari 2011), waarin deze termijn van 30 dagen te kort werd bevonden.
Ter vergelijking: de termijn om bij de Raad van State een beroep in te stellen is 60 dagen.
Het Hof drong er dan ook op aan dat de wetgever dit euvel zou verhelpen, hetgeen met het decreet van 8 juli 2011 een feit is.


De nieuwe regeling treedt in werking op 25 juli 2011.


Andere wijzigingen handelen over de procedure voor de behandeling van aanvragen tot planologische attesten, de bevoegdheid voor het verlenen van een onteigeningsmachtiging en de mogelijkheid om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften in functie van milieuvergunningen.
Voor meer informatie klik hier.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/08/2011

Strenge rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen inzake belang wordt bevestigd

De strenge rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt bevestigd. De Raad verwerpt in een arrest nr. S/2011/0079 van 19 juli 2011, de vordering van een concurrerende winkelexploitant tegen de stedenbouwkundige vergunning voor een nieuw supermarktgebouw als volgt:

Om als derde belanghebbenden bij de Raad een beroep te kunnen instellen, vereist artikel 4.8.16, §1, eerste lid 3° VCRO dat de verzoekende partijen, als natuurlijke personen of als rechtspersonen, rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kunnen ondervinden ingevolge de bestreden vergunningsbeslissing.

Artikel 4.8.16, §1, eerste lid, 3° VCRO vereist derhalve niet dat het bestaan van deze hinder of nadelen absoluut zeker is. Wel zullen de verzoekende partijen het mogelijk bestaan van deze hinder of nadelen voldoende waarschijnlijk moeten maken, de aard en de omvang ervan voldoende concreet moeten omschrijven en tegelijk zullen de verzoekende partijen dienen aan te tonen dat er een rechtstreeks of onrechtstreeks causaal verband kan bestaan tussen de uitvoering of de realisatie van de vergunningsbeslissing en de hinder of nadelen die zij ondervinden of zullen ondervinden.

In voorkomend geval zullen de verzoekende partijen beschikken over het rechtens vereiste belang om conform artikel 4.8.16 §1, eerste lid, 3° VCRO een beroep in te dienen bij de Raad.

De Raad is van oordeel dat het loutere nabuurschap, dan wel de beschikking over zakelijke of persoonlijke rechten met betrekking tot aanpalende en alsnog onbebouwde percelen, op zich niet zonder meer kan volstaan om de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang bij het voorliggende beroep te verschaffen.

De Raad stelt vooreerst vast dat de verzoekende partijen nalaten aan te tonen hoe de ligging van hun perceel zich verhoudt met het geplande project, en op welke wijze zij bijgevolg op basis daarvan eventuele hinder zouden kunnen ondervinden bij de uitvoering van de bestreden beslissing.

Daarnaast duiden de verzoekende partijen in het onderdeel “Moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, zij het in uiterst rudimentaire bewoordingen, enerzijds wel aan welke grieven zij koesteren ten aanzien van de bestreden beslissing, toch anderzijds stelt de Raad vast dat de verzoekende partijen nalaten een persoonlijk geïndividualiseerd verband aan te tonen tussen het vermeend nadeel dat zij lijden en de bestreden beslissing. Eveneens stelt de Raad vast dat er geen voldoende concrete omschrijving wordt gegeven van de aard en de omvang van het vermeend te lijden persoonlijk nadeel.

In het licht hiervan merkt de Raad op dat enkel het inleidend verzoekschrift, al dan niet na regularisatie conform artikel 4.8.17, §2 VCRO, in aanmerking kan genomen worden als principieel uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep, en dus ook voor het belang van de verzoekende partijen. De Raad kan bijgevolg geen rekening houden met latere bijsturingen, aanpassingen of uitbreidingen van het belang zoals mondeling toegelicht ter zitting, wanneer dient vastgesteld te worden dat deze reeds in het inleidend verzoekschrift hadden kunnen verwoord worden.

Het belang dat de verzoekende partijen inroepen valt samen met het belang van een groep personen, namelijk deze van de handelszaken gelegen in het centrum, en kan dus niet als een persoonlijk belang worden aangemerkt.
De verzoekende partijen kunnen als enkelingen niet in naam van de hele handelskern of de buurtgemeenschap optreden.
Het feit dat zij een kruidenierszaak uitbaten in deze handelskern doet aan voormelde vaststelling geen afbreuk. Zij tonen in verband met hun kruidenierszaak geen enkel geïndividualiseerd verband aan tussen enig vermeend persoonlijk nadeel en de bestreden beslissing.

Bij gebrek aan een voldoende geïndividualiseerd persoonlijk belang en een voldoende concreet omschreven persoonlijk nadeel kan de Raad het belang van de verzoekende partijen bij de voorliggende procedure, en dus al evenmin het al dan niet geoorloofd en wettig karakter ervan, niet onderzoeken zodat noodzakelijk de onontvankelijkheid van het beroep dient vastgesteld te worden.

De exceptie dient aanvaard te worden.”

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags