09/01/2017

Kaart met van archeologienota vrijgestelde gebieden uitgebreid

Op 5 januari 2017 werd de kaart met gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt - en waarvoor derhalve geen archeologienota dient te worden opgemaakt - uitgebreid.

Bij het aanvragen van een verkavelingsvergunning of stedenbouwkundige vergunning een in een gebied waar geen archeologische erfgoed te verwachten valt, dient geen archeologienota bij de vergunningsaanvraag gevoegd worden.

Door de uitbreiding van deze gebieden wordt het aantal vrijgestelde zones van 2519 naar 3636 zones uitgebreid. De oppervlakte van de gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, stijgt daarmee van 1,55% van het totale oppervlak van Vlaanderen naar 1,78%.
Wij gaan er evenwel van uit dat deze uitbreiding niet de laatste was en in de toekomst bijkomende zones zullen vastgesteld worden. 

De uitgebreide kaart via het geoportaal
Meer informatie over de gevallen waarin wel een archeologienota vereist is, vindt u hier.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Leandra Decuyper, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/12/2016

Vanaf 1 januari 2017 wordt de advisering van het Agentschap Onroerend Erfgoed ingeperkt (o.m. geïnventariseerde constructies)

Op de webiste van het Agentschap onroerend Erfgoed wordt volgende toelichting gegeven:

Over het schrappen van het advies van het agentschap Onroerend Erfgoed over onroerend erfgoed opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed en de vastgestelde inventaris houtige beplantingen met erfgoedwaarde:
Het advies van Onroerend Erfgoed wordt vervangen door een zorg- en motiveringsplicht voor administratieve overheden bij vergunningsplichtige aanvragen voor het verwijderen van onroerend erfgoed opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed en de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde.

Over het schrappen van het advies van het agentschap Onroerend Erfgoed over aanvragen voor werken op percelen palend aan beschermde monumenten:
Het agentschap verleent niet langer advies bij vergunningsaanvragen die betrekking hebben op percelen die palen aan een beschermd monument. De vergunningsbeslissing behoort tot de gemeentelijke autonomie.

Over het schrappen van het advies van het agentschap Onroerend Erfgoed over functiewijzigingen voor zonevreemde gebouwen opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed:
Het agentschap verleent niet langer advies bij vergunningsaanvragen die gekoppeld zijn aan de (vastgestelde) inventaris en/of tot de gemeentelijke autonomie behoren. Aangezien de gemeenten vergunningverlenende overheid zijn en de erfgoedkenmerken opgenomen zijn in de inventaris, kunnen zij op dit vlak ten volle hun verantwoordelijkheid nemen. Aansluitend daarbij zal het agentschap geen gebruik meer maken van de beroepsmogelijkheid tegen de beslissing van de vergunningverlener.

Over het schrappen van de formele aanvraag en goedkeuring van de aanvraag tot opmaak van een beheersplan:
De procedure over de opmaak en goedkeuring van beheersplannen wordt vereenvoudigd. De formele aanvraag tot opmaak van een beheersplan en de goedkeuring daarvan worden geschrapt. Wanneer lokale besturen zelf een beheersplan opmaken wanneer zij zelf eigenaar of gebruiker zijn (bv. in geval van stadsen dorpsgezichten als eigenaar van het openbaar domein) of dit op vraag van eigenaars of gebruikers doen als gevolmachtigde, moeten bij de opmaak van het beheersplan in sommige gevallen volgende bijkomende gegevens aangeleverd worden: 

- een voorstel voor ZEN-erfgoed, 
- een voorstel van handelingen die vrijgesteld worden van toelating of melding, 
- als het beheersplan betrekking heeft op verschillende zakelijkrechthouders of gebruikers, een overzicht van hoe de participatie en communicatie over de opmaak van het beheersplan is verlopen. Ook moet bij de indiening van het beheersplan een aantal bijkomende bijlagen worden aangereikt opdat de indiener kan worden geïdentificeerd en in voorkomend geval een geschreven volmacht of schriftelijk akkoord kan worden voorgelegd.

Over het verplicht maken van een motivering voortbouwend op het beheersplan voor alle door een beheersplan niet-vrijgestelde toelatingsplichtige handelingen door de aanvrager:
Bij het oordelen over een vergunningsaanvraag voor handelingen aan of in beschermd onroerend erfgoed moet, als er voor het beschermd goed een beheersplan is goedgekeurd, bijkomend afgetoetst worden of de toelatingsplichtige handelingen beantwoorden aan de beheersdoelstellingen uit het goedgekeurde beheersplan. Uiteraard zal deze toets ook deel uitmaken van het verplicht in te winnen advies van het agentschap Onroerend Erfgoed. 

Over het focussen op beschermd erfgoed waardoor het toekennen van de Onroerenderfgoedprijs enkel gebeurt voor projecten m.b.t. beschermd erfgoed of erfgoedlandschappen:
Vanaf de Onroerenderfgoedprijs 2018 kunnen enkel nog projecten over beschermd erfgoed of erfgoedlandschappen deelnemen.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Erfgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/12/2016

Daar is de archeologienota 'light'

Op 1 januari wordt de zeer bekritiseerde archeologienota (vertragend, duur en vaak nutteloos) bijgestuurd.  Op de website van het Agentschap Onroerend Erfgoed kan gelezen worden:

'Op 16 december 2016 keurde de Vlaamse Regering enkele wijzigingen aan de onroerenderfgoedregelgeving en de Code van Goede Praktijk goed. Deze wijzigingen hebben vooral implicaties voor alle lokale besturen, en zeker voor de erkende onroerenderfgoedgemeenten, en erkende archeologen. Zij ontvingen van ons de nodige informatie over de wijzigingen. De belangrijkste aanpassingen zetten wij graag even op een rij.

Waarom deze wijzigingen?

Het grootste deel van de wijzigingen aan de onroerenderfgoedregelgeving vloeit voort uit de implementatie van het kerntakenplan voor Onroerend Erfgoed.

In navolging van het Regeerakkoord 2014-2019 keurde de Vlaamse Regering op 17 juli 2015 de generieke besparingen en kerntakenplannen van de Vlaamse overheid goed. Het goedgekeurde kerntakenplan van het agentschap Onroerend Erfgoed bevat een aantal beslissingen die een aanpassing van de onroerenderfgoedregelgeving en andere regelgeving vroegen. Daarnaast werden ook enkele aanpassingen van technische of financiële aard doorgevoerd.

Nu de archeologieregelgeving ruim een half jaar van toepassing is, wordt bovendien een aantal aanpassingen aan de Code van Goede Praktijk en archeologieregelgeving doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn tot stand gekomen in overleg met de Vlaamse Ondernemers in Archeologie (VONA) en komen tegemoet aan enkele bezorgdheden geuit door zowel de archeologische sector als andere sectoren.

De wijzigingen treden op 1 januari 2017 in werking.

(...)

De Code van Goede Praktijk 2.0

De introductie van de archeologienota met beperkte samenstelling. Hierdoor neemt de opmaak van een archeologienota minder tijd in beslag in bepaalde situaties waar geen archeologisch erfgoed aanwezig is, de bodemingrepen geen negatieve impact veroorzaken of een opgraving niet tot nuttige kenniswinst leidt.
De introductie van de assistent-aardkundige beperkt de inzet van de aardkundige tot situaties waarin deze expertise absoluut noodzakelijk is. Voor alle andere situaties volstaat het voortaan om een beroep te doen op een assistent-aardkundige: personen die niet noodzakelijk gediplomeerd zijn in de aardwetenschappen, maar toch over een zekere kennis inzake bodemsoorten en sedimenten beschikken.

Andere aanpassingen in functie van het archeologisch vooronderzoek

Een versnelde tweemaandelijkse vaststellingsprocedure voor de kaart met gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt. Op die manier kunnen percelen/gebieden die beantwoorden aan de criteria voor opname sneller op de kaart opgenomen worden. Percelen en gebieden opgenomen op de kaart zijn vrijgesteld van het bekomen van een archeologienota.
Er wordt toegestaan dat aan de vergunningsaanvraag een archeologische nota wordt toegevoegd die nog niet bekrachtigd is, maar wel al voor bekrachtiging is ingediend bij het agentschap. Zo hoeft een bouwheer of ontwikkelaar de termijn van 21 dagen voor bekrachtiging niet af te wachten om de vergunningsaanvraag in te dienen. De bouwheer of ontwikkelaar moet de bekrachtigde archeologienota wel indienen vóór de beoordeling van de vergunningsaanvraag door de vergunningverlenende overheid.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/12/2016

Structuurplannen en stedenbouwkundig beleid van geen tel bij planschadevorderingen

In het prejudicieel arrest nr. 164/2016 van 22 december 2016 zegt het Grondwettelijk Hof voor recht:

'Artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat bij het onderzoek of het perceel de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing, ook rekening wordt gehouden met het stedenbouwkundig beleid, zoals dat blijkt uit de structuurplannen en uit het vergunningenbeleid van het bestuur.'

Het Hof overweegt:

'B.12.1. Een ruimtelijk bestemmingsplan verleent de eigenaar geen subjectief recht op de verlening van een vergunning. De overheid mag zich uitspreken over de wijze van uitoefenen van de bouwmogelijkheden in het licht van de goede ruimtelijke ordening en van het algemeen belang.

B.12.2. Het komt de vergunningverlenende overheid evenwel niet toe om van de bindende en verordenende voorschriften van de ruimtelijke bestemmingsplannen af te wijken op grond van een recente urbanistische beleidsoptie of van een ruimtelijk structuurplan (Rvst, 24 juni 2009, nr. 194.614).

B.12.3. Aldus kan haar beleid er in beginsel niet toe leiden dat een perceel in geen enkel opzicht of onder geen enkele voorwaarde meer voor bebouwing in aanmerking kan komen, wanneer dat volgens de verordenende bestemmingsvoorschriften wel het geval is. Een wijziging van het stedenbouwkundig beleid dient, in het licht van de rechtszekerheid, in de eerste plaats tot uiting te komen in een wijziging van de bestemmingsvoorschriften.

B.12.4. Indien de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan, een algeheel bouwverbod zou rusten op een perceel ingevolge het beleid van het vergunningverlenende bestuur, terwijl dat perceel volgens de geldendebestemmingsvoorschriften op dat ogenblik wel voor bebouwing in aanmerking kwam, dan leidt het in aanmerking nemen van dat beleid als voorwaarde voor het verkrijgen van planschadevergoeding tot een onevenredige beperking van het eigendomsrecht, zoals beschermd door de in B.5.1 vermelde bepalingen, vermits afbreuk wordt gedaan aan de bindende en verordenende bestemmingsvoorschriften en aan de rechtmatige verwachtingen die de eigenaar daaraan kan ontlenen.

B.13.1. Het in aanmerking nemen van het vergunningenbeleid zou bovendien een onevenredig zware bewijslast leggen op de eigenaar, die voor de burgerlijke rechter dient aan te tonen dat zijn perceel aan de voorwaarden van artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO voldoet. Immers, zelfs indien het bestuur bij het verlenen van vergunningen bepaalde beleidslijnen hanteert die op algemene wijze kenbaar zijn, dan verhindert dit niet dat elke vergunningaanvraag in concreto moet worden beoordeeld, waarbij, mits motivering, van de algemene beleidslijnen kan worden afgeweken.

B.13.2. Uit de wordingsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de voorwaarden vermeld in artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO erop gericht zijn vast te stellen dat het perceel in kwestie objectieve bouwgrond is. De voorwaarden dat het perceel moet zijn gelegen aan een uitgeruste weg, in de nabijheid van andere bebouwing moet liggen en technisch geschikt moet zijn voor bebouwing, zijn feitelijke elementen, die de eigenaar kan aantonen en die, bij betwisting, ter plaatse kunnen worden onderzocht.

B.13.3. Het zou evenwel niet redelijk verantwoord zijn van de eigenaar die voor de burgerlijke rechter een vergoeding wegens planschade vordert het bewijs te eisen dat hij, rekening houdend met het stedenbouwkundig beleid van het bestuur, een vergunning zou hebben verkregen, in het hypothetische geval dat hij die de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan zou hebben gevraagd.

B.13.4. Het bovenstaande heeft evenwel niet tot gevolg dat steeds planschadevergoeding verschuldigd zal zijn wanneer, op basis van een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan, een perceel niet meer voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen in aanmerking komt, terwijl dat de dag voorafgaand aan de inwerking van dat plan wel het geval was. Er dient immers steeds voldaan te zijn aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO die vereisen dat het perceel objectieve bouwgrond is.

B.14. In de interpretatie dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling of een perceel stedenbouwkundig in aanmerking kwam voor bebouwing ook rekening dient te houden met het vergunningenbeleid van het bestuur zoals van toepassing op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan, schendt artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de VCRO de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.15. De prejudiciële vraag dient in die interpretatie bevestigend te worden beantwoord.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Planschade
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/12/2016

Vernietigingsprocedure stuit vervaltermijn milieuvergunning

De Dendermondse rechtbank van eerste aanleg heeft volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

'Schendt art. 28, § 1, 1°, van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 EAP bij het EVRM, in zoverre deze bepaling geen schorsing van de vervaltermijn van de milieuvergunning zou voorzien hangende het beroep bij de Raad van State, waardoor het verval van de milieuvergunning kan intreden hangende de procedure bij de Raad van State en met bijkomend de mogelijkheid dat ingevolge dit verval ook de gekoppelde stedenbouwkundige vergunning zou komen te vervallen op grond van artikel 5 van hetzelfde decreet, terwijl artikel 4.6.2 61, 3e lid [lees : artikel 4.6.2, § 1, tweede lid] VCRO voorziet dat de vervaltermijnen voor opstart van de werken op grond van een stedenbouwkundige vergunning, bepaald in het eerste lid van die bepaling, geschorst wordt zolang een beroep tot vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning aanhangig is bij de Raad voor vergunningsbetwistingen ?'.

Het Grondwettelijk Hof antwoordt in het arrest nr. 155/2016 van 8 december 2016 :

'B.3.1. In de interpretatie die de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepaling geeft, is de vervaltermijn van de milieuvergunning niet geschorst tijdens het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 233.938 van 25 februari 2016 heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, inmiddels een andersluidende interpretatie aan de in het geding zijnde bepaling gegeven. In dat arrest heeft de Raad van State geoordeeld : « 10. Artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet moet restrictief worden geïnterpreteerd. Op die wijze geïnterpreteerd kan de verplichting om de inrichting binnen een termijn van maximaal drie jaar in gebruik te nemen, enkel een aanvang nemen vanaf het ogenblik dat vaststaat dat de vergunning voor de houder ervan een zeker en definitief gegeven is. Van de vergunninghouder kan immers niet worden verwacht dat hij een precaire milieuvergunning ten uitvoer brengt, met alle risico’s van dien. Dit is het geval wanneer derden een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State waardoor de vergunning ongedaan kan worden gemaakt of zelfs kan worden ingetrokken. 11. In voorliggend geval hebben vijf van de huidige verzoekende partijen de nietigverklaring gevorderd van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 27 augustus 2009 waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning werd verleend voor het verder exploiteren en veranderen van de rundveehouderij (zaken A. 194.477/VII-37.566 en A. 194.478/VII-37.567). De exploitant is in deze procedures tussengekomen om zijn belangen te vrijwaren. Uit die vaststelling kan bezwaarlijk worden afgeleid dat hij louter door het aanwenden van een rechtsmiddel door derdenbelanghebbenden, zou hebben afgezien van de realisatie van het project. De beroepen tot nietigverklaring werden respectievelijk verworpen bij arrest nr. 217.307 van 19 januari 2012 en arrest nr. 217.682 van 2 februari 2012. Bijgevolg heeft de onzekerheid over de rechtskracht van de basisvergunning pas opgehouden te bestaan na de kennisgeving van laatstvermeld arrest aan de tussenkomende partij. Rekening houdend met dit uitgangspunt, was de termijn voor ingebruikname niet verstreken op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen ». In die interpretatie begint de vervaltermijn voor het in gebruik nemen van de inrichting waarop een milieuvergunning betrekking heeft, pas te lopen wanneer het arrest van de Raad van State waarbij de beroepen tot nietigverklaring tegen die milieuvergunning zijn verworpen, aan de vergunninghouder worden betekend.

B.4. Rekening houdend met het voorgaande, is er aanleiding om de zaak terug te zenden naar de verwijzende rechter, opdat hij in het licht van dat nieuwe gegeven oordeelt of de prejudiciële vraag nog een antwoord behoeft'.

Het Grondwettelijk Hof suggereert aan de verwijzende rechter zich te houden aan de interpretatie van de Raad van State.  Een goede verstaander begrijpt dit en het probleem is daarmee van de baan.

Tags