03/06/2014

Tweede reparatie-KB overheidsopdrachten Uitvoering

Op 30 mei 2014 werd het KB van 22 mei 2014 tot wijziging van het KB van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessie voor openbare werken gepubliceerd. Dit KB wijzigt ('repareert') de betalingsregels van het voornoemde KB.

De woorden 'aangetekend schrijven' en 'aangetekende brief' worden vervangen door de woorden 'aangetekende zending' overal in de tekst van het KB. Op die manier wordt een opening gemaakt voor de elektronische aangetekende zending waarvoor binnen afzienbare tijd het wettelijke kader zal bestaan.

Verder is er een zuiver technische correctie uitgevoerd in die zin dat er een afstemming gebeurd is van de bepalingen inzake de drempelbedragen (ter bepaling van de toepassing van de algemene uitvoeringsregels op de opdrachten die worden gesloten met een aanvaarde factuur), zowel in het KB Uitvoering als de verschillende KB's Plaatsing.


In artikel 9 § 2, eerste lid wordt verduidelijkt dat het principieel verbod tot verlenging van de betalingstermijn geldt onverminderd het bepaalde in artikel 68. Dit artikel voorziet in de schorsing van de betalingstermijn in geval van verzet tegen de betaling of van derdenbeslag ten laste van de opdrachtnemer.

In artikel 9 § 2, derde lid inzake de uitzonderlijke mogelijkheid tot verlenging van de verificatietermijn wordt nu dezelfde voorwaarde gekoppeld als voor de eveneens uitzonderlijke mogelijkheid tot verlenging van de betalingstermijn, met name dat de verlenging objectief gerechtvaardigd moet zijn door de bijzondere aard of eigenschappen van de opdracht. De afwijking zowel m.b.t. de verificatie- als de betalingstermijn moet voortaan ook op straffe van nietigheid uitdrukkelijk in het bestek gemotiveerd worden.
02/06/2014

Hogere energiestandaard en uitsluitingsgrond voor tewerkstelling van illegalen van derde landen

Op 28 mei 2014 werd de wet van 15 mei 2014 tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 en van de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsbeleid gepubliceerd.

De wijziging geeft uitvoering aan de Europese Richtlijnen 2012/27/EU en 2009/52/EG inzake energie-efficiëntie en tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.

In artikel 20 van de wet van 15 juni 2006 wordt bij wijze van een paragraaf 1 een nieuwe uitsluitingsgrond ingevoerd. Behalve om dwingende redenen van algemeen belang wordt in elk stadium van de gunningsprocedure uitgesloten van de toegang ertoe, de kandidaat of inschrijver van wie is vastgesteld dat hij als werkgever illegaal verblijvende onderdanen van derde landen heeft tewerkgesteld. Hetzelfde geldt voor de entiteit waarop de kandidaat of de inschrijver een beroep doet, wanneer de draagkracht van die entiteit bepalend is voor de selectie van de kandidaat of de inschrijver, al naargelang. De uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten geldt voor ten hoogste vijf jaar. De Koning kan uitzonderingen bepalen. Deze uitsluitingsgrond is niet van toepassing op de overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.

Er wordt ook een artikel 41/1 ingevoegd, luidens hetwelk de federale overheid en de publiekrechtelijke instellingen met een doorslaggevende overheidsinvloed enkel producten, diensten en gebouwen  met hoge energie-efficiëntieprestaties mogen verwerven. Als voorwaarde hierbij geldt dat deze verwervingen in overeenstemming zijn met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede de aanwezigheid van voldoende concurrentie. Ook het verwerven van zakelijke rechten en het huren van een gebouw valt hieronder. Voor de andere aanbestedende overheden geldt enkel een overwegingsplicht. De Koning zal de producten, diensten en gebouwen oplijsten, waarvoor deze verplichting geldt, alsmede de minimumeisen inzake energie-efficiëntieprestatie bepalen. De Koning kan eveneens de verwerving zonder hoge energie-efficiëntieprestaties onderwerpen aan een motiveringsverplichting. Voor opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied geldt de verplichting niet wanneer daardoor een conflict zou ontstaan met de aard en het hoofddoel van de strijdkrachten en voor opdrachten voor levering van militair materieel.

Op een aantal overeenkomsten die in principe volledig buiten het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering vallen, is voortaan wel (en alleen) dit nieuwe artikel 41/1 van toepassing. Het gaat om internationale overeenkomsten, overeenkomsten gesloten op basis van een alleenrecht, huur- of koopovereenkomsten m.b.t. een onroerend goed, bepaalde financiële diensten, onderzoek en ontwikkeling, arbitrage en bemiddeling en de aankoop, ontwikkeling, productie van programmamaterieel door omroeporganisaties en overeenkomsten betreffende zendtijd, technische specificaties in de opdrachtdocumenten moeten worden opgenomen.

Gepost door Sofie Logie

Blog Overheidscontracten
Tags Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS, Sofie Logie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
06/05/2014

Nuttige website inzake overheidsopdrachten

Bent u ook soms op zoek naar de oude algemene aannemingsvoorwaarden, de Europese drempelbedragen of de verwijlsinteresten inzake overheidsopdrachten?

Ziehier een nuttige website van de Vlaamse overheid waar u dit alles (geactualiseerd) en meer (zoals talrijke modellen) vindt.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/04/2014

Verbrekingsvergoeding moet ingevorderd worden door alle architecten van de feitelijke vereniging

Een gemeente werd aangesproken door één architect en zijn architectenvennootschap in betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 1789 BW en wel omdat de betrokken gemeente ten onrechte voortijdig een einde had gemaakt aan de samenwerking en een nieuwe opdracht had gegund aan een derde.

In graad van beroep wordt ingegaan op de exceptie van de gemeente:

Primordiale betwisting blijft de door stad D. al voor de eerste rechter opgeworpen niet-ontvankelijkheid van de alleen door architect H. en bvba H. bij dagvaarding dd. 16 februari 2011 gevorderde verbrekingsvergoeding, betreffende het door stad D. met architecten H. en D. gesloten ‘studiekontrakt’ dd. 22 september 1988, voor het opmaken van het ontwerp van de modernisering- en saneringswerken aan het stadhuis, omvattende: ‘opmaken voorontwerp, opmaken definitief ontwerp, opmaken van de uitvoeringsdetails, opmaken bijzonder bestek met beschrijvende opmeting, onderzoek van de aanbiedingen na aanbesteding en opmaken van het verslag hieromtrent, toezicht van de werken, opmaken van de vorderingstaten, voorlopige overname, opmaken van de afrekeningen de definitieve overname van de bouwwerken’.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat de opdracht nominatum werd toegewezen aan en dat de overeenkomst nominatum werd gesloten met de beide architecten H. en D., die beiden hebben ondertekend en gehandeld, die ook beiden werden vermeld in de voorgebrachte stukken (bv. opleveringen dd. 24 januari 1991 en 23 november 1999 – dossier / H., stukken 3) én die zelfs uitdrukkelijk beiden alle brieven hebben geschreven en ondertekend betreffende de kwestieuze door hen beiden aangeklaagde verbreking van de overeenkomst (zijnde correspondentie vanaf 1 december 2005 tot 14 augustus 2009 – dossier / H. stukken 5-16), dit tot aan de betekening-ingebrekestelling dd. 20 november 2009 en navolgende dagvaarding dd. 16 februari 2011.

Architecten H. en D. hebben ook samen n.a.v. de onderhavige door hen vermeende contractbreuk op 28 mei 2009 melding gedaan bij de provinciale raad van de Orde van architecten, provincie West-Vlaanderen en werden er samen desbetreffend door het bureau gehoord op 7 december 2009 (dossier / H., stukken 14 en 21).

Door H. en bvba H. wordt ook deze effectieve samenwerking desbetreffend tussen de 2 architecten op zich niet ontkend (zie bv. syntheseconclusie dd. 26 december 2013, p. 11, punt 6).

Deze samenwerking van de architecten H. en D. betreffende de voornoemde architecturale opdracht en de er welomschreven doelstelling maakt, bij ontstentenis van enige vennootschap- of maatschapsvorm tussen hen, een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid uit.

Alle rechten die voortspruiten uit de kwestieuze overeenkomst met deze feitelijk verenigde architecten H. en D. behoren derhalve in onverdeeldheid toe aan de onderscheiden leden-architecten H. en D.

Ook de vorderingen, inclusief de vorderingsrechten zoals betreffende de hier beoogde verbrekingsvergoeding, behoren evident aan diezelfde leden-architecten H. en D. toe in onverdeeldheid.

Gelet precies op die onverdeeldheid kunnen de individuele leden-architecten H. en D. uiteraard niet bevoegd zijn om alleen over die onverdeelde vorderingsrechten te beschikken, ook niet voor hun aandeel:
Bij ontstentenis van rechtspersoonlijkheid kunnen de individuele leden-architecten H. en D. immers hun feitelijke vereniging H. – D. en de desbetreffend bestaande onverdeeldheid niet in rechte vertegenwoordigen en moeten zij daartoe aldus samen optreden en vorderen.

Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het gebeurlijk gegeven dat door de beide architecten H. en D. voor onderscheiden prestaties afzonderlijk mocht worden gefactureerd aan stad D.

Immers, deze uitvoeringsmodaliteit staat evident los van de kwestieuze contractuele verhouding op zich en kan de daarbij vigerende feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid alsook de rechtsgevolgen daarvan onmogelijk wijzigen.

Overigens betreft de onderhavige rechtsvordering niet de gefactureerde prestaties op zich, doch wél de beweerde verbreking van de kwestieuze overeenkomst tussen de 2 feitelijk verenigde architecten H. – D. en stad D. en de op deze grond beoogde verbrekingsvergoeding, die trouwens door H. en bvba H. niet gesplitst wordt geclaimd, doch wel op basis van de totale begroting van het volledige moderniserings- en renovatieproject.

De vordering is aldus onontvankelijk.’

Ref. Pub502771, Hof van Beroep Gent 13 maart 2014, ng.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Ontwerper, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
31/03/2014

Nieuwe Europese richtlijnen gepubliceerd

De eerder aangekondigde nieuwe Europese richtlijnen inzake concessies en overheidsopdrachten zijn gepubliceerd geworden in het Publicatieblad van de Europese Unie van 28 maart 2014.

Inzake overheidsopdrachten vervangt de Richtlijn 2014/24/EU van 26 februari 2014 de Richtlijn 2004/18/EG van 31 maart 2006 in de klassieke sectoren.
De Richtlijn 2014/25/EU, eveneens van 26 februari 2014, vervangt de Richtlijn 2004/17/EG in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en post.
Klein detail m.b.t. de nummering : in de strijd tot goedkeuring heeft de richtlijn inzake de klassieke sectoren  het deze keer gehaald van de richtlijn inzake de speciale sectoren.
De Richtlijn 2014/23/EU inzake concessies is daarentegen volledig nieuw.

We berichten nog over de belangrijkste wijzigingen, die deze richtlijnen teweeg brengen.

Gepost door Sofie Logie

Blog Overheidscontracten
Tags Concessies, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS, Sofie Logie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags