03/02/2010

Gerechtsdeurwaarders kunnen slechts aangesteld worden na mededinging

De Raad van State beslist in zijn arrest nr. 196.609 van 1 oktober 2009 dat overheden verplicht zijn de overheidsopdrachtenreglementering te respecteren bij aanstelling van een gerechtsdeurwaarder.

De Raad van State maakt zich letterlijk de bewoordingen van een eerdere uistpraak van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel eigen:

"In zoverre er discussie zou kunnen bestaan over de vraag of de diensten die gerechtsdeurwaarders verlenen aan aanbestedende overheden vallen onder de ‘diensten van juridische aard’, stelt de rechtbank vast dat deze diensten minstens vallen onder de restcategorie van de ‘andere diensten’.
Hieruit volgt dat de diensten van gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn aan voormelde wet van 24 december 1993, en bijgevolg slechts door aanbestedende XII-5141-10/13 overheden mogen gegund worden na mededinging (artikel 1, § 1, van deze wet).

De omstandigheid dat de ambtstaken en de tarieven van de gerechtsdeurwaarders wettelijk zijn vastgelegd, doet hieraan geen afbreuk.
De rechtbank ziet niet in waarom de wettelijke vastlegging van de ‘ambtstaken’ van de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid tot mededinging zou uitsluiten.
Wat de wettelijke toepassing van tarieven betreft, blijkt uit niets dat de prijs bij de gunning van overheidsopdrachten een criterium moet zijn. De omstandigheid dat de prijs voor de uitvoering van een overheidsopdracht wettelijk is vastgelegd, betekent enkel dat het niet mogelijk zal zijn de opdracht te gunnen volgens de procedure van aanbesteding. Er bestaat evenwel geen bezwaar tegen de toepassing van een procedure van offerte-aanvraag of van een onderhandelingsprocedure. De wettelijke vastlegging van de ambtstaken en tarieven van de gerechtsdeskundige staat dan ook de toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten niet in de weg.
10. De eventuele omstandigheid dat de opdracht kan worden gegund zonder de naleving van de bekendmakingsregels bij de aanvang van de procedure, belet evenmin dat de voormelde wet van 24 december 1993 van toepassing is.
De gevallen waarin tot het gunnen van een overheidsopdracht kan worden overgegaan zonder naleving van de bekendmakingsregels zijn limitatief opgesomd in artikel 17, § 2, van voormelde wet van 24 december 1993.
Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald dat de aanbestedende overheid die zich op één van de gevallen van artikel 17, § 2, wenst te beroepen, ‘indien mogelijk’, ‘meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners’ dient te raadplegen.
Als zodanig bevat dit artikel 17, § 2, een bevestiging van het gelijkheidsbeginsel, afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat de overheden verplicht om steeds, indien mogelijk, alle kandidaten voor het sluiten van een overeenkomst een gelijke kans daartoe te geven.
De Vlaamse Gemeenschap houdt niet voor dat het in de voorliggende zaak onmogelijk was om verschillende gerechtsdeurwaarderskantoren te raadplegen alvorens tot gunning van de opdracht over te gaan. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens ook duidelijk dat een dergelijke raadpleging niet onmogelijk was. In zoverre de Vlaamse Gemeenschap zich op één van de gevallen van artikel 17, § 2, zou kunnen beroepen, blijkt dat dit voor de beslechting van dit geschil zonder belang is : er diende hoe dan ook een vorm van mededinging georganiseerd te worden waarbij aan meerdere gerechtsdeurwaarders de gelegenheid werd gegeven om zich kandidaat te stellen."

De Raad van State voegt daar zelf aan toe:

"De toepasselijkheid van de wetgeving overheidsopdrachten en de principiële verplichting tot het in mededinging stellen van de opdracht geldtongeacht het antwoord op de vraag of het Europees drempelbedrag te dezen al dan niet werd bereikt.
Ook in de gevallen waarin tot het gunnen van een overheidsopdracht kan worden overgegaan zonder naleving van de bekendmakingsregels overeenkomstig artikel 17, §2, van de voormelde wet van 24 december 1993, dient de aanbestedende overheid immers, indien mogelijk,meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners te raadplegen.
De verwerende partij toont nergens aan dat dergelijke raadpleging te dezen niet mogelijk was".

Besloten wordt dat de overheid (de Vlaamse Gemeenschap) artikel 1, § 1, van de voormelde wet van 24 december 1993 en het gelijkheidsbeginsel heeft overtreden door de overeenkomst in kwestie te sluiten met het kantoor(...), zonder voorafgaandelijke mededinging.

Uiteraard geldt deze redenering mutatis mutandis voor alle overheden onderworpen aan de overheidsopdrachtenreglementering en dus ook voor lokale overheden.

Vooralsnog blijkt niet dat de gemeenteadvocaat zelf niet langer zijn eigen gerechtsdeurwaarder mag kiezen...

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
30/01/2010

Prejudiciële vragen over de stedenbouwkundige amnestieregeling

Een van de meest spectaculaire nieuwigheden van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals zeer aanzienlijk gewijzigd door het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijk plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid is de invoeging van wat thans artikel 6.1.1, vierde lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is:

“Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld”.

Op eerste zicht lijkt dit niet meer dan een bevestiging van artikel 7 Ger.W. op publieke herstelvorderingen die nog hangende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, namelijk op 1 september 2009. Dit is maar schijn.

De loutere decriminalisering belet niet dat ook nog vandaag herstelvorderingen zouden worden ingewilligd, gegrond op het instandhoudingsmisdrijf. In de memorie van toelichting wordt uitdrukkelijk de thesis , die erin bestaat dat bij een decriminalisering herstelvorderingen verjaarbaar zijn vanaf 22 augustus 2008, bijgetreden. Verjaarbaar, maar niet noodzakelijk verjaard in het licht van de vereisten van artikel 2262bis BW (kennisname van de schade of de verzwaring van de schade en van de identiteit van de dader), van artikel 26 V.t.Sv. (waardoor de herstelvordering niet kan verjaren vóór de strafvordering, van de burgrechtelijke stuitings- en schorsingsmogelijkheden en van de nieuwe schorsingsgronden bij een minnelijke schikking of een bemiddeling (artikel 6.1.53 VCRO).

De verdediging van het amendement dat heeft geleid tot artikel 6.1.1, vierde lid VCRO luidt als volgt :

“Het contentieux over het Handhavingsdecreet van 4 juni 2003 leert in dat verband dat herstelvorderingen die aanhangig waren vóór 22 augustus 2003 (datum van inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003) niet in se ongegrond zijn. Herstelvorderingen die ingesteld zijn voor de datum van de inwerkingtreding van voorliggend ontwerp van decreet , op grond van de (voortaan gedepenaliseerde) instandhouding in landschappelijk waardevol agragrisch gebied, zullen in principe evenzeer nog kunnen worden ingewilligd. Zulks is maatschappelijk niet geheel verzoenbaar met de aard van de herstelvordering die onder meer een bijzondere vorm van vergoeding of teruggave uitmaakt, ertoe strekkende een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het openbaar belang wordt geschaad (Cass. 19 september 1989, TROS 1999, 109, noot). Die schade aan het openbaar belang wordt door een depenalisering sterk genuanceerd. Om die reden wordt voor de toekomst (vanaf de inwerkingtreding van het ontwerp van decreet) bepaald dat herstelvorderingen (van overheidswege) die gebaseerd zijn op een instandhouding die op het ogenblik van de uitspraak niet langer strafbaar is gesteld, niet meer kunnen worden ingewilligd.”

De bedoeling van de wetgever was duidelijk. Vanaf 1 september 2009 kan geen enkele publieke herstelvordering (voor de strafrechter of de burgerlijke rechter) ingewilligd worden voor instandhouding in niet-kwetsbaar gebied, ook niet in lopende procedures en zelfs niet indien reeds een uitspraak is over de strafzaak (met een effectieve bestraffing van het instandhoudingsmisdrijf).
Publieke herstelvorderingen die geënt zijn op het primaire stedenbouwmisdrijf worden echter niet geraakt door artikel 6.1.1, vierde lid VCRO.

Het is daarbij niet meer relevant om te weten of artikel 146, derde lid DRO, in het licht van de arresten van het Hof van Cassatie van 13 december 2005 een decriminalisering dan wel een strafuitsluitingsgrond invoerde.

Op verzoek van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur worden door de 10de kamer van het hof van beroep te Gent twee prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Het Hof voegt er, ambtshalve, twee bijkomende prejudiciële vragen aan toe.

We gaan niet in op de inhoud van deze prejudiciële vragen, maar staan stil bij de vraag of de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur wel de hoedanigheid en het belang heeft om een prejudiciële vraag te stellen bij het Grondwettelijk Hof.

Het antwoord van het hof van beroep desbetreffend is duidelijk:

“Weliswaar betwisten de beklaagden de hoedanigheid en het belang van eiser tot herstel, die optreedt namens het Vlaams Gewest, om over de vragen uitspraak te laten doen door het grondwettelijk Hof, maar dit is ten onrechte; eiser tot herstel is partij in de zaak en wanneer het grondwettelijk Hof bevestigend zou antwoorden op de vragen of een van de vragen zou dit wel degelijk als gevolg hebben dat de herstelvordering, die enkel is gesteund op de instandhouding, nog voor inwilliging door het hof in aanmerking zou komen.
Het hof dient derhalve het grondwettelijk Hof te verzoeken uitspraak te doen over de door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur gesuggereerde, hiervoor vermelde, prejudiciële vragen”.


Dat het hof van beroep ambtshalve prejudiciële vragen kan stellen, staat buiten kijf. Dat zij kan of moet ingaan op de voorstellen tot prejudiciële vraagstelling vanwege een gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is heel wat minder vanzelfsprekend.

Wij kunnen drie bedenkingen formuleren.

Een. Artikel 15, §1, 2° van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse Overheid geeft aan het hoofd van het agentschap delegatie om “rechtsgedingen te voeren, als eiser, verweerder of tussenkomende partij, voor de hoven en rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het rekenhof, met uitzondering van de rechtsgedingen voor het Arbitragehof”. Indien het diensthoofd van de Inspectie RWO geen rechtsgedingen kan voeren voor het grondwettelijk Hof, dan lijkt het de evidentie zelve te zijn dat het hem ook niet mogelijk is om prejudiciële vragen voor te stellen aan een rechtbank. A fortiori kan dergelijke bevoegdheid niet gesubdelegeerd aan de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteurs.

Twee. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is bevoegd om de in artikel 6.1.1 VCRO omschreven misdrijven op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal. Tevens kan de stedenbouwkundig inspecteur als eiser tot herstel optreden zowel voor de strafrechter als voor de gewone rechter.
In al deze gevallen treedt de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur op als hoeder van de Vlaamse ruimtelijke ordeningsreglementering, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, niet van de Vlaamse ruimtelijke ordening.
Ons inziens treedt de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar zijn bevoegdheid te buiten door, in het belang van “een goede” Vlaamse ruimtelijke ordening, de schending van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aan te voeren in een gerechtsprocedure en een prejudiciële vraag aan het grondwettelijk Hof voor te stellen .

Drie. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is eiser in herstel namens het Vlaams Gewest. Het is - om het zacht uit te drukken - geen evidentie dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur op grond van artikel 26, §2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 prejudiciële vragen uit te lokken die tot gevolg hebben dat een rechtsonderhorige alsnog zou bestraft worden en dit niettegenstaande de decretale amnestie. Eerder heeft het Vlaams Gewest prejudiciële vragen voorgesteld over ex-federale ruimtelijke ordeningsreglementering. Voor zover wij weten is het echter de eerste maal dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zelfstandig prejudiciële vragen benaarstigt voor het grondwettelijk Hof.

Toch komt het verwijzingsarrest niet echt als een verrassing na lezing van het antwoord van de Vlaams minister van ruimtelijke ordening op een vraag gesteld door de voormalige minister van ruimtelijke ordening. De minister looft het initiatief van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteurs omdat (a) dankzij de vragen zo snel mogelijk juridische duidelijkheid kan gecreërd worden voor enerzijds, de vervolgden en anderzijds, de derde-benadeelden; (b) gepoogd wordt door het stellen van prejudiciële vragen te voorkomen dat de rechtsplegingsvergoedingen zouden moeten betaald worden door het Vlaams Gewest; (c) het verweer van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteurs vrij is en er dus kan in bestaan om aan de rechter te verzoeken om de bestaanbaarheid van sommige nieuwe bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening door het grondwettelijk Hof te laten toetsen aan de grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; (d) het hoe dan ook aan enkel de rechter is om hier al dan niet op in te gaan; (e) niet mag vergeten worden dat de stedenbouwkundig inspecteur bij zijn indiensttreding getrouwheid aan de grondwet heeft gezworen.

Hoe betwistbaar de ingreep van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur ook mag zijn, het is uiteindelijk het hof van beroep dat de prejudiciële vragen stelt aan het grondwettelijk Hof.
Een praktisch gevolg van de prejudiciële vragen voor het grondwettelijk Hof is dat alle procedures waarin de amnestieregeling aan bod komt, de facto opgeschort zullen worden tot na behandeling van de vragen door het grondwettelijk Hof.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/01/2010

De gewijzigde Handelsvestigingenwet toegelicht door het Criteriabesluit van 13 januari 2010

Op 29 december 2009 werd de wijziging van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Door de nieuwe wet worden 3 van de 4 criteria van de Handelsvestigingenwet gewijzigd. Wanneer de oude en nieuwe wettelijke criteria naast elkaar worden geplaatst geeft dit het volgende beeld :

•VROEGER: de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging
•NU : de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging

•VROEGER : de belangen van de consumenten
•NU : de bescherming van de consument

•VROEGER : de invloed van het ontwerp op de werkgelegenheid
•NU : het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht

•VROEGER : de gevolgen van het ontwerp op de bestaande handelszaken
•NU : de bescherming van het stedelijk milieu

Deze drastische maatregel heeft tot doel om aan de sanctie van de Dienstenrichtlijn (Bolkensteinrichtlijn) te ontsnappen die tegen 28 december 2009 moest omgezet worden. Blijkbaar was de federale wetgever beducht voor aansprakelijkheidrisico’s. Wellicht wil zij ook tijd winnen in afwachting van de regionalisering van deze materie.

Op 22 december 2010 werd ook het Koninklijk besluit van 13 januari 2010 tot wijziging van het KB van 22 februari 2005 tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De 4 wettelijke criteria worden als volgt verduidelijkt:

De ruimtelijke ligging van de handelsvestiging:
•de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon
•de bereikbaarheid van de nieuwe vestiging via het openbaar vervoer en via individuele transportmiddelen

De bescherming van consument
•de naleving van de vigerende wetgeving inzake consumentenbescherming

Het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht
•de naleving van de sociale wetgeving
•de naleving van de arbeidswetgeving

De bescherming van het stedelijk milieu
•het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit,meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid
•het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten

Sluitstuk van de nieuwe reglementering is de (nog niet in het Staatsblad gepubliceerde) circulaire aan de steden en gemeenten met betrekking tot de beoordeling van de aanvragers socio-economische vergunning.
Hierin wordt toegelicht dat de aanvragen die ingediend zijn en volledig verklaard werden vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Handelsvestigingenwet en van het nieuwe Criteriabesluit en dus vóór 28 december 2009 “worden geacht beoordeeld te worden volgens de oude criteria van de wet van 13 augustus 2004” Zeer merkwaardig is de passage dat “de steden en gemeenten worden met aandrang verzocht om vóór 28 december 2009 alle dossiers te beoordelen die vallen onder de oude criteria” . Als men weet dat het Criteriabesluit eerst op 22 januari 2010 werd gepubliceerd. Alhoewel de oude wettelijke criteria toepasselijk blijven op de lopende sociaal, economische procedures, heet het verder in de circulaire dat “de beslissingen die genomen worden op deze dossiers geen economische criteria of toetsingsgronden [mogen] bevatten”.

Er is aanzienlijke kritiek te leveren op de nieuwe regeling. Wij beperken ons tot 10 punten van kritiek:

Een. Het is onbegrijpelijk dat de wetgever zo lang heeft gewacht om ernstig werk te maken van de omzetting van de Dienstenrichtlijn. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat het hier om haastwerk gaat. Deze indruk wordt zeker niet tenietgedaan bij een vergelijking tussen hetgeen aangekondigd werd door minister Laruelle op 25 november 2009 (enkel het criterium ruimtelijke ligging zou overblijven) en de 4 criteria die amper een maand later werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Twee. Er wordt te gemakkelijk van uitgegaan dat het volstaat om de economische criteria uit de Handelsvestigingenwet te verwijderen om zo te beantwoorden aan de Dienstenrichtlijn. Het klopt dat dan aan artikel 14.5 Dienstenrichtlijn wordt tegemoet gekomen, daar die economische criteria in beginsel verbiedt. Er is echter ook nog artikel 9.1 waardoor de sociaal-economische vergunning als vergunningsstelsel moet getoetst worden aan de niet-discriminatie-, noodzakelijkheids- en evenredigheidsbeginselen. Het is helemaal niet gezegd dat de sociaal-economische vergunning “nieuwe stijl” aan het evenredigheidsbeginsel beantwoordt.

Drie. 2 van de 4 criteria (ruimtelijke ligging van de handelvestiging en de bescherming van het stedelijk milieu), zijnde de meest zwaarwegende criteria, sluiten nauw aan bij de gewestelijke bevoegdheid van de ruimtelijke ordening. Daardoor is het niet ondenkbaar dat de wetswijziging wordt aangevochten voor het Grondwettelijk Hof en, meer nog, dat daardoor zijn alle sociaal-economische vergunningen precair worden (aanvechtbaar voor de Raad van State, die dan een prejudiciële vraag kan stellen aan het Grondwettelijk Hof).

Vier. De vraag is of het assortiment en netto-handelsoppervlakte nog voldoende beheerst kunnen worden door de aangepaste Handelsvestigingenwet. De criteria “het respect voor de sociale wetgeving het arbeidsrecht” en “de bescherming van de consument” wegen vederlicht en zullen zelden tot nooit leiden tot een weigering van een sociaal-economische vergunning. Men kan zich een mobiliteitsimpact voorstellen bij de wijziging van een assortiment of uitbreiding van een winkel, maar dit zal niet altijd het geval zijn. Een wijziging van schoenen naar textiel, van voeding naar textiel, enzovoort zal wellicht geen grote volkstoeloop en geen gewijzigde mobiliteitssituatie met zich meebrengen.

Een belangrijke wijziging van assortiment of een uitbreiding van de netto-handelsoppverlakte blijft schijnbaar vergunningsplichtig (artikel 2, § 1 Handelsvestigingenwet), ook voor vergunde en als vergund geachte handelsvestigingen, maar de middelen zullen veelal ontbreken om de wijziging van het assortiment of (in mindere mate) de wijziging van de netto-handelsoppervlakte te weigeren. Men mag veronderstellen dat het nog steeds de bedoeling is om over te gaan tot regionalisering van de Handelsvestigingenwet. Zolang dit niet het geval is, blijft er ondanks de wetswijziging een juridisch vacuüm bestaan. Vacuüm dat zowel kansen en risico’s zal opleveren voor de avonturiers die ervan gebruik willen maken.

Vijf. Het criterium van de ruimtelijke ligging wordt in het nieuwe Criteriabesluit op precies dezelfde wijze toegelicht als voordien. Evenwel oordeelde de Raad van State in een advies van 24 februari 2004 dat het niet duidelijk was wat er precies met het eerste criterium bedoeld wordt. Welnu, artikel 10, 2, d Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningscriteria “duidelijk en ondubbelzinnig” moeten zijn. Aldus is het niet enkel het regionaal karakter van dit criterium, maar ook het onduidelijk karakter ervan dat de toepassing ervan kwetsbaar maakt.

Zes. Het criterium van de bescherming van het stedelijk milieu wordt in het Criteriabesluit toegelicht door het element “het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten”, hetgeen kan verwijzen naar ruimtelijke uitvoeringsplannen of, erger nog naar de ruimtelijke structuurplannen. Dit werd nochtans eerder door de Raad van State in het advies van 24 februari 2004 als onaanvaardbaar beschouwd. Indien zou verwezen worden naar ruimtelijke structuurplannen, dan zou dit betekenen dat stedenbouwkundige vergunningen niet kunnen getoetst worden aan dergelijke structuurplannen, maar (federale) sociaal-economische vergunningen wél. Zulks druist in tegen de meest elementaire rechtslogica.

Zeven. Ook het nieuwe criterium van de bescherming van het stedelijk milieu heeft (te) sterke banden met het regionale bevoegdheidsniveau. Weliswaar vermeldt de Dienstenrichtlijn dat de bescherming van het stedelijk milieu “een dwingende reden van algemeen belang” is. Het verbod op economische eisen, zoals gesteld in de Dienstenrichtlijn, heeft echter geen betrekking op “planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende reden van algemeen belang”. In casu lijkt het echter niet om een planningseis maar wel om een vergunningscriterium te gaan.

Acht. De criteria met betrekking tot de consumentenbescherming en de sociale en arbeidswetgeving worden zo toegelicht dat niets anders wordt verlangd van vergunningsaanvragers, dan dat zij de wetgeving inzake consumentenbescherming, sociale wetgeving en arbeidswetgeving respecteren. Volgens een vertegenwoordiger van de bevoegde minister zou een verklaring op eer in deze kunnen volstaanIedereen moet evenwel de wet naleven en dus ook alle aanvragers van een sociaal-economische vergunning. Daardoor wegen deze criteria vederlicht en erger nog, lijken zij te strijden met het verbod van artikel 10.3 Dienstenrichtlijn waardoor de vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging niet mogen overlappen met gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is.

Bovendien dreigt het gevaar dat bedrijven die ooit een geschil hebben gehad met een consumentenvereniging, met de RSZ of met een werknemer en burgerrechtelijk of strafrechtelijk werden veroordeeld, ongeschikt verklaard worden om een sociaal-economische vergunning te bekomen…

Negen. De wijziging van de Handelsvestigingenreglementering lijkt onvoldoende.
Alhoewel economische toetsen verboden worden is er nog steeds sprake van een “sociaal-economische vergunning” en van een “nationaal sociaal–economisch comité voor de distributie”. Bovendien kunnen ernstige vragen gesteld worden bij de samenstelling van het nationaal sociaal–economisch comité voor de distributie. De vertegenwoordigers van de sector van de geïntegreerde handel, zelfstandigen en KMO’s en de middenstandsorganisaties in dit comité zouden wel eens kunnen beschouwd worden als een door de Dienstenrichtlijn verboden direct of indirecte betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers.

Tien. Tenslotte kan er ernstige kritiek geleverd worden op de overgangssituatie. Het overgangsregime kan naar onze mening niet wetgevingstechnisch door een omzendbrief worden opgelegd, maar moet zelf opgenomen worden in de wet.
Komt daarbij dat het op zijn minst verrassend is dat de gemeenten worden opgedragen de oude criteria toe te passen, uitgezonderd de economische criteria, … zodat enkel de ruimtelijke ligging overblijft, hetgeen een puur regionaal criterium is.

Wilt u hierover meer weten ?

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
24/09/2009

Dirk Van Heuven en Steve Ronse publiceren juridisch advies: Proceduremogelijkheden bij miskenning van de Handelsvestigingenwet: "Onderbreking van bouw-, verbouwings- en vestigingswerken zonder of in strijd met een sociaal-economische vergunning" (Retail Update Magazine 2009, nr. 2, 49)

Lees hier het artikel.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen, Steve Ronse
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags