10/02/2010

Respect van contractuele engagementen door gemeente primeert op algemeen belang

Het Hof van Cassatie heeft zich moeten uitspreken over een arrest waarbij het hof van beroep te Gent een stad verplichtte tot respect van een contractuele taak die zij had aangegaan inzake de verkeersbereikbaarheid van een bedrijf (onder de vorm van een contractuele erfdienstbaarheid). Daardoor moest het verkeerscirculatieplan gewijzigd worden.

In het belangwekkend arrest van 29 oktober 2009 bevestigt het Hof van Cassatie dat de rechter vermag het respect van een contractuele erfdienstbaarheid in natura aan een overheid op te leggen. Het heet dat de rechterlijke macht bevoegd is om een door het lokale bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire begaan om een rechtmatige aantasting van een subjectief (contractueel) recht zowel te voorkomen als te vergoeden. Zij vermag daarbij aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet te ontnemen en zich al evenmin in de plaats te stellen van het bestuur. De rechter mengt zich, aldus het Hof van Cassatie, niet in de uitoefening van de bij wet aan de overheid voorbehouden machten, wanneer hij, om de benadeelde partij in haar rechten te hersellen, aan de overheid een maatregel oplegt om een einde te maken aan de schadelijke aantasting van de rechten van de benadeelde partij.

Referentie: Hof van Cassatie, 29 oktober 2009, nr. C.08.0390N (PUB 500691)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidscontracten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/02/2010

Aansprakelijkheid van de gemeente bij het verlenen van een onwettige stedenbouwkundige vergunning

Het hof van beroep te Gent heeft op 19 juni 2009 een interessant arrest geveld inzake een aansprakelijkheidsvordering van een klager tegen een gemeente wegens het (herhaaldelijk) verlenen van een vervolgens door de Raad van State vernietigde stedenbouwkundige vergunning.
Hierdoor kon een groot gebouw opgericht worden dat het mooie uitzicht van de klager teniet deed en dat hem bovendien geluidshinder opleverde door de activiteiten in de (thans onvergunde) nieuwbouw.

Zie hier een aantal belangrijk leringen uit het arrest van het hof van beroep te Gent:

Het hof van beroep verwerpt het verweer als zou het college van burgemeester en schepenen in medebewind optreden

Dit medebewind zou dan met zich meebrengen dat niet de gemeente, maar wel het Vlaamse Gewest schadeaansprakelijk zou zijn.

Het hof oordeelt:

“Het college van burgemeester en schepenen is een orgaan van de gemeente en de omstandigheid dat aan dit orgaan in het raam van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de bevoegdheid is toegekend om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen, brengt niet mee dat het bij de uitoefening van die bevoegdheid geacht moet worden te handelen als orgaan van een andere overheid en ophoudt orgaan van de gemeente te zijn. Inzake ruimtelijke ordening hebben de lokale besturen een zekere beleidsbevoegdheid behouden waarbij de gemeentelijke autonomie een rol blijft spelen.

In die zin blijft het college van burgemeester en schepenen, als overheid die uitspraak doet over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, orgaan van de gemeente en handelt zij daarbij als orgaan van actief bestuur.Aldus brengt een fout ex artikel 1382 B.W. bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning wel degelijk de aansprakelijkheid van de gemeente in het gedrang”.


Niet alleen de gemeente, maar ook de bouwheer begaat, aldus het hof van beroep, een fout

In hoofde van de bouwheer dient het bouwen van het gebouw, gelet op de nietigverklaring van de verleende stedenbouwkundige vergunning, immers als het bouwen zonder vereiste voorafgaandelijke vergunning te worden beschouwd, terwijl de bouwheer zich eveneens schuldig maakt aan het instandhouden van de aldus wederrechtelijke opgerichte contructies.

De gemeente heeft een fout begaan door een stedenbouwkundige vergunning af te leveren die vernietigd werd door de Raad van State

Het hof is zeer duidelijk:

“Waar een vernietigingsarrest van de Raad van State wat betreft haar motieven “absoluut” gezag van gewijsde heeft en erga omnes duidelijk maakt dat er onwettigheid is begaan, is bij een aansprakelijkheidsvordering voor de gewone rechtbank, de eiser alsdan ontslagen van verder bewijs van deze onwettigheid en kan hij volstaan te verwijzen naar de vaststelling door de Raad van State van de onwettigheid”.

Het herstel in de vorige toestand na een vernietigingsarrest van de Raad van State is geen evidentie

Het hof van beroep te Gent verwerpt de herstelvordering (afbraakvordering) van de klager op grond van hierna volgende motivering:

“De derde-benadeelde van een bouwmisdrijf heeft principieel het recht om bij wijze van rechtstreeks herstel het herstel in de vorige toestand (of eventueel aanpassingswerken) te vorderen wanneer zulks mogelijk is en geen rechtsmisbruik oplevert.

De gemeenrechtelijke regeling van artikel 1382 e.v. B.W. dat een (gevorderd) herstel in natura in principe voorrang dient te krijgen op een herstel middels equivalent geldt ook voor een burgerlijke vordering van een derde-benadeelde wegens een bouwmisdrijf.

Dit recht van de derde-benadeelde van een bouwmisdrijf op herstel in natura vindt zoals gesteld evenwel een begrenzing in het verbod van rechtsmisbruik.

Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer het recht wordt uigeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dit recht, hetgeen o.m. het geval kan zijn bij het uitoefenen van een recht waardoor een schade wordt veroorzaakt in hoofde van de overtreder die buiten alle verhouding staat met aldus bekomen voordeel.

Dit laatste is een toepassing van het evenredigheidsbeginsel of proportionaliteitsbeginsel dat ook toepassing vindt indien de publiekrechtelijke herstelvordering door de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur of door het college van burgemeester en schepenen wordt uitgeoefend hetzij voor de strafrechter hetzij voor de burgerlijke rechter”.


Het hof gaat vervolgens over tot een vergelijking van de actuele toestand ingevolge de onvergunde constructies en de mogelijke schade die zulks kan opleveren voor de klager enerzijds en de gevolgen die het gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand voor de bouwheer met zich zou meebrengen anderzijds.
Het hof oordeelde in casu dat de uitoefening van het recht tot herstel in natura “buiten alle verhouding staat met het voordeel dat de [klager] aldus zou bekomen”. Het herstel in de vorige toestand maakt in dergelijke omstandigheden rechtsmisbruik uit, temeer omdat geen strafvordering gekend is.

Vervolgens stelt het hof een deskundige aan om advies te verstrekken over de schadevergoeding.

Referentie : Gent, 9de kamer, 2008/AR/2858 - 2008/AR/2895

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/02/2010

Geen tijdelijke stedenbouwkundige vergunning voor reclamepanelen

De Raad van State werd geconfronteerd met de vraag of naar "Vlaams" recht een stedenbouwkundige vergunning "per gedoogzaamheid" - dus een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning - kan worden afgeleverd voor reclamepanelen. De Raad van State herinnert eraan dat stedenbouwkundige vergunningen in beginsel niet opgeheven kunnen worden, tenzij daartoe een wettelijke machtiging bestaat, zelfs niet wanneer de opgeheven beslissing enkel "per gedoogzaamheid" zou zijn verleend.

Referentie: RvS nr. 196.777, 9 oktober 2009

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/02/2010

Handelsvestigingen en bevoegdheidsverdeling

In een arrest van 13 november 2009 verwerpt de Raad van State twee middelen die de deelname van de gewesten aan het beslissingsproces over een sociaal-economische vergunning bekritiseren.

De Raad van State wijst er op dat de vertegenwoordiging van de gewesten in het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie faculatief is en bovendien zo bescheiden dat "het quorum of de meerderheid binnen het NSECD niet in beduidende mate beïnvloed kan worden door de aanwezigheid en het stemgedrag van het betrokken lid".

Verder is, aldus de Raad van State, de federale bevoegdheid inzake handelsvestigingen niet ondergeschikt aan de gewestelijke bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en een uitzondering op de ruime gewestelijke bevoegdheid inzake economie. De Raad vervolgt: "dat een (...)beslissing inzake een handelsvestiging een invloed heeft op het gewestbeleid inzake ruimtelijke ordening en economie is mogelijk, maar is tevens een onvermijdelijk gevolg van de exclusieve wijze van bevoegdheidsverdeling".

Of deze overweging ook stand houdt na de gewijzigde Handelsvestigingenwet, waardoor de hoofdfocus van het economische naar het ruimtelijke kantelt, is een open vraag.

Referentie: RvS, nr. 197.782, 13 november 2009In een arrest van 13 november 2009 verwerpt de Raad van State twee middelen die de deelname van de gewesten aan het beslissingsproces over een sociaal-economische vergunning bekritiseren.

De Raad van State wijst er op dat de vertegenwoordiging van de gewesten in het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie faculatief is en bovendien zo bescheiden dat "het quorum of de meerderheid binnen het NSECD niet in beduidende mate beïnvloed kan worden door de aanwezigheid en het stemgedrag van het betrokken lid".

Verder is, aldus de Raad van State, de federale bevoegdheid inzake handelsvestigingen niet ondergeschikt aan de gewestelijke bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en een uitzondering op de ruime gewestelijke bevoegdheid inzake economie. De Raad vervolgt: "dat een (...)beslissing inzake een handelsvestiging een invloed heeft op het gewestbeleid inzake ruimtelijke ordening en economie is mogelijk, maar is tevens een onvermijdelijk gevolg van de exclusieve wijze van bevoegdheidsverdeling".
Of deze overweging ook stand houdt na de gewijzigde Handelsvestigingenwet, waardoor de hoofdfocus van het economische naar het ruimtelijke kantelt, is een open vraag.

Referentie: RvS, nr. 197.782, 13 november 2009

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Lokale besturen, Staatshervorming & Bevoegdheidsverdeling
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/02/2010

Gerechtsdeurwaarders kunnen slechts aangesteld worden na mededinging

De Raad van State beslist in zijn arrest nr. 196.609 van 1 oktober 2009 dat overheden verplicht zijn de overheidsopdrachtenreglementering te respecteren bij aanstelling van een gerechtsdeurwaarder.

De Raad van State maakt zich letterlijk de bewoordingen van een eerdere uistpraak van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel eigen:

"In zoverre er discussie zou kunnen bestaan over de vraag of de diensten die gerechtsdeurwaarders verlenen aan aanbestedende overheden vallen onder de ‘diensten van juridische aard’, stelt de rechtbank vast dat deze diensten minstens vallen onder de restcategorie van de ‘andere diensten’.
Hieruit volgt dat de diensten van gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn aan voormelde wet van 24 december 1993, en bijgevolg slechts door aanbestedende XII-5141-10/13 overheden mogen gegund worden na mededinging (artikel 1, § 1, van deze wet).

De omstandigheid dat de ambtstaken en de tarieven van de gerechtsdeurwaarders wettelijk zijn vastgelegd, doet hieraan geen afbreuk.
De rechtbank ziet niet in waarom de wettelijke vastlegging van de ‘ambtstaken’ van de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid tot mededinging zou uitsluiten.
Wat de wettelijke toepassing van tarieven betreft, blijkt uit niets dat de prijs bij de gunning van overheidsopdrachten een criterium moet zijn. De omstandigheid dat de prijs voor de uitvoering van een overheidsopdracht wettelijk is vastgelegd, betekent enkel dat het niet mogelijk zal zijn de opdracht te gunnen volgens de procedure van aanbesteding. Er bestaat evenwel geen bezwaar tegen de toepassing van een procedure van offerte-aanvraag of van een onderhandelingsprocedure. De wettelijke vastlegging van de ambtstaken en tarieven van de gerechtsdeskundige staat dan ook de toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten niet in de weg.
10. De eventuele omstandigheid dat de opdracht kan worden gegund zonder de naleving van de bekendmakingsregels bij de aanvang van de procedure, belet evenmin dat de voormelde wet van 24 december 1993 van toepassing is.
De gevallen waarin tot het gunnen van een overheidsopdracht kan worden overgegaan zonder naleving van de bekendmakingsregels zijn limitatief opgesomd in artikel 17, § 2, van voormelde wet van 24 december 1993.
Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald dat de aanbestedende overheid die zich op één van de gevallen van artikel 17, § 2, wenst te beroepen, ‘indien mogelijk’, ‘meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners’ dient te raadplegen.
Als zodanig bevat dit artikel 17, § 2, een bevestiging van het gelijkheidsbeginsel, afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat de overheden verplicht om steeds, indien mogelijk, alle kandidaten voor het sluiten van een overeenkomst een gelijke kans daartoe te geven.
De Vlaamse Gemeenschap houdt niet voor dat het in de voorliggende zaak onmogelijk was om verschillende gerechtsdeurwaarderskantoren te raadplegen alvorens tot gunning van de opdracht over te gaan. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens ook duidelijk dat een dergelijke raadpleging niet onmogelijk was. In zoverre de Vlaamse Gemeenschap zich op één van de gevallen van artikel 17, § 2, zou kunnen beroepen, blijkt dat dit voor de beslechting van dit geschil zonder belang is : er diende hoe dan ook een vorm van mededinging georganiseerd te worden waarbij aan meerdere gerechtsdeurwaarders de gelegenheid werd gegeven om zich kandidaat te stellen."

De Raad van State voegt daar zelf aan toe:

"De toepasselijkheid van de wetgeving overheidsopdrachten en de principiële verplichting tot het in mededinging stellen van de opdracht geldtongeacht het antwoord op de vraag of het Europees drempelbedrag te dezen al dan niet werd bereikt.
Ook in de gevallen waarin tot het gunnen van een overheidsopdracht kan worden overgegaan zonder naleving van de bekendmakingsregels overeenkomstig artikel 17, §2, van de voormelde wet van 24 december 1993, dient de aanbestedende overheid immers, indien mogelijk,meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners te raadplegen.
De verwerende partij toont nergens aan dat dergelijke raadpleging te dezen niet mogelijk was".

Besloten wordt dat de overheid (de Vlaamse Gemeenschap) artikel 1, § 1, van de voormelde wet van 24 december 1993 en het gelijkheidsbeginsel heeft overtreden door de overeenkomst in kwestie te sluiten met het kantoor(...), zonder voorafgaandelijke mededinging.

Uiteraard geldt deze redenering mutatis mutandis voor alle overheden onderworpen aan de overheidsopdrachtenreglementering en dus ook voor lokale overheden.

Vooralsnog blijkt niet dat de gemeenteadvocaat zelf niet langer zijn eigen gerechtsdeurwaarder mag kiezen...

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags