20/01/2010

De gewijzigde Handelsvestigingenwet toegelicht door het Criteriabesluit van 13 januari 2010

Op 29 december 2009 werd de wijziging van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Door de nieuwe wet worden 3 van de 4 criteria van de Handelsvestigingenwet gewijzigd. Wanneer de oude en nieuwe wettelijke criteria naast elkaar worden geplaatst geeft dit het volgende beeld :

•VROEGER: de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging
•NU : de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging

•VROEGER : de belangen van de consumenten
•NU : de bescherming van de consument

•VROEGER : de invloed van het ontwerp op de werkgelegenheid
•NU : het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht

•VROEGER : de gevolgen van het ontwerp op de bestaande handelszaken
•NU : de bescherming van het stedelijk milieu

Deze drastische maatregel heeft tot doel om aan de sanctie van de Dienstenrichtlijn (Bolkensteinrichtlijn) te ontsnappen die tegen 28 december 2009 moest omgezet worden. Blijkbaar was de federale wetgever beducht voor aansprakelijkheidrisico’s. Wellicht wil zij ook tijd winnen in afwachting van de regionalisering van deze materie.

Op 22 december 2010 werd ook het Koninklijk besluit van 13 januari 2010 tot wijziging van het KB van 22 februari 2005 tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De 4 wettelijke criteria worden als volgt verduidelijkt:

De ruimtelijke ligging van de handelsvestiging:
•de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon
•de bereikbaarheid van de nieuwe vestiging via het openbaar vervoer en via individuele transportmiddelen

De bescherming van consument
•de naleving van de vigerende wetgeving inzake consumentenbescherming

Het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht
•de naleving van de sociale wetgeving
•de naleving van de arbeidswetgeving

De bescherming van het stedelijk milieu
•het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit,meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid
•het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten

Sluitstuk van de nieuwe reglementering is de (nog niet in het Staatsblad gepubliceerde) circulaire aan de steden en gemeenten met betrekking tot de beoordeling van de aanvragers socio-economische vergunning.
Hierin wordt toegelicht dat de aanvragen die ingediend zijn en volledig verklaard werden vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Handelsvestigingenwet en van het nieuwe Criteriabesluit en dus vóór 28 december 2009 “worden geacht beoordeeld te worden volgens de oude criteria van de wet van 13 augustus 2004” Zeer merkwaardig is de passage dat “de steden en gemeenten worden met aandrang verzocht om vóór 28 december 2009 alle dossiers te beoordelen die vallen onder de oude criteria” . Als men weet dat het Criteriabesluit eerst op 22 januari 2010 werd gepubliceerd. Alhoewel de oude wettelijke criteria toepasselijk blijven op de lopende sociaal, economische procedures, heet het verder in de circulaire dat “de beslissingen die genomen worden op deze dossiers geen economische criteria of toetsingsgronden [mogen] bevatten”.

Er is aanzienlijke kritiek te leveren op de nieuwe regeling. Wij beperken ons tot 10 punten van kritiek:

Een. Het is onbegrijpelijk dat de wetgever zo lang heeft gewacht om ernstig werk te maken van de omzetting van de Dienstenrichtlijn. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat het hier om haastwerk gaat. Deze indruk wordt zeker niet tenietgedaan bij een vergelijking tussen hetgeen aangekondigd werd door minister Laruelle op 25 november 2009 (enkel het criterium ruimtelijke ligging zou overblijven) en de 4 criteria die amper een maand later werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Twee. Er wordt te gemakkelijk van uitgegaan dat het volstaat om de economische criteria uit de Handelsvestigingenwet te verwijderen om zo te beantwoorden aan de Dienstenrichtlijn. Het klopt dat dan aan artikel 14.5 Dienstenrichtlijn wordt tegemoet gekomen, daar die economische criteria in beginsel verbiedt. Er is echter ook nog artikel 9.1 waardoor de sociaal-economische vergunning als vergunningsstelsel moet getoetst worden aan de niet-discriminatie-, noodzakelijkheids- en evenredigheidsbeginselen. Het is helemaal niet gezegd dat de sociaal-economische vergunning “nieuwe stijl” aan het evenredigheidsbeginsel beantwoordt.

Drie. 2 van de 4 criteria (ruimtelijke ligging van de handelvestiging en de bescherming van het stedelijk milieu), zijnde de meest zwaarwegende criteria, sluiten nauw aan bij de gewestelijke bevoegdheid van de ruimtelijke ordening. Daardoor is het niet ondenkbaar dat de wetswijziging wordt aangevochten voor het Grondwettelijk Hof en, meer nog, dat daardoor zijn alle sociaal-economische vergunningen precair worden (aanvechtbaar voor de Raad van State, die dan een prejudiciële vraag kan stellen aan het Grondwettelijk Hof).

Vier. De vraag is of het assortiment en netto-handelsoppervlakte nog voldoende beheerst kunnen worden door de aangepaste Handelsvestigingenwet. De criteria “het respect voor de sociale wetgeving het arbeidsrecht” en “de bescherming van de consument” wegen vederlicht en zullen zelden tot nooit leiden tot een weigering van een sociaal-economische vergunning. Men kan zich een mobiliteitsimpact voorstellen bij de wijziging van een assortiment of uitbreiding van een winkel, maar dit zal niet altijd het geval zijn. Een wijziging van schoenen naar textiel, van voeding naar textiel, enzovoort zal wellicht geen grote volkstoeloop en geen gewijzigde mobiliteitssituatie met zich meebrengen.

Een belangrijke wijziging van assortiment of een uitbreiding van de netto-handelsoppverlakte blijft schijnbaar vergunningsplichtig (artikel 2, § 1 Handelsvestigingenwet), ook voor vergunde en als vergund geachte handelsvestigingen, maar de middelen zullen veelal ontbreken om de wijziging van het assortiment of (in mindere mate) de wijziging van de netto-handelsoppervlakte te weigeren. Men mag veronderstellen dat het nog steeds de bedoeling is om over te gaan tot regionalisering van de Handelsvestigingenwet. Zolang dit niet het geval is, blijft er ondanks de wetswijziging een juridisch vacuüm bestaan. Vacuüm dat zowel kansen en risico’s zal opleveren voor de avonturiers die ervan gebruik willen maken.

Vijf. Het criterium van de ruimtelijke ligging wordt in het nieuwe Criteriabesluit op precies dezelfde wijze toegelicht als voordien. Evenwel oordeelde de Raad van State in een advies van 24 februari 2004 dat het niet duidelijk was wat er precies met het eerste criterium bedoeld wordt. Welnu, artikel 10, 2, d Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningscriteria “duidelijk en ondubbelzinnig” moeten zijn. Aldus is het niet enkel het regionaal karakter van dit criterium, maar ook het onduidelijk karakter ervan dat de toepassing ervan kwetsbaar maakt.

Zes. Het criterium van de bescherming van het stedelijk milieu wordt in het Criteriabesluit toegelicht door het element “het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten”, hetgeen kan verwijzen naar ruimtelijke uitvoeringsplannen of, erger nog naar de ruimtelijke structuurplannen. Dit werd nochtans eerder door de Raad van State in het advies van 24 februari 2004 als onaanvaardbaar beschouwd. Indien zou verwezen worden naar ruimtelijke structuurplannen, dan zou dit betekenen dat stedenbouwkundige vergunningen niet kunnen getoetst worden aan dergelijke structuurplannen, maar (federale) sociaal-economische vergunningen wél. Zulks druist in tegen de meest elementaire rechtslogica.

Zeven. Ook het nieuwe criterium van de bescherming van het stedelijk milieu heeft (te) sterke banden met het regionale bevoegdheidsniveau. Weliswaar vermeldt de Dienstenrichtlijn dat de bescherming van het stedelijk milieu “een dwingende reden van algemeen belang” is. Het verbod op economische eisen, zoals gesteld in de Dienstenrichtlijn, heeft echter geen betrekking op “planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende reden van algemeen belang”. In casu lijkt het echter niet om een planningseis maar wel om een vergunningscriterium te gaan.

Acht. De criteria met betrekking tot de consumentenbescherming en de sociale en arbeidswetgeving worden zo toegelicht dat niets anders wordt verlangd van vergunningsaanvragers, dan dat zij de wetgeving inzake consumentenbescherming, sociale wetgeving en arbeidswetgeving respecteren. Volgens een vertegenwoordiger van de bevoegde minister zou een verklaring op eer in deze kunnen volstaanIedereen moet evenwel de wet naleven en dus ook alle aanvragers van een sociaal-economische vergunning. Daardoor wegen deze criteria vederlicht en erger nog, lijken zij te strijden met het verbod van artikel 10.3 Dienstenrichtlijn waardoor de vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging niet mogen overlappen met gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is.

Bovendien dreigt het gevaar dat bedrijven die ooit een geschil hebben gehad met een consumentenvereniging, met de RSZ of met een werknemer en burgerrechtelijk of strafrechtelijk werden veroordeeld, ongeschikt verklaard worden om een sociaal-economische vergunning te bekomen…

Negen. De wijziging van de Handelsvestigingenreglementering lijkt onvoldoende.
Alhoewel economische toetsen verboden worden is er nog steeds sprake van een “sociaal-economische vergunning” en van een “nationaal sociaal–economisch comité voor de distributie”. Bovendien kunnen ernstige vragen gesteld worden bij de samenstelling van het nationaal sociaal–economisch comité voor de distributie. De vertegenwoordigers van de sector van de geïntegreerde handel, zelfstandigen en KMO’s en de middenstandsorganisaties in dit comité zouden wel eens kunnen beschouwd worden als een door de Dienstenrichtlijn verboden direct of indirecte betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers.

Tien. Tenslotte kan er ernstige kritiek geleverd worden op de overgangssituatie. Het overgangsregime kan naar onze mening niet wetgevingstechnisch door een omzendbrief worden opgelegd, maar moet zelf opgenomen worden in de wet.
Komt daarbij dat het op zijn minst verrassend is dat de gemeenten worden opgedragen de oude criteria toe te passen, uitgezonderd de economische criteria, … zodat enkel de ruimtelijke ligging overblijft, hetgeen een puur regionaal criterium is.

Wilt u hierover meer weten ?

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
24/09/2009

Dirk Van Heuven en Steve Ronse publiceren juridisch advies: Proceduremogelijkheden bij miskenning van de Handelsvestigingenwet: "Onderbreking van bouw-, verbouwings- en vestigingswerken zonder of in strijd met een sociaal-economische vergunning" (Retail Update Magazine 2009, nr. 2, 49)

Lees hier het artikel.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen, Steve Ronse
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags