14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2019

(Stedenbouwkundige) Herstelvordering door het Openbaar Ministerie

Sinds 1 maart 2018 heeft het openbaar ministerie als bevoegde overheid de mogelijkheid om een stedenbouwkundige herstelvordering in te stellen, ook als hersteleisende overheden als de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester in naam van de gemeente zelf geen herstelvordering hebben ingesteld.

In een zaak onderworpen aan het hof van beroep te Gent kwam de decreetswijziging tot stand lopende de beroepsprocedure.

Het hof van beroep is in een arrest van 25 januari 2019 soepel voor wat betreft de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolgberoep geen specifieke beroepsgrief heeft geformuleerd:

‘De herstelvordering die wordt ingesteld door een bevoegde overheid, in casu het Openbaar Ministerie, behoort tot de strafvordering in de ruime zin, maar is niettemin als een bijzondere vorm van teruggave een maatregel van burgerlijke aard. Aldus was de herstelvordering begrepen in de grief ‘vervolgberoep’ en behoort de herstelvordering die het Openbaar Ministerie voor het hof instelde tot de Saisine van het hof’.

Opmerkelijk is dit initiatief van het hof van beroep:

‘Het Openbaar Ministerie heeft geen vordering tot verbeuring van een dwangsom ingesteld, voor het geval de herstelmaatregel niet vrijwillig zou worden uitgevoerd. Het hof kan dit niet ambtshalve voorzien, doch slechts op vordering van c.q. het Openbaar Ministerie.

Overeenkomstig artikel 6.3.4. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt het hof dat als de bevolen bouw- of aanpassingswerken niet binnen de hierna gestelde termijn worden uitgevoerd, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde beklaagden’.

Referentie: Gent (10e kamer), 25 januari 2019, nr. C/111/2019 (PUB508251).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
22/10/2019

Ken je deze interessante link? Oude arresten Raad van State (1948-1994)

De KULeuven heeft alle arresten van de Raad van State van 1948 tot 1994 geInventariseerd: https://bib.kuleuven.be/rbib/collectie/online-tijdschriften/rvs/

Andere interessante links voor de rechtspraak van de Raad van State:

- Recentere arresten: http://www.raadvst-consetat.be/?lang=nl&page=caselaw
- Stamboomstructuur rechtspraak Raad van State: http://juridict.raadvst-consetat.be/index.php?lang=nl

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Interessante links, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
18/10/2019

Grondwettelijk Hof beperkt bouwmogelijkheden in landschappelijk waardevol agrarisch gebied

In het arrest van 17 oktober 2019 fluit het Grondwettelijk Hof de decreetgever terug die de vergunningverlening in de landschappelijk waardevol agrarische gebieden net wenste te vergemakkelijken.

Bedoeling hierbij was om de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van werken of handelingen in landschappelijk waardevol gebied rekening te laten houden met  de al in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw. De vergunningsaanvrager diende aan te tonen dat wat hij vraagt, landschappelijk inpasbaar is. Dat kon - sinds het nieuwe artikel 5.7.1 VCRO - aan de hand van (i) maatregelen ter bevordering van de integratie in het landschap, (ii) een verwijzing naar de landschapskenmerken uit de vastgestelde Landschapsatlas van het agentschap Onroerend Erfgoed, of (iii) een beschrijving van de clusters van bedrijvencomplexen, verspreide bebouwing en lijninfrastructuur (wegen, waterlopen, hoogspanningsleidingen, masten...) die al in het gebied aanwezig is.

Het Grondwettelijk Hof, gevat door een aantal milieuverenigingen, oordeelt dat dit artikel 5.7.1 VCRO een impliciete wijziging is van het bestemmingsvoorschriften van ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ zonder dat hierover een openbaar onderzoek werd georganiseerd waarbij de burger dus niet gehoord wordt inzake deze impliciete wijziging..

Het Hof oordeelt als volgt:

‘Ondanks die waarborgen, [die de decreetgever had ingebouwd in het artikel 5.7.1] veroorzaakt het bestreden artikel evenwel een dermate aanzienlijke achteruitgang met betrekking tot het leefmilieu dat het niet redelijk verantwoord is dat niet in inspraakmogelijkheden is voorzien. Het daaruit volgende verschil in behandeling is des te minder verantwoord nu in de regel wijzigingen in bestemmingsvoorschriften worden doorgevoerd via de vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan waarbij inspraakmogelijkheden wel aanwezig zijn, zoals nader bepaald in hoofdstuk II (« Ruimtelijke uitvoeringsplannen ») van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Er is geen enkel motief van algemeen belang op geldige wijze aangevoerd ter ondersteuning van die aanzienlijke achteruitgang in het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.’ [eigen aanduiding]

Een en ander kan o.i. een verregaande impact hebben op het bouwen of oprichten van constructies in gebieden met deze beschermende overdruk. In het bijzonder kan hier worden gedacht aan impactvolle constructies zoals windturbines, serrebouw edm.

Er wordt dus teruggevallen op de oudere en een stuk strengere regeling.

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Grondwettelijk Hof, Meindert Gees, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/10/2019

Geldt de 10-jarige aansprakelijkheid bij het uitvallen van (schuif)ramen?

Dit was het debat voor de rechtbank van eerste aanleg dat zich stelde nadat een schuifraam in een serviceflat, geëxploiteerd door een OCMW, zomaar uitviel waarbij een bewoonster licht werd gewond. Hetzelfde probleem stelt zich ook bij andere schuiframen.  In een vonnis van 2 oktober 2019 beslist de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, als volgt:

Opdat de tienjarige aansprakelijkheid van toepassing zou zijn, zijn vier voorwaarden vereist: 1) partijen moeten verbonden zijn door een aannemingsovereenkomst, 2) het gebrek moet een gebouw of een groot onroerend werk aantasten, 3) het gebrek moet ernstig zijn, 4) het gebrek moet het gevolg zijn van een fout van een ontwerper, toezichthouder of uitvoerder.

Enkel artikel t792 B.W. heeft het over het teniet gaan van het gebouw, terwijl artikel 2270 B.W. deze voorwaarde niet stelt. Vermits de Belgische rechtspraak er echter van uitgaat dat beide artikels eenzelfde toepassingsgebied hebben, is het dus niet vereist dat het gebouw geheel of gedeeltelijk zou moeten instorten om de tienjarige aansprakelijkheid in het gedrang te brengen. Om te kunnen spreken van tienjarige aansprakelijkheid moet het gebrek wel een zekere ernst vertonen. Onder een ernstig gebrek" verstaat men niet alleen het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een bouwwerk, maar is het voldoende dat het gebrek een bedreiging vormt voor de stevigheid van het gebouw of een belangrijk onderdeel ervan. Het is niet vereist dat de stevigheid van het gebouw op één bepaald ogenblik in het gedrang gebracht wordt. Het is voldoende wanneer met zekerheid kan gesteld worden dat de stevigheid op korte of lange termijn ondermijnd wordt. De rechter kan dus rekening houden met het progressief karakter van de vastgestelde schade.

Het kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk betwist worden dat het uitvallen van kamerbrede schuiframen de stabiliteit van een belangrijk deel van het bouwwerk in het gedrang brengt, temeer daar dit probleem zich kennelijk bij 5 serviceflats voordoet (wat door verweerster wordt erkend). Er is sprake van het fysiek uiteenvallen van een belangrijk deel van het bouwwerk. Het gegeven dat hierdoor niet het volledige gebouw instort is niet relevant.

Referentie: Rb. Gent 2 oktober 2019, nr. 2019/10.691, ng. (Pub507789)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags