25/04/2017

Onteigeningsdecreet gepubliceerd in Belgisch Staatsblad

Zoals aangegeven in ons eerder blogbericht zijn sinds de 6de staatshervorming de gewesten volledig bevoegd voor het onteigeningsrecht. De Vlaamse regering wenste hiervan gebruik te maken om het onteigeningsrecht te herzien en te vereenvoudigen. Het heette dat ‘Het centrale doel van één overkoepelend onteigeningsdecreet blijft de regeldruk verminderen, de proceduresnelheid vereenvoudigen en versnellen en de rechtszekerheid van alle betrokkenen verhogen.’.

Dit decreet werd vandaag op 25 april 2017 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en treedt in werking op een door de Vlaamse regering nog te bepalen datum.

Het decreet bevat o.m. een oplijsting van diverse publiekrechtelijke instanties die tot onteigening kunnen overgaan.

Geheel nieuw en alvast belangrijk voor de lokale besturen is dat deze niet langer over een onteigeningsmachtiging moeten beschikken.

De klassieke onteigeningsvoorwaarden (noodzakelijk, algemeen nut, billijke en voorafgaandelijke schadeloosstelling,…) maar ook principes zoals planologische neutraliteit edm. blijven onverkort van toepassing.

De bestuurlijke en gerechtelijke fase worden op elkaar afgestemd waarbij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de bevoegdheden overneemt van de Raad van State.

Deze nieuwe reglementering zal vanaf inwerkingtreding moeten worden afgetoetst aan de praktijk en waar nodig zullen bepaalde zaken moeten worden uitgeklaard door rechtspraak en rechtsleer.

Voor verdere informatie, contacteer ons gerust.

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen
Tags Meindert Gees, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/04/2017

Nietigheidssanctie bij afwezigheid van bodemattest kan wel degelijk misbruik van recht uitmaken

Zo oordeelt de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, in een vonnis van 4 april 2017:

‘Waar overeenkomstig artikel 116, §1, Bodemdecreet de verwerver (van het onroerend goed) de nietigheid van de overdracht kan vorderen die plaats vond in strijd met de informatieverplichtingen bedoeld in artikel 101 van dat decreet, volgt uit het cassatiearrest van 24 juni 2010 (Arr.Cass. 2010, nr. 454) dat de koper in beginsel gerechtigd is de nietigheid van de overeenkomst te vorderen indien deze is tot stand gekomen met miskenning van de informatieverplichtingen en dat het gegeven dat de verwerver afstand kan doen van de nietigheidssanctie, inhoudt dat hij daartoe in beginsel niet verplicht kan worden en de verwerver aldus in beginsel de nietigheid kan vorderen zonder dat dit rechtsmisbruik inhoudt (vgl. F. Haentjens, ‘Precontractuele informatieverplichtingen in het Bodemdecreet 2006 en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: duiding bij enkele recente arresten van het Hof van Cassatie’, RW 2012-13, (202) 203).

Het Hof van Cassatie oordeelde aldus: ‘De decreetgever bepaalde hierbij uitdrukkelijk dat de verwerver de verzaking aan de nietigheidsvordering in de authentieke akte zou kunnen laten vaststellen, wat impliceert dat de verwerver hiertoe niet kan verplicht worden en in beginsel de nietigheid van de onderhandse akte kan vorderen zonder dat dit daarom een misbruik zou uitmaken. De omstandigheid dat de verkoper het door het decreet vereiste attest aflevert na het ondertekenen van de onderhandse akte en vóór dat de authentieke akte wordt verleden, heeft aldus niet noodzakelijk tot gevolg dat de verwerver misbruik maakt van zijn recht de nietigheid te vorderen van de onderhandse overeenkomst, ook al wijst het afgeleverd attest op een afwezigheid van verontreiniging.’

Gelet op voormeld cassatiearrest kan men dan ook in alle geval niet zonder meer stellen dat, indien er geen bodemattest is op het moment van de sluiting van de overeenkomst, er daardoor steeds een nietige overeenkomst is.

Voormeld arrest kan immers niet worden gelezen in die zin dat de enkele omstandigheid dat de verkoper het bodemattest aflevert na ondertekening van de onderhandse akte, maar voor het verlijden van de authentieke akte, niet tot gevolg kan hebben dat de verwerver misbruik zou maken van zijn recht de nietigheid te vorderen, zelfs indien het bodemattest naderhand op een afwezigheid van verontreiniging wijst.

Er is immers in voormeld arrest sprake van het feit dat dit ‘niet noodzakelijk tot gevolg’ heeft dat het inroepen van de nietigheid een vorm van rechtsmisbruik zou uitmaken zodat het niet uitgesloten is dat dit in bepaalde feitelijke omstandigheden wel degelijk het geval is.’

De bewijslast om rechtsmisbruik te bewijzen is evenwel niet licht.

Referentie: Rb.Brugge 4 april 2017, ng. (pub505523)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Bodemrecht, Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/04/2017

Weer een stap vooruit: definitieve goedkeuring KB Plaatsing

Na de definitieve goedkeuring van de nieuwe overheidsopdrachtenwet op 12 mei 2016, is het eindelijk zover, het eerste uitvoeringsbesluit is een feit. 

Op 31 maart 2017 werd het ontwerp KB Plaatsing Klassieke Sectoren definitief goedgekeurd door de Federale Ministerraad nadat het eerste ontwerp werd aangepast aan het advies van de Raad van State van 23 maart 2017. Het KB Plaatsing brengt alvast heel wat vernieuwing. Voornamelijk opvallend zijn de invoering van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) en de wijzigingen inzake het regelmatigheidsonderzoek. 

Zo zullen niet substantiële onregelmatigheden niet langer tot een nietigverklaring van de offerte kunnen leiden. Enkel indien er een cumulatie/combinatie is van deze onregelmatigheden waardoor de offerte de facto substantieel onregelmatig is geworden, kan de offerte geweerd worden. Uiteraard is een goede motivering hierbij cruciaal. 

Wij kijken alvast uit naar de publicatie van het KB plaatsing in het Belgisch staatsblad en zijn benieuwd of de strakke deadline voor de inwerkingtreding van de nieuwe overheidsopdrachtenreglementering (1 juli 2017) alsnog kan worden gehaald. 

Gepost door Michelle Decruy

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Michelle Decruy, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/04/2017

Wees duidelijk over uw eigendomstitel in een procedure voor de RvVb!

In het arrest nr. RvVb/1516/1497 van 30 augustus 2016 werd aan de verzoeker in schorsing als volgt het belang ontzegd:

‘De excepties van de tussenkomende partijen hebben vooral betrekking op de bewering van de verzoekende partij dat zij optiehouder/eigenaar is van bepaalde percelen in de nabijheid van de percelen van de eerste tussenkomende partij, waar de bestreden beslissing betrekking op heeft, maar dat helemaal niet staaft.

Bovendien stellen de tussenkomende partijen dat de hoedanigheid van ‘optiehouder’ niet voldoende is om effectief belang te hebben om bij de Raad beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing.

Artikel 4.8.11, §1, 3° VCRO bepaalt:

‘Art. 4.8.11, §1. De beroepen bij de Raad kunnen door de volgende [personen] worden ingesteld:

3° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing.’

De verzoekende partij verwijst met betrekking tot haar belang om bij de Raad beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing naar de door haar in haar beroepsverzoekschrift aangevoerde middelen, zonder echter te preciseren welke hinder of nadelen zij vreest als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

De verzoekende partij stelt alleen maar dat ‘de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit de gehele economie van het RUP S. dreigt aan te tasten’ en dat de inrichting ‘zeer hinderlijk en strijdig is met de bepalingen van het RUP’.

Uit het beroepsverzoekschrift blijkt verder wel dat de verzoekende partij, in het onderdeel met betrekking tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, stelt dat acute overstromingen dreigen op haar terrein, omdat het afwateringssysteem gewijzigd wordt, zonder dat de voor- of nadelen daarvan door de adviesverlenende overheid of door derden beoordeeld zijn.

De verzoekende partij stelt dat zij ‘eigenaar/optiehouder’ is van binnen het RUP gelegen percelen, maar brengt geen enkel document bij, waaruit dat blijkt.

De Raad kan derhalve niet onderzoeken war deze percelen gelegen zijn ten opzichte van de percelen van de eerste tussenkomende partij, waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, noch welke hinder en nadelen deze percelen, als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kunnen ondervinden.’

Referentie: Pub505543-1.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Belang, Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/04/2017

Bij de opmaak van een nieuw RUP moeten alle belangen afgewogen worden, ook als ze zonevreemd of onvergund zouden zijn

Bij de opmaak van een nieuw RUP moeten alle belangen afgewogen worden, ook als ze zonevreemd of onvergund zouden zijn. Zo oordeelt de Raad van State in het arrest nr. 237.834 van 28 maart 2017:

7.1.      Artikel 1.1.4 VCRO luidt:
 
De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.”
 
 Zoals de Raad van State in zijn arrest Anckaert, nr. 214.329 van 30 juni 2011, in herinnering heeft gebracht blijkt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling het doel van het ruimtelijk ordeningsbeleid aangeeft, waarbij de duurzame ruimtelijke ordening centraal staat. De vereiste dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen benadrukt het facetmatig karakter van de ruimtelijke ordening. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van deze verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte.
 
Hoewel plannen in essentie toekomstgericht zijn, dient bij de vaststelling ervan uiteraard ook de bestaande toestand in ogenschouw te worden genomen.
 
7.2. In verzoekers bezwaarschrift wordt onder meer aangevoerd dat in strijd met artikel 1.1.4 VCRO niet werd overgegaan tot een afweging van de respectieve maatschappelijke belangen, in het bijzonder wat de bestaande bedrijvigheid op hun percelen betreft.
In de eerste bestreden beslissing wordt met betrekking tot dit bezwaar het volgende antwoord van de Gecoro geciteerd:
 
“Niet alle belangen werden afgewogen. De bestaande bedrijvigheid is niet vergund en kan nooit als vergund geacht worden (zie juridisch kader en uitspraak Hof van Cassatie met nr. p.11.0599.N/1). Ze kan bijgevolg niet de basis vormen voor afwegingen van de verschillende belangen. De huidige functie waarnaar verwezen wordt is volgens het bestaande planologische kader niet mogelijk en niet vergunbaar. Ze vormt dus geen element dat mee dient afgewogen worden conform artikel 1.1.4 van de VCRO.”
 
Nog luidens de eerste bestreden beslissing maakt de gemeenteraad zich “de overwegingen die hebben geleid” tot het advies van de Gecoro, en derhalve ook de voormelde overwegingen, uitdrukkelijk eigen.
 
7.3. De eerste verwerende partij heeft bij de opmaak van het bestreden GRUP de bedrijvigheid op verzoekers’ percelen derhalve uitdrukkelijk niet bij haar belangenafweging op grond van artikel 1.1.4 van de VCRO betrokken. Nochtans verplicht deze bepaling de plannende overheid ertoe om bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan ook met de economische gevolgen ervan rekening te houden.
 
7.4. De omstandigheid dat een deel van de gebouwen of bedrijvigheid op verzoekers’ percelen zonevreemd zou zijn, zonder dat met betrekking tot deze zonevreemdheid een veroordeling blijkt voor te liggen, doet aan de voormelde verplichting geen afbreuk. De verwijzing in het advies van de Gecoro naar het arrest van het Hof van Cassatie nr. P.11.0599.N/1 van 6 december 2011 betreft geenszins de toepassing van artikel 1.1.4 van de VCRO bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan en mist te dezen pertinentie. 
 
7.5. De door de tweede verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat blijkens het richtinggevend gedeelte van het GRS (p. 44), zoals overgenomen in de toelichtende nota bij het GRUP (p. 18), het kwestieuze gebied op basis van de criteria van de omzendbrief RO2000/01 gesitueerd wordt in een zone 1, waarin de ruimtelijke draagkracht beperkt is, waar vanuit ruimtelijk oogpunt de activiteit van een zonevreemd bedrijf niet verenigbaar is met de aanwezige hoofdfunctie of met mogelijk[e] potenties van de zone, de bestaande activiteiten […] de mogelijkheid [dienen] te krijgen om zich op korte of middellange termijn te herlokaliseren naar een lokaal bedrijventerrein binnen de gemeente en bij stopzetting van activiteiten […] geen nieuwe zonevreemde activiteiten meer [kunnen] opgestart worden, houdt voor de eerste verwerende partij nog geen vrijgeleide in om bij de opmaak van het GRUP volledig aan de economische gevolgen van het GRUP voor verzoekers’ percelen voorbij te gaan.
 
Bovendien is luidens het GRS, naast een gebiedsgerichte benadering, ook een bedrijfsspecifieke afweging vereist, waarbij de gebiedsgerichte afweging […] naargelang het bedrijf verder [kan] verfijnd worden, waarbij het afwegingskader gebruikt [kan worden] binnen het specifieke beleidskader voor bedrijven buiten bedrijventerreinen, waarbij bepaalde criteria (aard van de activiteiten, ontsluiting,…) […] reeds [zijn] aangehaald binnen de gebiedsgerichte benadering, en meerdere andere criteria bedrijf per bedrijf [moeten] getoetst worden, waaronder sociaal- en bedrijfseconomische criteria, die onder meer de economische dynamiek en rentabiliteit van het bedrijf (investeringen in de laatste 5 à 10 jaar) en de tewerkstellingsdynamiek van het bedrijf omvatten. Op basis van deze afweging dienen voor elk bedrijf afzonderlijk specifieke ontwikkelingsperspectieven opgesteld te worden, die zullen worden vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan (GRS, richtinggevend gedeelte, p. 45). 
 
7.6.      Het tweede onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Referentie: pub4798-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags