07/06/2017

Nu ook prejudiciële vraagstelling in verband met overgangsregeling met betrekking tot vervaltermijn van handelsvestigingsvergunningen

In ons eerder blogbericht berichtten we u over het beperkt vernietigingsberoep dat werd ingesteld tegen het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid en meer in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 52 en 59, 4° DIH.

Inmiddels werden in het kader van een vernietigingsprocedure van een handelsvestigingsvergunning voor de Raad van State bij arrest nr. 238.415 van 6 juni 2017 volgende bijkomende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

  1. Schenden de artikelen 52 j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat handelsvestigingsvergunningen die na 1 juli 2014 vervallen zijn alsnog herleven, terwijl handelsvestigingsvergunningen die op 1 juli 2014 reeds vervallen waren niet herleven, zelfs al wordt aan de inhoudelijke voorwaarden van artikel 52 voldaan?
  2. Schenden de artikelen 52, 1ste lid j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° artikel 6, 1° EVRM j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat vervallen handelsvestigingsvergunningen komen te herleven als gevolg van een vernietigingsprocedure bij de Raad van State die door derden-belanghebbenden werd ingesteld op een ogenblik dat dit vernietigingsberoep dergelijk effect niet had, a fortiori indien de houder van de handelsvestigingsvergunning geen gebruik heeft gemaakt van de verlengingsmogelijkheid van artikel 13 Handelsvestigingswet?
  3. Schenden de artikelen 52, 2de lid j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat de koppeling tussen de handelsvestigingsvergunning, de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning met terugwerkende kracht wordt ingesteld op alle handelsvestigingsvergunningen die nog niet waren vervallen op 1 juli 2014 in plaats van op alle handelsvestigingsvergunningen die werden aangevraagd na 1 juli 2014?
  4. Schendt artikel 52, 2de lid Handelsvestigingsdecreet in die interpretatie dat geen rekening wordt gehouden met definitief geweigerde stedenbouwkundige vergunningen, alhoewel zij dateren van na 1 juli 2014 en na afgifte van de handelsvestigingsvergunning, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet j° artikel 6, 1° EVRM doordat de vervaltermijn van de op 1 juli 2014 niet vervallen handelsvestigingsvergunning geschorst blijft zolang geen definitieve stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning is verleend, terwijl de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning van rechtswege vervallen indien de gekoppelde vergunning definitief geweigerd wordt

Wordt vervolgd...

Aarzel alvast niet ons te contacterne mocht u hierover vragen en/of opmerkingen hebben!  

05/06/2017

Platform e-Procurement tijdelijk offline (tussen 28/6 en 4/7/2017)

Het Team e-Procurement heeft volgend rondschrijven uitgestuurd:

'Op 30 juni 2017 treedt de nieuwe wetgeving overheidsopdrachten in werking (zie o.a. KB plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, BS 09/05/2017).

Om de e-Procurement applicaties te kunnen aanpassen aan deze nieuwe regelgeving, zal het volledige e-Procurement platform offline zijn van woensdagavond 28 juni 2017 (18u) tot dinsdagochtend 4 juli 2017 (6u).

Gedurende deze periode zullen alle applicaties onbereikbaar zijn, zowel voor ondernemingen als voor aanbestedende overheden.


 Afhankelijk van de instellingen in je zoekprofiel(en) ontvang je op 29/06 nog de messaging met gepubliceerde aankondigingen. De aankondigingen zelf zal je evenwel pas kunnen raadplegen zodra het e-Procurement platform terug online is.

Vanaf dinsdag 4 juli 2017 om 6u zal het volledige platform terug beschikbaar zijn. Om ondernemers voldoende tijd te bieden om aanvragen tot deelneming of offertes in te dienen via e-Tendering, zullen aanbestedende overheden hun dossiers daar pas ten vroegste vanaf donderdag 6 juli 2017 kunnen openen.

Voor ondernemers heeft de nieuwe wetgeving geen zichtbare impact op de werking van het e Procurement platform. Wel dien je rekening te houden met de wettelijke bepaling dat elektronische handtekeningen voortaan enkel nog aanvaard kunnen worden voor zover zij geplaatst werden op het indieningsrapport. Het digitaal ondertekenen van individuele documenten volstaat m.a.w. niet langer om rechtsgeldig een aanvraag tot deelneming of offerte in te dienen. Meer informatie over dit onderwerp vind je in onz handleiding e-Tendering voor ondernemers.

Bij verdere vragen kan je ook steeds contact opnemen met onze helpdesk'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/06/2017

Geen fiscaal gunstregime voor commerciële activiteiten intercommunales

Dit principe heeft het Grondwettelijk Hof bevestigd in het arrest nr. 66/2017 van 1 juni 2017:

'B.5. Artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales vervangt artikel 17 van de wet van 1 maart 1922 omtrent de vereeniging van gemeenten tot nut van ’t algemeen, met dien verstande dat de woorden of enig andere publiekrechtelijke persoon » zijn toegevoegd.

De in het geding zijnde bepaling, net als de bepaling die zij heeft vervangen, gaat terug op artikel 13 van de wet van 18 augustus 1907  betreffende de ereenigingen van gemeenten en van particulieren tot het inrichten van waterleidingen (Belgisch Staatsblad van 5 september 1907). De fiscale vrijstelling van de intercommunales werd tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet als volgt toegelicht :

"De maatschappijen waarop dit wetsontwerp betrekking heeft, zijn opgericht met een doel van algemeen belang; zij nemen de taak op zich een gemeentelijke plicht te vervullen: het lijkt rechtmatig hun het vervullen van die taak te vergemakkelijken door hun de fiscale voordelen toe te kennen die de gemeenten, in wier plaats zij optreden, zouden genieten' (Pasin., 1907, p. 206 – eigen vertaling).


Uit die toelichting kan worden afgeleid dat de wetgever de intercommunales wilde vrijstellen van belastingen waaraan de gemeenten niet waren onderworpen. Daar ze activiteiten vervulden die betrekking hadden op de behartiging van doelstellingen van gemeentelijk belang, had de wetgever het rechtmatig geacht de intercommunales aan hetzelfde fiscaalrechtelijke stelsel te onderwerpen als de gemeenten.

B.6. Recenter heeft de wetgever die keuze echter heroverwogen. Ten aanzien van de fiscale regeling ervan heeft hij immers vastgesteld dat de automatische vrijstelling van de intercommunale structuren van de vennootschapsbelasting in het verleden concurrentieverstoringen met privéoperatoren heeft kunnen doen ontstaan. De verruiming van het werkterrein van de intercommunale structuren heeft tot gevolg gehad dat sommige van die structuren thans als economische operatoren kunnen worden beschouwd die concurreren met privéondernemingen. De wetgever behoudt het voordeel van een gunstigere fiscale regeling
voortaan uitsluitend voor aan de intercommunale structuren die geen onderneming exploiteren of zich niet bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard.

 

B.7. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de noodzakelijkheid van een algemene uitzondering op de fiscale bevoegdheid van de gemeenten ten aanzien van de
intercommunales wat commerciële activiteiten betreft die zij in rechtstreekse concurrentie met de privésector uitoefenen, niet meer is aangetoond.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Aldus geïnterpreteerd dat het elke vorm van belasting van de intercommunales, met betrekking tot commerciële activiteiten die rechtstreeks concurreren met de privésector, uitsluit, schendt artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Intergemeentelijke Samenwerking, Lokale belastingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/05/2017

Aangepaste beslissingsboom omgevingsvergunning (23/2/2017 - 1/1/2018)

Gelet op de aanhoudende problemen met de software voor het digitaal indienen van omgevingsvergunningsaanvragen werd de huidige overgangsregeling verlengd tot en met 11 januari 2018. U leest hierover alles in ons eerder blogbericht

De aangepaste beslissingsboom vindt u hieronder:

Beslissingsboom.PNG

De tekst van het spoeddecreet vindt u hier

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Omgevingsvergunning, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
15/05/2017

Beperkt vernietigingsberoep tegen het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid

Op 29 juli 2016 werd het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid (DIH) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Met verzoekschriften van 26 januari 2017 werd door de stad Vilvoorde en nv Alcovil een beroep tot vernietiging van de artikelen 52 en 59, 4° DIH aangetekend bij het Grondwettelijk Hof (rolnrs. 6603 en 6604).

Artikel 52 DIH voert een overgangsregeling in met betrekking tot de vervaltermijn van de op datum van de regionalisering van de handelsvestigingsmaterie (1 juli 2014) nog geldende handelsvestigingsvergunningen: 

'De vervaltermijn voorzien in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen voor nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen die verleend werden
met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen en de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, wordt geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad van State en zolang een beroep tot vernietiging van eventuele andere vergunningen, machtigingen of toelatingen, benodigd voor het project, aanhangig is bij de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Dezelfde vervaltermijn, wanneer van toepassing op een socioeconomische vergunning voor een handelsvestiging waarvoor eveneens een stedenbouwkundige of een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning of de milieuvergunning niet definitief werd verleend. In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen pas in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning en/of de milieuvergunning definitief wordt verleend.'


Artikel 59, 4° DIH regelt de inwerkingtreding van artikel 52 DIH. Het artikel heeft meer in het bijzonder een retroactieve uitwerking vanaf 1 juli 2014.

Verzoekende partijen voeren volgende grieven aan tegen de artikelen 52 en 59, 4° DIH:

  • Zij voeren beiden aan dat de verantwoording van artikel 59, 4°, DIHB die is opgenomen in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het bestreden decreet niet volstaat om de terugwerkende kracht ervan te rechtvaardigen. Zij menen bovendien dat niet is aangetoond waarom de terugwerkende kracht onontbeerlijk zou zijn;
  • Volgens de stad Vilvoorde ligt er ook een schending voor van de bevoegdheidsverdelende regeling, in zoverre de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB tot gevolg heeft dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven. Zij meent dat de decreetgever op het ogenblik van het goedkeuren van de bestreden regeling op grond van artikel 6, §5bis, BWHI, de regeringen van de betrokken gewesten in kennis had moeten stellen van de ontwerpen van handelsvestiging die onder het toepassingsgebied van deze bepaling van de bijzondere wet vallen;
  • Volgens de stad Vilvoorde zou de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB bovendien niet in overeenstemming zijn met het Europees recht, aangezien dit volgens haar tot gevolg zou hebben dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven, zonder dat er bij de initiële vergunning een milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd, en zonder dat bij het opnieuw goedkeuren, door middel van de bestreden bepaling, een milieueffectenbeoordeling heeft plaatsgevonden;
  • De NV Alcovil meent tot slot dat de precieze draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van artikel 52 DIHB niet duidelijk zijn, wat tot rechtszonzekerheid zou leiden.

Ook de Vlaamse regering meldde inmiddels zijn tussenkomst bij het Grondwetttelijk Hof (lees hier de mededeling van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport aan d V laamse regering).

Wordt ongetwijfeld vervolgd... 

 

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Grondwettelijk Hof, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags