21/12/2016

Geen toets van een handelsvestigingsvergunningsaanvraag aan een Beleidsvisie Detailhandel mogelijk

Zo oordeelt de Raad van State in het arrest nr. 236.757 van 13 december 2016:

'Ofschoon de verwerende partij voorhoudt dat de planologische verenigbaarheid van het gevraagde, gelet op het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, enkel binnen het criterium van “de bescherming van het stedelijk milieu” en niet binnen het criterium van “de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging” moet worden beoordeeld, heeft zij deze verenigbaarheid in de bestreden beslissing enkel onder de hoofding “[d]e inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon” van het laatst vermelde criterium onderzocht. Daarbij heeft de verwerende partij niet alleen het toepasselijke gewestplan en provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, maar ook de Beleidsvisie Detailhandel van de stad L. rechtstreeks bij de planologische toets betrokken, en heeft zij de aanvraag uitdrukkelijk geweigerd wegens het in de Beleidsvisie Detailhandel vooropgestelde verbod tot uitbreiding van bestaande grootschalige detailhandelszaken, als ware dit een stedenbouwkundig bestemmingsvoorschrift.

De verwerende partij wijst er in de bestreden beslissing zelf op dat de opmaak van het RUP “L-C”, dat zich naar de randvoorwaarden van de Beleidsvisie Detailhandel zal richten, eerst in januari 2015 werd aangevat. Niettegenstaande dit RUP derhalve nog geen gelding had, past zij deze beleidsvisie toe alsof het een reglementaire akte betrof. 6.4. De toepassing van de Beleidsvisie Detailhandel als een akte met reglementaire waarde in het kader van de planologische toets, houdt een motiveringsgebrek in en vitieert de bestreden beslissing'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/12/2016

Kernwinkelgebieden en winkelarmegebieden af te bakenen middels RUP of verordening?

Artikel 10, §1 van het Decreet Integraal Handelsvestigingenbeleid zal in de nabije toekomst (deze bepaling is immers nog niet in werking) toelaten om kernwinkelgebieden en winkelarmegebieden af te bakenen door middel van een stedenbouwkundige verordening of door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan, maar zegt er niet bij wanneer voor het een of het ander instrument moet worden gekozen.

Wij menen dat voor een verordening kan worden gekozen indien binnen de woongebieden in het gewestplan kernwinkelgebieden en winkelarmegebieden worden afgebakend, met slechts enkele stedenbouwkundige voorschriften. Desgevallend kan ook voor een verordening gekozen worden indien aanvullende voorschriften worden ontwikkeld voor dienstverleningsgebieden of nog om de voorschriften van woon- en winkelgebieden in ruimtelijke uitvoeringsplannen aan te vullen. Uiteraard kan nooit voor een verordening gekozen worden indien wordt afgeweken van bestaande bestemmingsvoorschriften.

Uitgangspunt lijkt ons te moeten zijn dat hoe complexer de voorschriften, hoe meer gekozen moet worden voor een RUP.

We maken tenslotte de bedenking dat de planningsinstrumenten van het Decreet Integraal Handelsvestigenbeleid mogelijks en zelfs wellicht het voorwerp zullen uitmaken van een prejudiciële vraagstelling bij het Grondwettelijk Hof. Een zeer voorzichtige gemeente kan ervoor opteren om deze uitspraak af te wachten.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/10/2016

Heeft de verhuurder van een handelsgeheel geen belang om bij de Raad van State op te komen tegen een concurrerend handelsgeheel?

Zo lijkt de Raad van State alvast te suggereren in het arrest nr. 236.030 van 7 oktober 2016:

‘Verder dient vastgesteld dat verzoekende partij zelf met de bestreden [handelsvestiging] een vergelijkbare kleinhandel uitbaat. Zij kan derhalve niet geacht worden zich een rechtstreeks concurrentiële positie met deze laatste te bevinden. Een concurrentieel belang in hoofde van de verzoekende partij wordt niet aangenomen.

Verzoeksters betoog in haar laatste memorie dat zij de uitbater is van het handelsgeheel maakt haar belang evenmin aannemelijk, temeer nu niet blijkt dat zij in dit verband over een handelsvestigingsvergunning zou beschikken.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/09/2016

Raad van State legt bom onder stilzwijgende handelsvestigingsvergunning

In een arrest nr. 235.278 van 30 juni 2016 komt de vraag aan bod of de Dienstenrichtlijn de bevoegdheid van de Raad van State tegen een stilzwijgende handelsvestigingsvergunning uitsluit.

De Raad van State antwoordt als volgt:

Artikel 13, derde en vierde lid, van de Dienstenrichtlijn luidt:

‘Vergunningsprocedures en –formaliteiten bieden de aanvragers de garantie dat hun aanvraag zo snel mogelijk en in elk geval binnen een redelijke, vooraf vastgestelde en bekend gemaakte termijn wordt behandeld. Deze termijn gaat pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het onderwerp mag de termijn éénmaal voor een beperkte duur door de bevoegde instantie worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden met redenen omkleed en worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.

Bij het uitblijven van een antwoord binnen de overeenkomstig lid 3 vastgestelde of verlengde termijn wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Andere regelingen kunnen niettemin worden vastgesteld, wanneer dat gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.’

Noch artikel 13, vierde lid, eerste volzin, van de Dienstenrichtlijn, aangenomen dat deze laatste te dezen toepassing vindt, noch artikel 8, §3 van de handelsvestigingenwet, sluiten op enige wijze de toegang van derden tot de rechter tegen een stilzwijgend verleend vergunning uit, of blijken de bevoegdheid van de Raad van State om de interne en externe wettigheid van dergelijke vergunning te controleren, op enige wijze te beperken.

Uit deze bepalingen volgt geenszins een ‘subjectief recht’ op een vergunning in hoofde van de tussenkomende partij, bij ontstentenis van een tijdige betekening van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over haar aanvraag.’

Verder onderzoekt de Raad van State de exceptie van de houder van de stilzwijgende vergunning dat de Dienstenrichtlijn zich verzet tegen het vergunningstelsel van de ‘sociaal-economische vergunningen’. Het blijkt volgens tussenkomende partij niet dat er dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningenstelsel verantwoorden én dat het doel van het stelsel niet door een minder beperkte maatregel kan worden bereikt, zoals vereist door artikel 9 van de Dienstenrichtlijn'.

De Raad gaat uitvoerig in op deze exceptie, zonder standpunt in te nemen of de Dienstenrichtlijn nu wel of niet van toepassing is op handelsvestigingen. Eerder had de Nederlandse Raad van State geoordeeld dat dit niet het geval is.

De Raad van State antwoordt als volgt op de exceptie:

‘Hierna wordt in dit arrest uitgegaan van de hypothese dat de dienstenrichtlijn te dezen daadwerkelijk van toepassing is, evenwel zonder dat over de juistheid van dat uitgangspunt uitspraak wordt gedaan. 8.3. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State vormt een potentiële nadelige invloed op de eigen markt- en concurrentiepositie een voldoende en geldig belang om een aan een concurrent verleende socioeconomische vergunning in rechte te bestrijden. 8.4. Luidens artikel 14, 5), van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen: […] de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang”.

Dat de Raad van State een concurrentieel nadeel als een afdoende belang bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning aanneemt, is één zaak, dat de onder randnummer 8.4 vermelde bepaling van de dienstenrichtlijn economische criteria bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag tot toegang tot of tot uitoefening van een dienstenactiviteit verbiedt, een andere, waarbij het laatste het eerste niet verhindert. De door de tussenkomende partij onder randnummer 7.2.3 gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die in wezen een kritiek inhoudt op de jurisprudentiële invulling van het bij de Raad van State vereiste belang, wordt niet gesteld.

De bestreden handelsvestigingsvergunning betreft een supermarkt van A.H.. De eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij baten evenzeer een supermarkt uit, respectievelijk een G. en een E.. Voorts blijken de onderscheiden activiteiten van de tussenkomende partij, enerzijds, en van de verzoekende partijen, anderzijds, zich beide op het grondgebied van de gemeente Ham, op een relatief beperkte afstand – de eerste verzoekende partij op ongeveer 1100 m, de tweede verzoekende partij op ongeveer 400 m – van elkaar te situeren. De handelszaken van de tussenkomende en de verzoekende partijen bevinden zich derhalve in elkaars commerciële invloedssfeer.

De potentiële nadelige invloed van de bestreden beslissing op verzoekers‟ handelspositie, zoals die uit de gegevens van het dossier afdoende blijkt, maakt verzoekers‟ belang bij het beroep tegen de eerste bestreden beslissing voldoende aannemelijk.

Het standpunt van de tussenkomende partij, als zou haar vestiging “niet afhankelijk [kunnen] worden gesteld van een vergunning”, gelet op het niet voldaan zijn van de artikelen 9 en 10 van de dienstenrichtlijn, opnieuw aangenomen dat deze laatste in casu toepassing vindt, kan niet worden bijgetreden, gelet op wat volgt.

Luidens artikel 9, eerste lid, van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter; b) de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn”.

Luidens artikel 10, eerste lid, van de dienstenrichtlijn, “[…] zijn [v]ergunningstelsels […] gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen”. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel zijn de voormelde criteria: a) nietdiscriminatoir; b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredig met die reden van algemeen belang; d) duidelijk en ondubbelzinnig; e) objectief; f) vooraf openbaar bekendgemaakt; g) transparant en toegankelijk. Luidens artikel 7, § 2, eerste en tweede volzin, van de handelsvestigingenwet moet bij het opstellen van het advies van het NSECD “de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, de bescherming van het stedelijk milieu en de bescherming van de consument, alsook het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht in aanmerking worden genomen”. “De Koning kan deze criteria aanvullen of verduidelijken door een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. Het koninklijk besluit van 22 februari 2005 „tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier‟ (hierna: het koninklijk besluit van 22 februari 2005) verduidelijkt de voormelde criteria in zijn artikelen 2 tot en met 5 als volgt:  “Art. 2. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de ruimtelijke ligging zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen […] : 1° de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon; 2° de bereikbaarheid van de nieuwe vestiging via het openbaar vervoer en via individuele transportmiddelen. Art. 3. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de bescherming van het stedelijk milieu zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid; 2° Het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten. Art. 4. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de consumentenbescherming zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° de naleving van de vigerende wetgeving inzake consumentenbescherming. Art. 5. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de sociale en arbeidswetgeving zoals bepaald in artikel 7, § 2, lid 1 van de wet worden volgende elementen in overweging genomen : 1° de naleving van de sociale wetgeving; 2° de naleving van de arbeidswetgeving.”

Het loutere betoog van de tussenkomende partij dat er geen dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningsstelsel verantwoorden, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, b), van de dienstenrichtlijn, wordt noch aangetoond, noch aannemelijk gemaakt. Deze partij gaat eraan voorbij dat in de voorbereidende werkzaamheden van de handelsvestigingenwet wordt bepaald dat “[d]e doelstelling van het ontwerp [...] niet [is] de basisprincipes [...] te wijzigen” van de wet van 29 juni 1975 „betreffende de handelsvestigingen‟. Luidens de voorbereidende werken van deze laatste wet verantwoorden “[d]e omvang en de verscheidenheid” van onder meer de volgende “invloeden”, “de tussenkomst van de wetgever”: “de tewerkstelling van arbeiders en zelfstandigen” en “de ruimtelijke ordening en de hiërarchie der steden” (Parl. St. Senaat, 1974-1975, 584/1, 1). De voorbereidende werken van de huidige handelsvestigingenwet noemen verder onder meer “de leefbaarheid van de handelscentra in de steden [...] waarborgen”, “een beperking van een te grote mobiliteit” en het “waken over de ontwikkeling van de tewerkstelling” als doelstellingen” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3).

De handelsvestigingenwet blijkt aldus afdoende redenen te reveleren die een vergunningsstelsel verantwoorden. Minstens toont de tussenkomende partij het tegendeel niet aan. Van dit tegendeel overtuigt ook haar betoog niet dat de handelsvestigingenwet geen vergunningsvoorwaarden vastlegt ter beoordeling van de aanvraag van een handelsvestiging met een netto winkeloppervlakte kleiner dan 1.000 m², en de wettelijke criteria enkel relevant zijn voor het advies van het NSECD. Blijkens de voorbereidende werkzaamheden zag de wetgever het immers als een evidentie dat het college de aanvraag aan de hand van de bedoelde criteria zou onderzoeken, waar, ook in verband met “de commerciële projecten waarvan de netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m² is begrepen”, wordt gesteld dat “[d]e beslissing van het College […] uiteraard [wordt] gemotiveerd ten aanzien van de voornoemde criteria” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 5). In verband met het sociaal-economisch dossier dat luidens artikel 5 van de handelsvestigingenwet bij de aanvraag moet worden gevoegd, wordt zonder meer gesteld dat dit de nodige elementen dient te bevatten opdat het NSECD een gemotiveerd advies zou kunnen uitbrengen “en opdat de gemeente een gemotiveerde beslissing zou kunnen nemen ten aanzien van de criteria, ingeschreven in de wet (artikel 7, § 2)” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 10). “Om te antwoorden op de bemerking van de Raad van State wat betreft de toepassing van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motiveringsplicht”, luidt het, in verband met de projecten met een netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m², dat “de beslissing, zoals elke gemeentelijke beslissing [is] gemotiveerd” en dat “[d]eze motivatie moet gebeuren ten aanzien van de criteria van artikel 7, § 2” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 12). Opgemerkt dient ook dat de tussenkomende partij in haar aanvraag van de bedoelde criteria is uitgegaan, en dat deze criteria door de eerste verwerende partij bij haar onderzoek werden betrokken, zoals blijkt uit haar beslissing van 16 juni 2014 (zie randnummer 3.4).

De tussenkomende partij blijkt in haar laatste memorie voor te houden dat de kwestieuze criteria, zoals omschreven in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet en verduidelijkt in de artikelen 2 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, discriminatoir, niet gerechtvaardigd, niet evenredig, niet duidelijk en ondubbelzinnig, niet objectief, niet kenbaar, transparant en toegankelijk, zijn, maar toont dit niet aan. Er dient in dit verband op gewezen dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 uitdrukkelijk vermeldt dat het sociaal-economisch dossier, zoals dit aan het college van burgemeester en schepenen moet worden gericht, “wordt samengesteld op basis van de criteria zoals gestipuleerd in het artikel 7, § 2 van de wet”. Herhaald dient ook dat de aanvraag van de tussenkomende partij aan de hand van de kwestieuze criteria is opgesteld.

Evenmin wordt aangenomen dat het doel van het vergunningsstelsel, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, c, van de dienstenrichtlijn, door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, mede in acht genomen de omstandigheid dat, blijkens de voorbereidende werken, de handelsvestigingenwet speciaal aan de belangen van de vergunningsaanvrager heeft willen tegemoetkomen bij het invoeren van dit stelsel. Gesteld wordt meer bepaald dat “[d]e algemene opzet van het wetsontwerp […] een belangrijke verbetering [beoogt] door een eenvoudiger en meer doorzichtige procedure voor toekenning van de socio-economische vergunning en door de instelling van strikte termijnen die voordelig zijn voor de aanvrager. Er wordt eveneens voorzien in een unieke beroepsprocedure” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3). 8.9. Gelet op het voorgaande, inbegrepen randnummer 6.3, kan het betoog van de tussenkomende partij dat zij een subjectief recht op een handelsvestigingsvergunning zou bezitten, niet worden bijgetreden. In zoverre de tussenkomende partij verzoekers‟ belang op grond van deze premisse betwist, dient haar exceptie verworpen te worden. 8.10. Eveneens in het licht van het voorgaande, dient de door de tussenkomende partij in haar memorie tot tussenkomst gesuggereerde prejudiciële vraag (randnummer 7.2.1) en in haar laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vraag daargelaten nog de vraag naar de tijdigheid van deze laatste, niet te worden gesteld.

Aldus is de 'oude' Handelsvestigingenwet geerd.

De Raad van State gaat vervolgens over tot vernietiging van de stilzwijgende handelsvestigingsvergunning wegens strijdigheid met de motiveringsplicht:

‘De bestreden beslissing betreft een impliciete beslissing, die zelf geen enkel formeel motief bevat dat de inwilliging van de aanvraag zou kunnen schragen. Integendeel blijkt de impliciete beslissing enkel het gevolg van het verstrijken van de in artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bedoelde betekeningstermijn. Dat die impliciete beslissing daarvan het resultaat is, reveleert, anders dan de tussenkomende partij dit ziet, nog geen inhoudelijk, afdoend materieel, motief om de kwestieuze aanvraag in te willigen.

Het administratief dossier blijkt evenmin enig stuk of gegeven te bevatten dat het verlenen van de vergunning voor het project kan schragen, integendeel.

Gelet op wat voorafgaat, moet een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel door de bestreden beslissing worden aangenomen.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Stilzwijgende beslissingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/09/2016

Een ‘handelsvestigingenconvenant’ kan de onpartijdigheid van de handelsvestigingsvergunningverlenende overheid ondermijnen

Zo oordeelt alvast de Raad van State in een arrest nr. 235.392 van 7 juli 2016.

‘De door verzoeker aangevoerde omstandigheden dat de verwerende partij eigenaar is van het merendeel van de terreinen en gebouwen van het kwestieuze project, dat zij aan de tussenkomende partij een volmacht heeft gegeven tot het indienen van de verkavelingsaanvraag, en vervolgens een verkavelingsvergunning en stedenbouwkundige vergunning voor het kwestieuze project heeft verleend, volstaan niet om te dezen een schending van de in het middel aangevoerde beginselen aan te nemen.

Dit geldt evenwel niet voor wat het ‘convenant met betrekking tot de realisatie van het parkeer-, woon-, winkel- en werkproject ‘Havenkwartier’ te Hasselt’ betreft.  Luidens dit convenant stelt de verwerende partij zich – samen met de tussenkomende partij en Unizo – ‘tot doel het Project Havenkwartier te realiseren en ‘engag[eert] zich om daartoe maximaal samen te werken en alle nodige en nuttige inspanningen te leveren’.

De tussenkomende partij engageert zich met het convenant, ondermeer, om voor het winkelgedeelte van het project Kanaalkom een socio-economische vergunning aan te vragen, waarin onder andere de beperkingen worden opgenomen dat de totaal aan te vragen netto-handelsoppervlakte 21.699 m² zal bedragen. Binnen deze oppervlakte worden ‘qua m² mode-artikelen’, ‘[m]aximaal 6.000 m² netto-handelsoppervlakte in modules kleiner dan 2.000 m²’ en ‘[m]aximaal 3.500 m² netto-handelsoppervlakte in modules groter dan 2.000 m²’ als beperkingen voorzien. Opgemerkt moet worden dat de kwestieuze aanvraag, overeenkomstig het engagement van de tussenkomende partij, effectief in een netto-handelsoppervlakte van 21.699 m² voorziet, en dat de netto-handelsoppervlakte, wat mode-artikelen betreft, eveneens overeenkomstig dit engagement, 9.500 m² bedraagt.

De verwerende partij, van haar kant, engageert zich – naast Unizo – ‘om deze socio-economische aanvraag te ondersteunen en waar nodig (o.a. Nationaal Sociaal-Economisch Comité en desgevallend Interministerieel Comité voor de Distributie en/of de Raad van State) te bevestigen dat deze aanvraag tot socio-economische vergunning met bovenvermelde beperkingen het resultaat is van uitgebreid voorafgaand overleg en in de visie van alle partijen voldoet aan de vereisten voor een complementair en kwalitatief en kernversterkend project dn zal bijdragen tot een grotere uitstraling van Hasselt als winkelstad’.

De voormelde engagementen worden in het convenant ‘het resultaat’ genoemd ‘van uitgebreid voorafgaand overleg van de eigenaar/projectontwikkelaar met het stadsbestuur en de vertegenwoordigers van de middenstandsorganisaties’, en ‘bieden alle partijen de nodige garanties dat het project Kanaalkom zich niet alleen op vlak van parkeergelegenheid en woongelegenheid als een vernieuwd stadsdeel zal verweven met de bestaande binnenstad, maar ook op commerciaal vlak zich als complemantair en kernversterkend project zal ontwikkelen dat op duurzame wijze zal bijdragen tot een grotere en kwalitatievere uitstraling van Hasselt als winkelstad’.

Gelet op de bijzondere, beschreven verbintenissen die de verwerende partij in dit convenant heeft aangegaan, en die de inhoud van de kwestieuze handelsvestigingsvergunning betreffen, valt niet in te zien hoe zij in alle objectiviteit, zonder vooringenomenheid en zonder gebonden te zijn door deze eerder aangegane overeenkomsten, de kwestieuze vergunningsaanvraag heeft kunnen beoordelen. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing tot stand gekomen is met schending van het onpartijdigheidsbeginsel.

De tussenkomende en de verwerende partij stellen terecht dat het onpartijdigheidsbeginsel geen toepassing kan vinden op een orgaan van actief bestuur, zoals te dezen het college van burgemeester en schepenen, indien die toepassing onverenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van dat bestuur, en de toepassing van dit beginsel het optreden van dit orgaan onmogelijk zou maken. Dit laatste blijkt in casu echter niet op te gaan. Weliswaar is het college van burgemeester en schepenen op grond van de artikelen 5 en 8 van de handelsvestingenwet de bevoegde overheid om over de handelsvergunningsaanvraag te beslissen, doch de verwerende partij was er geenszins toe gehouden om het kwestieuze convenant te sluiten, noch toont zij aan of maakt zij aannemelijk dat zij niet eerst nog kon terugkomen op de in het convenant aangegane verbintenissen.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Dit arrest houdt geen rekening met de het Decreet Integraal Handelsvestigingenbeleid.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht