22/08/2017

Advocaat-generaal bij het Hof van Justitie: detailhandel wordt wel degelijk gevat door de Dienstenrichtlijn

De retailwereld zat erop te wachten en inmiddels is de conclusie van de advocaat-generaal M. Szpunar van 18 mei 2017 in het dossier op verzoek van de Nederlandse Raad van State beschikbaar.

Lees hier het volledige advies van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal komt tot de conclusie dat:

- detailhandel/retail - in de zin van de verkoop aan consumenten van goederen, zoals schoenen en kleding - een dienst is in de zin van de Dienstenrichtlijn

- een bestemmingsplan (ruimtelijk uitvoeringsplan) geen 'vergunningsstelsel' is

- een bestemmingsplan waarin bepaalde soorten detailhandel (assortimenten) worden toegestaan of verbonden gerechtvaardigd kunnen worden mits aangetoond wordt dat daarmee op evenredige wijze de bescherming van het stedelijk milieu wordt nagestreefd.

In Nederland zijn al enkele commentaren gepubliceerd over het advies:

- https://poelmannvandenbroek.nl/nieuwsflits-advocaat-generaal-szpunar-hof-van-justitie-concludeert-vragen-raad-van-state-toepassing-dienstenrichtlijn-bij-detailhandelsbestemmingen/
- http://www.minbuza.nl/ecer/nieuws/2017/05/a-g-adviseert-verduidelijking-van-eu-dienstenrichtlijn.html
- https://europadecentraal.nl/ag-spreekt-zich-uit-de-dienstenrichtlijn/
- https://nl.linkedin.com/pulse/ag-szpunar-toetst-bestemmingsplan-aan-en-oordeelt-dat-allard-knook

Het is nu wachten op het arrest van het Hof van Justitie. Ook in Vlaanderen is men geïnteresseerd in de uitkomst.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/06/2017

Nu ook prejudiciële vraagstelling in verband met overgangsregeling met betrekking tot vervaltermijn van handelsvestigingsvergunningen

In ons eerder blogbericht berichtten we u over het beperkt vernietigingsberoep dat werd ingesteld tegen het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid en meer in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 52 en 59, 4° DIH.

Inmiddels werden in het kader van een vernietigingsprocedure van een handelsvestigingsvergunning voor de Raad van State bij arrest nr. 238.415 van 6 juni 2017 volgende bijkomende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

  1. Schenden de artikelen 52 j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat handelsvestigingsvergunningen die na 1 juli 2014 vervallen zijn alsnog herleven, terwijl handelsvestigingsvergunningen die op 1 juli 2014 reeds vervallen waren niet herleven, zelfs al wordt aan de inhoudelijke voorwaarden van artikel 52 voldaan?
  2. Schenden de artikelen 52, 1ste lid j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° artikel 6, 1° EVRM j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat vervallen handelsvestigingsvergunningen komen te herleven als gevolg van een vernietigingsprocedure bij de Raad van State die door derden-belanghebbenden werd ingesteld op een ogenblik dat dit vernietigingsberoep dergelijk effect niet had, a fortiori indien de houder van de handelsvestigingsvergunning geen gebruik heeft gemaakt van de verlengingsmogelijkheid van artikel 13 Handelsvestigingswet?
  3. Schenden de artikelen 52, 2de lid j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat de koppeling tussen de handelsvestigingsvergunning, de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning met terugwerkende kracht wordt ingesteld op alle handelsvestigingsvergunningen die nog niet waren vervallen op 1 juli 2014 in plaats van op alle handelsvestigingsvergunningen die werden aangevraagd na 1 juli 2014?
  4. Schendt artikel 52, 2de lid Handelsvestigingsdecreet in die interpretatie dat geen rekening wordt gehouden met definitief geweigerde stedenbouwkundige vergunningen, alhoewel zij dateren van na 1 juli 2014 en na afgifte van de handelsvestigingsvergunning, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet j° artikel 6, 1° EVRM doordat de vervaltermijn van de op 1 juli 2014 niet vervallen handelsvestigingsvergunning geschorst blijft zolang geen definitieve stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning is verleend, terwijl de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning van rechtswege vervallen indien de gekoppelde vergunning definitief geweigerd wordt

Wordt vervolgd...

Aarzel alvast niet ons te contacterne mocht u hierover vragen en/of opmerkingen hebben!  

15/05/2017

Beperkt vernietigingsberoep tegen het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid

Op 29 juli 2016 werd het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid (DIH) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Met verzoekschriften van 26 januari 2017 werd door de stad Vilvoorde en nv Alcovil een beroep tot vernietiging van de artikelen 52 en 59, 4° DIH aangetekend bij het Grondwettelijk Hof (rolnrs. 6603 en 6604).

Artikel 52 DIH voert een overgangsregeling in met betrekking tot de vervaltermijn van de op datum van de regionalisering van de handelsvestigingsmaterie (1 juli 2014) nog geldende handelsvestigingsvergunningen: 

'De vervaltermijn voorzien in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen voor nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen die verleend werden
met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen en de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, wordt geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad van State en zolang een beroep tot vernietiging van eventuele andere vergunningen, machtigingen of toelatingen, benodigd voor het project, aanhangig is bij de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Dezelfde vervaltermijn, wanneer van toepassing op een socioeconomische vergunning voor een handelsvestiging waarvoor eveneens een stedenbouwkundige of een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning of de milieuvergunning niet definitief werd verleend. In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen pas in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning en/of de milieuvergunning definitief wordt verleend.'


Artikel 59, 4° DIH regelt de inwerkingtreding van artikel 52 DIH. Het artikel heeft meer in het bijzonder een retroactieve uitwerking vanaf 1 juli 2014.

Verzoekende partijen voeren volgende grieven aan tegen de artikelen 52 en 59, 4° DIH:

  • Zij voeren beiden aan dat de verantwoording van artikel 59, 4°, DIHB die is opgenomen in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het bestreden decreet niet volstaat om de terugwerkende kracht ervan te rechtvaardigen. Zij menen bovendien dat niet is aangetoond waarom de terugwerkende kracht onontbeerlijk zou zijn;
  • Volgens de stad Vilvoorde ligt er ook een schending voor van de bevoegdheidsverdelende regeling, in zoverre de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB tot gevolg heeft dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven. Zij meent dat de decreetgever op het ogenblik van het goedkeuren van de bestreden regeling op grond van artikel 6, §5bis, BWHI, de regeringen van de betrokken gewesten in kennis had moeten stellen van de ontwerpen van handelsvestiging die onder het toepassingsgebied van deze bepaling van de bijzondere wet vallen;
  • Volgens de stad Vilvoorde zou de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB bovendien niet in overeenstemming zijn met het Europees recht, aangezien dit volgens haar tot gevolg zou hebben dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven, zonder dat er bij de initiële vergunning een milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd, en zonder dat bij het opnieuw goedkeuren, door middel van de bestreden bepaling, een milieueffectenbeoordeling heeft plaatsgevonden;
  • De NV Alcovil meent tot slot dat de precieze draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van artikel 52 DIHB niet duidelijk zijn, wat tot rechtszonzekerheid zou leiden.

Ook de Vlaamse regering meldde inmiddels zijn tussenkomst bij het Grondwetttelijk Hof (lees hier de mededeling van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport aan de Vlaamse regering).

Wordt ongetwijfeld vervolgd... 

 

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Grondwettelijk Hof, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/03/2017

Gemeenten kunnen vanaf 1 mei 2017 kernwinkelgebieden & winkelarme gebieden afbakenen in ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen

Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 houdende regeling van het openbaar onderzoek over stedenbouwkundige verordeningen (zie ons eerder blogbericht) voorziet niet enkel in een regeling van het openbaar onderzoek over stedenbouwkundige verordeningen, maar laat ook artikel 10, §1 van het nieuwe Handelsvestigingsdecreet (Decreet betreffende het Integraal Handelsvestigingsbeleid) met ingang van 1 mei 2017 in werking treden. 

Artikel 10, §1 Handelsvestigingsdecreet luidt als volgt:

'Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, kunnen gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen:

1° kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden afbakenen;

2° normen bevatten betreffende de oppervlakte van categorieën van kleinhandelsactiviteiten, vermeld in artikel 3;

3° deze normen differentiëren al naargelang het bestaande, dan wel nieuwe kleinhandelsbedrijven en handelsgehelen betreft;

4° de termijnen vanaf wanneer de omgevingsvergunningsplicht voor kleinhandelsactiviteiten geldt, vastgelegd bij artikel 11, eerste lid, 2°, verkorten tot:

a) 1,30, 60, 90, 120 of 150 dagen per jaar in geval de handelsactiviteiten verenigbaar zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften;

b) 1, 30 of 60 dagen per jaar in alle andere gevallen. 

Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, kunnen provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en provinciale stedenbouwkundige verordeningen:

1° winkelarme gebieden afbakenen met een gemeentegrensoverschrijdende impact, in overleg met de betrokken gemeenten, en op vraag van minstens een betrokken gemeente;

2° normen bevatten betreffende de oppervlakte van categorieën van kleinhandelsactiviteiten, vermeld in artikel 3;

3° deze normen differentiëren al naargelang het bestaande, dan wel nieuwe kleinhandelsbedrijven en handelsgehelen betreft.

De normen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen:

1° geen beperkingen stellen aan geldende socio-economische verguningen en geldende omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten;

2° geen niet aan de vergunningsplicht onderworpen uitbreidingen van bestaande en vergunde handelsvestigingen verbieden.'

De mogelijkheden van lokale besturen met gemeentelijke en provinciale gemeentelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen worden derhalve verder uitgebreid. 

De belangrijkste vernieuwing betreft ons inziens de mogelijkheid voor steden en gemeenten om kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden af te bakenen. 

Een kernwinkelgebied is een gebied waar via stedenbouwkundige voorschriften een stimulerend beleid inzake kleinhandel wordt gevoerd. Verwacht kan worden dat vooral de bestaande handelscentra zullen afgebakend worden. Een winkelarm gebied is een gebied waar via stedenbouwkundige voorschriften beperkingen aan de kleinhandel worden opgelegd. Verwacht kan worden dat vooral in de periferie aanzienlijke winkelarme gebieden zullen worden ingevoerd om nieuwe, ‘ongewenste’ kleinhandelsontwikkelingen te vermijden of zelfs bestaande kleinhandel uit te doven.

Wij zien beide winkelgebieden alvast als een soort 'overdruk' bovenop een door een plan van aanleg afgebakend woongebied. 

Het wordt afwachten hoe lokale besturen hiermee verder aan de slag gaan. 

Aarzel alvast niet ons te contacteren mocht u hierover vragen en/of opmerkingen hebben!