25/10/2012

Vervalregeling verkavelingen in VCRO doorstaat toets Grondwettelijk Hof

In het arrest nr. 71/2012 van 31 mei 2012 moest het Grondwettelijk Hof op hiernavolgende prejudiciële vragen een antwoord geven:

“ 1. Schendt één of meerdere van volgende bepalingen de artikelen 10, 11 of 16 van de Grondwet, op zich genomen of samen gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden :
- artikel 74, § 3, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals vervangen bij artikel 27 van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
- punt 12 van bijlage 2 van het bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening;
- artikel 192 van het Vlaamse decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals vervangen bij artikel 47 van het Vlaamse decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; artikel 192, § 2, van hetzelfde decreet vanaf de vervanging bij het Vlaamse decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
- artikel 7.5.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,
doordat zij :
- de houders van een verkavelingsvergunning, verleend vanaf 22 april 1962 tot 22 december 1970 ertoe verplichtten, teneinde het verval van die verkavelingsvergunning te vermijden, te voldoen aan een voorwaarde binnen een termijn die begon te lopen en in sommige hypothesen zelfs eindigde vóór de afkondiging van de wet van 22 december 1970, terwijl voor de houders van een verkavelingsvergunning verleend vanaf 22 december 1970 de termijn om de voorwaarden te vervullen om het verval van die verkavelingsvergunning te vermijden pas begon te lopen vanaf het verlenen van de vergunning, zodat de eerste categorie houders beschikte over een kortere termijn dan de tweede of geen termijn kreeg om de voorwaarden te vervullen om het verval van de verkavelingsvergunning te vermijden ?
en/of
- met terugwerkende kracht het niet vervallen van een verkavelingsvergunning afhankelijk maken van vóór de afkondiging van de wet van 22 december 1970 te vervullen voorwaarden ?

2. Schendt artikel 7.5.6, eerste lid, eerste zin, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals gewijzigd bij artikel 57 van het Vlaamse decreet van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid, de artikelen 10, 11 of 16 van de Grondwet, op zich genomen of samen gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het om het verval van de vergunning te vermijden voor houders van verkavelingsvergunningen verleend vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000 volstond dat de verkaveling in zijn geheel werd verkocht (naast eventueel andere voorwaarden), terwijl dit niet volstond voor de houders van verkavelingsvergunningen verleend vanaf 22 april 1962 tot 22 december 1970 ?
3. Indien het antwoord op de eerste twee vragen positief is : Schendt artikel 58 van het Vlaamse decreet van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid, de artikelen 10, 11 of 16 van de Grondwet, op zich genomen of samen gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het ingevolge wijziging van artikel 7.5.6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening :
- alleen voor houders van verkavelingsvergunningen verleend vóór 1 mei 2000 en niet voor houders van verkavelingsvergunningen verleend vanaf 1 mei 2000 het niet vervallen van een verkavelingsvergunning door verkoop van de verkaveling in zijn geheel afhankelijk maakt van vóór de inwerkingtreding van het decreet te vervullen voorwaarden ?
en/of
- alleen voor houders van verkavelingsvergunningen verleend vóór 1 mei 2000 en niet voor houders van verkavelingsvergunningen verleend vanaf 1 mei 2000 het niet vervallen van een verkavelingsvergunning afhankelijk maakt van een positieve beslissing van een administratieve overheid of een rechtscollege ?
en/of
- met terugwerkende kracht het niet vervallen van een verkavelingsvergunning door verkoop van de verkaveling in zijn geheel afhankelijk maakt van vóór de afkondiging van het decreet te vervullen voorwaarden ?”.


Het hof antwoordde de vraag ontkennend:

“Artikel 74, § 3, eerste lid, 1°, van de wet van 29 maart 1962 « houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw », zoals vervangen bij artikel 27 van de wet van 22 december 1970, punt 12 van bijlage 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, artikel 192 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals vervangen bij artikel 47 van het Vlaamse decreet van 26 april 2000, artikel 192, § 2, van het voormelde decreet van 18 mei 1999, vanaf de vervanging bij het Vlaamse decreet van 21 november 2003, artikel 7.5.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 15 mei 2009, en artikel 7.5.6, eerste lid, eerste zin, van dezelfde Codex, zoals gewijzigd bij artikel 57 van het Vlaamse decreet van 16 juli 2010, schenden niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”

Lees hier de zeer uitvoerige motivering van het Grondwettelijk Hof.
25/10/2012

Dwangsomregeling Raad van State door het Grondwettelijk Hof bekritiseerd

In het arrest nr. 122/2012 van 18 oktober 2012 zegt het Grondwettelijk Hof, op prejudiciële vraag, dat artikel 36 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de verzoekende partij op wier vordering reeds een dwangsom werd opgelegd, niet de mogelijkheid biedt om het opleggen van een bijkomende dwangsom of het verhogen van de reeds opgelegde dwangsom te vorderen in het geval dat de overheid op volhardende wijze in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest, terwijl het aan de overheid die een dwangsom opgelegd kreeg, de mogelijkheid biedt om de opheffing van die dwangsom of de opschorting van de looptijd of de vermindering ervan te vorderen in geval van blijvende of tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor die overheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

Het hof overweegt:

“B.7. De mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom, waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, werd door de wetgever noodzakelijk geacht om het herstel van de wettigheid en een effectieve rechtsbescherming te waarborgen. Wanneer hij de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom aan voorwaarden onderwerpt, mag de wetgever evenwel niet op discriminerende wijze afbreuk doen, ten nadele van de partij op wier vordering de dwangsom werd opgelegd, aan het voormelde recht op een daadwerkelijke uitvoering van een vernietigingsarrest.
Wanneer de vordering van de overheid tot opheffing, opschorting of vermindering van de opgelegde dwangsom wordt toegestaan wanneer er sprake is van een nieuwe omstandigheid, meer bepaald de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, is het derhalve niet redelijk verantwoord dat de vordering van de verzoekende partij tot verhoging van de opgelegde dwangsom of tot het opleggen van een bijkomende dwangsom niet wordt toegestaan wanneer de overheid in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest.
B.8. Het is weliswaar juist, zoals het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aanvoert, dat de Raad van State bij het bepalen van het bedrag van de dwangsom reeds rekening heeft gehouden met de verwachte weerstand van de overheid bij de uitvoering van het vernietigingsarrest, maar die factor berust noodzakelijkerwijze slechts op een inschatting en betreft geen vaststaand gegeven. Het onverwacht volharden van de overheid inzake het niet uitvoeren kan derhalve eveneens als een nieuwe omstandigheid worden beschouwd.
Ook het bestaan van alternatieven voor de uitvoering van een vernietigingsarrest, waaraan de Ministerraad refereert, kan geen afdoende verantwoording bieden voor het in het geding zijnde verschil in behandeling. De mogelijkheid om een nieuw vernietigingsberoep in te stellen voor de Raad van State, gericht tegen het optreden van de overheid in strijd met het vernietigingsarrest en gebaseerd op de schending van het gezag van gewijsde van dat vernietigingsarrest, alsook de mogelijkheid om voor de burgerlijke rechter een bevel tot het stellen van een bepaalde bestuurshandeling te vorderen, vormen voor de verzoekende partij bijkomende procedurele drempels die haar recht op een daadwerkelijke uitvoering van een rechterlijke uitspraak op onevenredige wijze beperken. Een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kan meestal slechts een uitvoering bij equivalent inhouden, hetgeen precies het euvel is dat de wetgever met de invoering van de dwangsom beoogde te verhelpen.”
Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Lokale besturen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/07/2012

Lokaal Kiesdecreet doorstaat toets van Grondwettelijk Hof


Op 8 juli 2011 nam het Vlaams Parlement een nieuw decreet aan betreffende de verkiezingen van de gemeenteraden, de provincieraden en de districtsraden. Het was de eerste keer dat de Vlaamse decreetgever een alomvattende regelgeving hieromtrent aannam sinds deze bevoegdheid door het Lambermont-akkoord werd geregionaliseerd.

Nadat het Grondwettelijk Hof eerder dit jaar de vordering tot schorsing van het decreet afwees, werd ook het beroep tot nietigverklaring van het Kiesdecreet bij arrest nr. 86/2012 van 28 juni 2012 verworpen. .

Een van de argumenten die tegen het decreet werden aangevoerd betrof de wijze van de zetelverdeling. Enkel voor de gemeenteraad wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde systeem Imperiali, dat grotere partijen meer bevoordeelt dat het systeem D'Hondt, dat wordt gehanteerd voor de disctrictsraden en de provincieraden.

Een ander middel betrof de indeling in kiesdistricten voor de provincieraadsverkiezingen en de drempel voor apparentering tussen lijsten voor verschillende provinciale kiesdistricten.

Gepost door Jonas Riemslagh

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Lokale besturen, Verkiezingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/06/2012

Grondwettelijk Hof bevestigt nogmaals de overgangsregeling voor "oude" verkavelingsvergunningen

In een arrest van 31 mei 2012 bevestigt het Grondwettelijk Hof nogmaals dat de overgangsregeling waarin artikel 74 van de Stedenbouwwet, ingevoerd bij de wet van 22 december 1970, de Grondwet niet schendt.

Dat artikel, dat een overgangsregeling voorziet voor de (dan ingevoerde) vervalregeling van verkavelingsvergunningen van voor 22 december 1970, werd ingevoerd om een einde te maken aan verkavelingsvergunningen met een onbeperkte duur, en dit om te vermijden dat die vergunningen louter om speculatieve motieven zouden worden aangevraagd (Parl. St. Senaat, 1968-1969, nr. 559, 14).

Het Grondwettelijk Hof bevestigt nogmaals dat dit een legitiem doel was van de wetgever, en het ingevoerde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording is. 

Hoewel het statuut van verkavelingen van voor 1970 in de praktijk blijft zorgen voor problemen,  blijft het Grondwettelijk Hof voet bij stuk houden en bevestigt het  haar originele rechtspraak.