04/08/2016

Volgens Hof van Justitie zijn de prestaties van advocaten niet vrijgesteld van BTW

Met arrest nr. C-543/14 van 28 juli 2016 antwoordde het Hof Van Justitie, op prejudiciële vraag vraag van het Belgische Grondwettelijk Hof, dat advocaten niet vrijgesteld zijn (of moeten worden) van BTW.

Dit zijn de vragen van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 165/2014 van 20 november 2014:

'1)  a)     Is, door de diensten verricht door advocaten aan de btw te onderwerpen zonder rekening te houden, ten aanzien van het recht op de bijstand van een advocaat en het beginsel van de wapengelijkheid, met de omstandigheid dat de rechtzoekende die geen juridische bijstand geniet, al dan niet aan de btw is onderworpen, [richtlijn 2006/112] bestaanbaar met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 14 [IVBPR] en met artikel 6 [EVRM], in zoverre dat artikel aan eenieder het recht toekent op een eerlijke behandeling van zijn zaak, de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen, en het recht op rechtsbijstand voor diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, wanneer die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen?

b) Is, om dezelfde redenen, [richtlijn 2006/112] bestaanbaar met artikel 9, leden 4 en 5, van het [Verdrag van Aarhus], in zoverre die bepalingen voorzien in een recht op toegang tot de rechter zonder dat die procedures onevenredig kostbaar mogen zijn en op voorwaarde van ‚het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen’?

c) Kunnen diensten die advocaten leveren in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand worden begrepen onder de in artikel 132, lid 1, onder g), van [richtlijn 2006/112] bedoelde diensten welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid of kunnen zij op grond van een andere bepaling van de richtlijn worden vrijgesteld? Is, in geval van ontkennend antwoord op die vraag, [richtlijn 2006/112], in die zin geïnterpreteerd dat zij niet toelaat de diensten verricht door advocaten ten gunste van de rechtzoekenden die het voordeel van de juridische bijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, van de btw vrij te stellen, bestaanbaar met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 14 [IVBPR] en met artikel 6 [EVRM]?

2) Is, in geval van ontkennend antwoord op de [eerste vraag, onder a) tot en met c)], artikel 98 van [richtlijn 2006/112], in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief toe te passen voor de diensten verricht door advocaten, in voorkomend geval naargelang de rechtzoekende die niet het voordeel van de juridische bijstand geniet, al dan niet btw-plichtig is, bestaanbaar met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 14 [IVBPR] en met artikel 6 [EVRM], in zoverre dat artikel aan eenieder het recht toekent op een eerlijke behandeling van zijn zaak, de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen, en het recht op rechtsbijstand voor diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, wanneer die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen?

3) Is, in geval van ontkennend antwoord op de [eerste vraag, onder a) tot en met c)], artikel 132 van [richtlijn 2006/112] bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie opgenomen in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 9 [VEU], in samenhang gelezen met artikel 47 van dat Handvest, in zoverre het, onder de activiteiten van algemeen belang, niet voorziet in de vrijstelling van de btw voor de diensten van advocaten, terwijl andere diensten als activiteiten van algemeen belang zijn vrijgesteld, bijvoorbeeld de door openbare postdiensten verrichte diensten, verschillende medische diensten of nog diensten in verband met onderwijs, sport of cultuur, en terwijl dat verschil in behandeling tussen de diensten van advocaten en de diensten die bij artikel 132 van die richtlijn zijn vrijgesteld, voldoende twijfel doet ontstaan omdat de diensten van advocaten bijdragen tot de eerbiediging van bepaalde grondrechten?

4) a)  Kan, in geval van ontkennend antwoord op de [eerste vraag, onder a) tot en met c),] en [op de derde vraag], artikel 371 van [richtlijn 2006/112], overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat van de Unie ertoe machtigt de vrijstelling van de diensten van advocaten gedeeltelijk te handhaven wanneer die diensten worden verricht ten gunste van rechtzoekenden die niet aan de btw zijn onderworpen?

b) Kan artikel 371 van [richtlijn 2006/112], overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, eveneens in die zin worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat van de Unie ertoe machtigt de vrijstelling van de diensten van advocaten gedeeltelijk te handhaven wanneer die diensten worden verricht ten gunste van rechtzoekenden die het voordeel van de juridische bijstand in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand genieten?'

Dit is het antwoord van het Hof van Justitie:

' Beantwoording van de prejudiciële vragen
 Eerste vraag, onder a)

22  Met zijn eerste vraag, onder a), verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen te onderzoeken of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 geldig zijn uit het oogpunt van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het beginsel van wapengelijkheid, die worden gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), voor zover diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, bij die richtlijnbepalingen aan btw worden onderworpen.

23  Aangezien de verwijzende rechter niet alleen refereert aan artikel 47 van het Handvest, maar ook aan de artikelen 14 IVBPR en 6 EVRM, zij eraan herinnerd dat, ofschoon de door het EVRM erkende grondrechten – zoals artikel 6, lid 3, VEU bevestigt – als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht, en ofschoon artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die overeenstemmen met door het EVRM gewaarborgde rechten, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dat verdrag aan worden toegekend, dat verdrag, zolang de Unie er geen partij bij is, geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is (arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 44; 3 september 2015, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Commissie, C‑398/13 P, EU:C:2015:535, punt 45, en 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 45). Deze vaststelling geldt ook voor het IVBPR. Het onderzoek naar de geldigheid van richtlijn 2006/112 dient derhalve uitsluitend te worden verricht uit het oogpunt van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten (zie in die zin arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24  Wat de omvang van het door de gestelde vraag vereiste onderzoek betreft, zij opgemerkt dat deze vraag beperkt is tot de kosten die specifiek voortvloeien uit het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is tegen het tarief van 21 %, en dat zij geen betrekking heeft op alle kosten van de gerechtelijke procedure.

25  Voorts betreffen de door de verwijzende rechter geuite twijfels enkel de situatie van rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten krachtens de relevante nationaalrechtelijke bepalingen. Volgens de door hem verstrekte aanwijzingen worden rechtzoekenden die deze bijstand genieten, namelijk niet getroffen door de stijging van advocatenkosten die eventueel voortvloeit uit het feit dat diensten van advocaten aan btw worden onderworpen, aangezien de Belgische staat de kosten van deze diensten op zich neemt.

26  Daarentegen moeten de andere rechtzoekenden in beginsel op grond van de regels van het nationale recht de advocatenkosten – met inbegrip van de daarover verschuldigde btw – dragen, wat volgens de verwijzende rechter vragen oproept ten aanzien van de verenigbaarheid van een dergelijke fiscale last met het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Voorts is het volgens hem onzeker of deze fiscale last verenigbaar is met het beginsel van wapengelijkheid, aangezien enkel btw-plichtige rechtzoekenden krachtens artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112 het recht hebben om de over advocatendiensten betaalde voorbelasting van btw af te trekken, en het feit dat over deze diensten btw verschuldigd is, rechtzoekenden dus in verschillende mate treft naargelang zij al dan niet btw-plichtig zijn.

 Recht op een doeltreffende voorziening in rechte

27   In artikel 47 van het Handvest is het recht op een doeltreffende voorziening in rechte neergelegd. Volgens de tweede alinea van dit artikel omvat dit recht onder meer de mogelijkheid voor eenieder om zich door een advocaat te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. De derde alinea van dat artikel waarborgt het recht op een doeltreffende voorziening in rechte door te voorzien in de verlening van rechtsbijstand aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken.

28  Dienaangaande zij opgemerkt dat uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat rechtzoekenden die geen recht op rechtsbijstand hebben, op wie de eerste vraag, onder a), uitsluitend betrekking heeft, worden geacht te beschikken over middelen die volgens de relevante nationaalrechtelijke bepalingen toereikend zijn om toegang tot de rechter te verkrijgen door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte houdt voor deze rechtzoekenden in beginsel niet de garantie in dat diensten van advocaten zijn vrijgesteld van btw.

29   Bij de behandeling van de eerste vraag, onder a), die betrekking heeft op de geldigheid van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 uit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest, dient te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van deze richtlijnbepalingen. Het antwoord op deze vraag kan niet afhangen van de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval.

30  Voorts hangen de toegang tot de rechter en de effectiviteit van de rechterlijke bescherming weliswaar af van allerlei factoren, maar kunnen de kosten van een gerechtelijke procedure, waaronder de over diensten van advocaten geheven btw, ook van invloed zijn op het besluit van de rechtzoekende om zijn rechten in rechte te doen gelden door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat.

31  Uit de rechtspraak van het Hof die op verschillende andere gebieden dan het btw-recht is gewezen, blijkt evenwel dat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte zich enkel tegen het in rekening brengen van dergelijke kosten verzet indien zij onoverkomelijk zijn (zie naar analogie arrest van 22 december 2010, DEB, C‑279/09, EU:C:2010:811, punt 61, en beschikking van 13 juni 2012, GREP, C‑156/12, niet gepubliceerd, EU:C:2012:342, punt 46) dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maken (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2015, Orizzonte Salute, C‑61/14, EU:C:2015:655, punten 48, 49 en 58).

32  Verzoekers in het hoofdgeding hebben voorzeker onderstreept dat het feit dat over diensten van advocaten 21 % btw verschuldigd is, voor rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten, op wie de eerste vraag, onder a), uitsluitend betrekking heeft, een aanzienlijke stijging van de kosten van de gerechtelijke procedure met zich meebrengt.

33   Zoals met name de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangevoerd, leidt het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is tegen het tarief van 21 %, echter niet tot een evenredige stijging van de advocatenkosten, aangezien advocaten als btw-plichtigen krachtens artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112 het recht hebben om de btw af te trekken die wordt geheven over aankopen van goederen of diensten in het kader van de door hen verrichte diensten. Daar zij hun lasten kunnen verminderen door het recht op aftrek uit te oefenen, staat niet vast in welke mate zij economisch genoodzaakt zijn om de uit de btw voortvloeiende last door te berekenen in hun honoraria.

34   De omvang van een eventuele stijging van deze honoraria is temeer onzeker omdat in België een regeling wordt toegepast waarbij vrijelijk over honoraria wordt onderhandeld. Een dergelijke regeling, die gebaseerd is op mededinging tussen advocaten, noopt dezen ertoe rekening te houden met de economische situatie van hun cliënten. Zoals de advocaat-generaal in punt 85 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden honoraria van advocaten volgens de relevante nationale regeling bovendien geacht de uit het vereiste van billijke gematigdheid voortvloeiende grenzen niet te overschrijden.

35  Derhalve kan er geen nauw verband, laat staan een dwingend verband, worden gelegd tussen de onderwerping van diensten van advocaten aan btw enerzijds en een stijging van de prijs van deze diensten anderzijds.

36  Aangezien het in het hoofdgeding aan de orde zijnde btw-bedrag bij lange niet het grootste deel van de kosten van een gerechtelijke procedure is, kan het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is, hoe dan ook niet worden geacht op zichzelf een onoverkomelijk obstakel te vormen voor de toegang tot de rechter, dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk te maken. Dat dit feit mogelijkerwijs een stijging van die kosten met zich meebrengt, is bijgevolg niet van dien aard dat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte zich tegen de heffing van btw over diensten van advocaten verzet.

37      Gesteld dat de heffing van btw over diensten van advocaten in de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval op zichzelf een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter zou opwerpen, dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk zou maken, dan dient daarmee rekening te worden gehouden door een passende invulling van het recht op rechtsbijstand in de zin van artikel 47, derde alinea, van het Handvest.

38  Gelet op voorgaande overwegingen dient te worden vastgesteld dat de door dit recht geboden bescherming zich niet uitstrekt tot de heffing van btw over diensten van advocaten.

Beginsel van wapengelijkheid

39   Verzoekers in het hoofdgeding betwisten de geldigheid van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 ook uit het oogpunt van het beginsel van wapengelijkheid, op grond van de overweging dat de heffing van 21 % btw over diensten van advocaten niet-btw-plichtige rechtzoekenden benadeelt ten opzichte van btw-plichtige rechtzoekenden. Dit nadeel vloeit volgens hen voort uit het feit dat laatstgenoemde rechtzoekenden, anders dan eerstgenoemde rechtzoekenden, een recht op aftrek genieten en niet de uit deze btw-heffing voortvloeiende financiële last dragen.

40  Het is vaste rechtspraak van het Hof dat het beginsel van wapengelijkheid („equality of arms”) – dat een logisch uitvloeisel is van het begrip „eerlijk proces” en tot doel heeft het evenwicht tussen de procespartijen te waarborgen – inhoudt dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijzen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij niet wezenlijk wordt benadeeld ten opzichte van de tegenpartij (zie in die zin arresten van 6 november 2012, Otis e.a., C‑199/11, EU:C:2012:684, punten 71 en 72; 12 november 2014, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie, C‑580/12 P, EU:C:2014:2363, punt 31, en beschikking van 16 juli 2015, Sánchez Morcillo en Abril García, C‑539/14, EU:C:2015:508, punt 48).

41      Dit beginsel strekt ertoe te zorgen voor een procedureel evenwicht tussen de partijen in een gerechtelijke procedure, door te waarborgen dat zij dezelfde rechten en verplichtingen hebben ten aanzien van met name de regels inzake de bewijsvoering en het contradictoire karakter van het debat voor de rechter (zie in die zin arrest van 6 november 2012, Otis e.a., C‑199/11, EU:C:2012:684, punten 71 en 72), alsook ten aanzien van de voor hen openstaande rechtsmiddelen (arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García, C‑169/14, EU:C:2014:2099, punten 44, 48 en 49).

42  Zoals de Raad in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen in het midden heeft gebracht, houdt het beginsel van wapengelijkheid evenwel niet de verplichting in om de partijen op gelijke voet te stellen met betrekking tot de in het kader van de gerechtelijke procedure gedragen financiële kosten.

43  De heffing van 21 % btw over diensten van advocaten en de uitoefening van het recht op aftrek kunnen weliswaar – voor een identiek honorariumbedrag – een geldelijk voordeel verschaffen aan btw-plichtige rechtzoekenden ten opzichte van niet-btw-plichtige rechtzoekenden, maar dit geldelijke voordeel kan geen afbreuk doen aan het procedurele evenwicht tussen de partijen.

44  In punt 28 van dit arrest is namelijk vastgesteld dat deze rechtzoekenden worden geacht te beschikken over middelen die toereikend zijn om de kosten van de gerechtelijke procedure, daaronder begrepen de honoraria van advocaten, te dekken. Ofschoon de in het hoofdgeding aan de orde zijnde heffing van btw over diensten van advocaten mogelijkerwijs een financieel voordeel verschaft aan deze of gene rechtzoekende, kan zij niet-btw-plichtige rechtzoekenden dan ook niet wezenlijk benadelen ten opzichte van btw-plichtige rechtzoekenden, voor zover het gaat om het recht op een eerlijk proces.

45  Zoals de Commissie in haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft gesteld, resulteert het feit dat een partij in een geding in staat is hogere advocaathonoraria te betalen dan de tegenpartij, niet noodzakelijk in een betere vertegenwoordiging in rechte. Overeenkomstig de vaststelling in punt 34 van dit arrest kan een regeling waarbij vrijelijk over honoraria van advocaten wordt onderhandeld, zoals die welke in België van kracht is, advocaten er immers toe nopen om rekening te houden met de economische situatie van hun cliënten en om aan hun niet-btw-plichtige cliënten lagere honoraria – met inbegrip van de daarover verschuldigde btw – in rekening te brengen dan aan hun btw-plichtige cliënten.

46  Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de door het beginsel van wapengelijkheid geboden waarborg zich niet uitstrekt tot de heffing van btw over diensten van advocaten tegen het tarief van 21 %.

47 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag, onder a), te worden geantwoord dat uit de toetsing van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en aan het beginsel van wapengelijkheid, die worden gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, niet is gebleken van elementen die afbreuk doen aan de geldigheid van deze richtlijnbepalingen, voor zover diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, daarbij aan btw worden onderworpen.

 Eerste vraag, onder b)

48 Met zijn eerste vraag, onder b), verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen te onderzoeken of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 geldig zijn uit het oogpunt van artikel 9, leden 4 en 5, van het Verdrag van Aarhus, voor zover diensten van advocaten bij die richtlijnbepalingen aan btw worden onderworpen.

49 In dit verband zij eraan herinnerd dat de bepalingen van een internationale overeenkomst waarbij de Unie partij is, blijkens vaste rechtspraak van het Hof slechts ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid Unierecht – of van een exceptie van onwettigheid van een dergelijke handeling – kunnen worden aangevoerd indien ten eerste de aard en de opzet van die overeenkomst daaraan niet in de weg staan en ten tweede die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn (arrest van 13 januari 2015, Raad e.a./Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑401/12 P–C‑403/12 P, EU:C:2015:4, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Uit de bewoordingen zelf van artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus blijkt dat deze bepaling enkel van toepassing is op de in artikel 9, leden 1, 2 en 3, van dit verdrag bedoelde procedures. Laatstgenoemde leden bevatten evenwel geen enkele onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven verplichting die de rechtspositie van particulieren rechtstreeks kan regelen.

51 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de uitvoering of werking van artikel 9, lid 3, van dit verdrag een verdere handeling vereist, aangezien enkel „leden van het publiek [die] voldoen aan de eventuele in [het] nationale recht neergelegde criteria,” houders zijn van de bij deze bepaling toegekende rechten (arresten van 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie, C‑240/09, EU:C:2011:125, punt 45, en 13 januari 2015, Raad e.a./Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑401/12 P–C‑403/12 P, EU:C:2015:4, punt 55).

52 Zoals de advocaat-generaal in punt 92 van haar conclusie heeft opgemerkt, wordt ook in artikel 9, leden 1 en 2, van het Verdrag van Aarhus verwezen naar in het nationale recht neergelegde criteria. Volgens de bewoordingen van deze bepalingen moeten de daarin bedoelde herzieningssprocedures namelijk worden vastgesteld „binnen het kader van [de] nationale wetgeving” van de partijen bij dit verdrag, waarbij de nationale wetgever met name moet beslissen of hij wenst te voorzien in de mogelijkheid van een herzieningsprocedure „voor een rechterlijke instantie [dan wel voor] een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan”. Bovendien blijkt uit artikel 9, lid 2, tweede alinea, van dat verdrag dat het nationale recht dient vast te stellen „[w]at een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt”.

53 Daaruit volgt dat artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus uitsluitend van toepassing is op bepalingen van dit verdrag die niet voldoen aan de in punt 49 van dit arrest gestelde voorwaarden om te kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid Unierecht.

54 Bijgevolg kan artikel 9, lid 4, van dat verdrag niet worden aangevoerd om de geldigheid van richtlijn 2006/112 te betwisten.

55 Uit artikel 9, lid 5, van het Verdrag van Aarhus – volgens hetwelk elke partij bij dit verdrag dient te „overwe[gen]” „passende mechanismen voor bijstand” in te stellen om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen – blijkt dat ook deze bepaling geen onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven verplichting bevat, en dat de uitvoering of werking ervan een verdere handeling vereist.

56 Derhalve kan artikel 9, lid 5, van dat verdrag, wegens de aard zelf van deze bepaling, niet worden aangevoerd om de geldigheid van richtlijn 2006/112 te betwisten.

57 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag, onder b), te worden geantwoord dat artikel 9, leden 4 en 5, van het Verdrag van Aarhus niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van de geldigheid van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112.

 Eerste vraag, onder c)

58  Met zijn eerste vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 dan wel „andere bepalingen” van deze richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand zoals in het hoofdgeding aan de orde is, zijn vrijgesteld van btw. Voor het geval dat deze vraag ontkennend wordt beantwoord, verzoekt hij het Hof in wezen te onderzoeken of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn geldig zijn uit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest, voor zover deze diensten bij die richtlijnbepalingen aan btw worden onderworpen.

59 Vooraf zij opgemerkt dat de primair gestelde vraag weliswaar zowel naar artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 als naar eventuele „andere bepalingen” van deze richtlijn verwijst, maar dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet kan worden afgeleid op grond van welke andere bepalingen van die richtlijn dan artikel 132, lid 1, onder g), ervan diensten die advocaten verrichten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, van btw zouden kunnen zijn vrijgesteld.

60  Zoals de advocaat-generaal in de punten 54 en 55 van haar conclusie heeft opgemerkt, heeft het Hof weliswaar nog geen uitspraak gedaan over de toepassing van de in artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 bedoelde vrijstelling op diensten die advocaten verrichten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, maar niettemin reeds geoordeeld dat deze diensten niet kunnen zijn onderworpen aan een verlaagd btw-tarief op grond van artikel 98, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met punt 15 van bijlage III bij die richtlijn (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C‑492/08, EU:C:2010:348: punt 47).

61  In dat arrest heeft het Hof overwogen dat punt 15 van bijlage III bij richtlijn 2006/112 de lidstaten niet toestaat een verlaagd btw-tarief toe te passen op alle diensten met een liefdadige strekking, maar enkel op diensten die worden verricht door organisaties die voldoen aan de dubbele voorwaarde dat zij zelf een liefdadige instelling is en dat zij betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid. Derhalve zou het volgens het Hof indruisen tegen de wil van de wetgever van de Unie – om de mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief toe te passen, voor te behouden aan diensten die worden verricht door organisaties die aan deze dubbele voorwaarde voldoen – wanneer het een lidstaat vrijstond particuliere entiteiten met een winstoogmerk aan te merken als organisaties in de zin van dat punt 15, uitsluitend omdat zij ook diensten met een liefdadige strekking verrichten (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C‑492/08, EU:C:2010:348, punten 43 en 44).

62 Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat een lidstaat niet louter op basis van een beoordeling van de aard van de diensten die worden verricht door particuliere entiteiten met een winstoogmerk, een verlaagd btw-tarief mag toepassen op deze diensten, zonder rekening te houden met inzonderheid de doelstellingen die deze entiteiten globaal beschouwd nastreven, en met de duurzaamheid van hun sociaal engagement. Gelet op haar algemene doelstellingen en op het ontbreken van enige duurzaamheid in haar eventuele sociale engagement, kan de beroepsgroep van advocaten en procureurs in het algemeen niet worden aangemerkt als een liefdadige instelling (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C‑492/08, EU:C:2010:348, punten 45 en 46).

63 Deze rechtspraak geldt mutatis mutandis voor de vrijstelling waarin artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 voorziet, aangezien de toepassing daarvan niet alleen onderworpen is aan een voorwaarde inzake de sociale aard van de desbetreffende diensten – die nauw moeten samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid – maar tevens beperkt is tot diensten die worden verricht door organisaties die worden erkend als instellingen van sociale aard.

64 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de diensten die worden verricht in het kader van het nationale stelsel van rechtsbijstand niet door alle advocaten worden geleverd, doch alleen door advocaten die zich vrijwillig aanmelden om deze diensten als hoofd- dan wel als nevenactiviteit te verrichten, en die daartoe worden opgenomen in een jaarlijks vastgestelde lijst. Het verrichten van diensten in het kader van dat stelsel blijkt dus slechts een van de doelstellingen van het beroep van advocaat te zijn.

65 De diensten die advocaten verrichten in het kader van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale stelsel van rechtsbijstand, zijn dan ook niet vrijgesteld van btw op grond van artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112.

66 Voor het geval dat deze diensten niet zouden zijn vrijgesteld van btw, vraagt de verwijzende rechter zich ten slotte af of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn geldig zijn uit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest, voor zover die diensten bij die richtlijnbepalingen worden onderworpen aan btw tegen het tarief van 21 %. In dit verband lijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter te volgen dat alle advocatenkosten van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten, daaronder begrepen de over de diensten van advocaten geheven btw, ten laste komen van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale stelsel van rechtsbijstand.

67 Het feit dat btw verschuldigd is over diensten die advocaten in het kader van dit nationale stelsel van rechtsbijstand verrichten, lijkt bij gebreke van aanvullende aanwijzingen van de verwijzende rechter over de gevolgen daarvan, geen afbreuk te doen aan het recht van de rechtzoekenden die deze rechtsbijstand genieten, op een doeltreffende voorziening in rechte.

68  Gelet op een en ander dient op de eerste vraag, onder c), te worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 aldus moet worden uitgelegd dat diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet zijn vrijgesteld van btw.

 Tweede tot en met vierde vraag

69 Gelet op de beantwoording van de eerste vraag, onder a) tot en met c), hoeven de tweede tot en met de vierde vraag niet te worden onderzocht.zijn de antwoorden'.

Het ziet er naar uit dat de verschillende klagende balies voor het Grondwettelijk Hof in het zand zullen bijten en dat er aan de huidige BTW-regeling voor diensten van advocaten niets verandert.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Aarhus, Europees Hof van Justitie, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/03/2016

Orde van Vlaamse Balies haalt slag thuis voor het Grondwettelijk hof inzake rechtsplegingsvergoedingen

In het arrest nr. 34/2016 vernietigt het Grondwettelijk Hof de Orde van Vlaamse Balies (OVB) de wetgeving die de overheid ontslaat van het betalen van een rechtsplegingsvergoeding voor burgerlijke rechtbanken wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld.

De OVB had, naast een aantal andere verzoekende partijen waaronder het Genootschap Advocaten Publiekrecht (GAP), een vernietigingsberoep ingesteld tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Dat artikel 17 voegt een 3° toe aan het achtste lid van artikel 1022 Ger.W., waardoor geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van een publiekrechtelijke rechtspersoon verschuldigd is 'wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding'. Die bepaling is nog niet in werking getreden.

De OVB en het GAP hadden bij de formulering van hun belang aangevoerd dat de beroepsbelangen van de advocatuur in het gedrang komen door dergelijke wetgeving.

Het Grondwettelijk Hof treedt dit argument bij:

'Er kan worden aangenomen dat de bestreden bepaling nadelige gevolgen heeft voor de uitoefening van hun beroep, met name wat betreft de verdediging in rechte van hun cliënten in geschillen tegenover publiekrechtelijke rechtspersonen die optreden in het algemeen belang. Hun cliënten kunnen immers ervan worden weerhouden zich in een dergelijk geschil door een advocaat te laten verdedigen, in zoverre zij geen aanspraak zullen kunnen maken op een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van hun advocaat indien zij in het gelijk worden gesteld.'

Ten gronde voerden de verzoekende partijen een schending aan van het:
- gelijkheidsbeginsel, doordat een niet-verantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld (a) tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen en de privépersonen, in zoverre de eerstgenoemden worden vrijgesteld van het procesrisico indien zij optreden in het algemeen belang, en in zoverre die vrijstelling niet wederkerig is, wat tevens afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid, (b) tussen de rechtzoekenden, naargelang zij in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een privépersoon of een publiekrechtelijke rechtspersoon, (3) tussen de procespartijen voor de Raad van State en voor de burgerlijke rechtscolleges, in zoverre een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt voor de Raad van State wel kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

- recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, doordat de algemene vrijstelling van publiekrechtelijke rechtspersonen van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding een ontradend effect heeft op de rechtzoekende die tegen een dergelijke rechtspersoon wil procederen, waardoor tevens afbreuk zou worden gedaan aan het recht van verdediging, aan de wapengelijkheid, aan het recht op juridische bijstand, aan de waarborgen vervat in het Verdrag van Aarhus en het Unierecht, en aan de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

- eigendomsrecht, doordat de rechtzoekende die ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon in het gelijk wordt gesteld geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, wat in onteigeningsgeschillen meteen tot gevolg zou hebben dat er geen sprake is van een "billijke schadeloosstelling" in de zin van artikel 16 van de Grondwet of van een "billijk evenwicht" in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

-/ rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden bepaling bij gebrek aan overgangsmaatregelen onmiddellijk van toepassing zal zijn op hangende rechtsgedingen en doordat het ruime begrip "optreden in het algemeen belang" aanleiding zou kunnen geven tot rechtsonzekerheid. In eerdere rechtspraak had het Grondwettelijk Hof zich reeds prejudicieel gebogen over de problematiek van wetgeving die de overheid vrijstelt van het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld.

In de arresten 68, 69 en 70/2015 van 21 mei 2015 kwam het Hof reeds tot de bevinding dat dergelijke wetgeving strijdig is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. OrdeExpress berichtte daarover dat de teneur van de arresten in kwestie een gunstige invloed zou hebben op de afloop van het vernietigingsberoep van de OVB tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014. Zo is geschied, nu een groot deel van arrest 34/2016 bestaat in een letterlijk citaat van de rechtsoverwegingen B.3.1-B.12 van arrest 68/2015 (GwH, nr. 34/2016, B.7).

Het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 17 van de wet van 25 april 2014 dan ook wegens een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof oordeelde dat de bijzondere positie van de overheid het verschil in behandeling niet kan dragen. In verband hiermee wordt uitvoerig gewezen op de ongeoorloofde discriminatie die in het leven is geroepen door het systeem van de rechtsplegingsvergoeding ook in te stellen voor procedures voor de Raad van State, zonder evenwel in die context een vrijstelling van rechtsplegingsvergoeding voor de overheid te bepalen. De vereiste dat de publiekrechtelijke rechtspersoon optreedt in het 'algemeen belang', achtte het Grondwettelijk Hof ook in dat arrest strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtskosten, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/02/2016

Als monument geklasseerde woningen en bedrijfsruimten moeten wat leegstandsheffingen betreft, op dezelfde wijze behandeld worden

Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in een arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016:

'B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen verantwoorden dat de
houders van zakelijke rechten op gebouwen of woningen beschermd als monument slechts op
tijdelijke en voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de leegstandsheffing
terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd als monument toen nooit aan de
leegstandsheffing werden onderworpen.

De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet
Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven », waarbij de eigenaar,
in geval van bescherming van de bedrijfsruimte als monument, met de leegstand wordt
« geconfronteerd » en vanwege de bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming
kan vinden, kan geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.

Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995 volgt immers dat
elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een
gezin of alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat grote
onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt,
minstens ten dele als « woning » in de zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de
houders van zakelijke rechten op woningen beschermd als monument kunnen dus, vanwege
de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, in het bijzonder, de bescherming
als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende
goederen.

Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van 22 december 1995 dat
elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en niet hoofdzakelijk is bestemd voor
huisvesting, als een « gebouw » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen
waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « gebouw » in de
zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op gebouwen
beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard,
de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen
ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee vermelde categorieën van
belastingplichtigen zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld'.
Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in een arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016:

'B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen verantwoorden dat de houders van  zakelijke rechten op gebouwen of woningen beschermd als monument slechts op tijdelijke en voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de leegstandsheffing terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd als monument toen nooit aan de leegstandsheffing werden onderworpen.

De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven », waarbij de eigenaar, in geval van bescherming van de bedrijfsruimte als monument, met de leegstand wordt « geconfronteerd » en vanwege de bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming kan vinden, kan geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.

Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995 volgt immers dat elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, minstens ten dele als « woning » in de zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op woningen  beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van 22 december 1995 dat elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en niet hoofdzakelijk is bestemd voor huisvesting, als een «  gebouw » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « gebouw » in de zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op gebouwen beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard,de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee vermelde categorieën van belastingplichtigen zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld'.
13/10/2015

Aangepaste procedure openbaar onderzoek en herstelregeling RUP bij wettigheidsgebrek in VCRO doorstaan toets van het Grondwettelijk Hof

Het decreet van 4 april 2014 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid past de procedure voor openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP's aan en voert een mogelijk tot herstel van een wettigheidsgebrek in door het hernemen van de beslissing tot definitieve vaststelling van een RUP. 

Aanpassing aan de procedure voor openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP.
Voor de decreetswijziging van 4 april 2014 diende het openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP aangekondigd te worden door aanplakking, door een bericht in het Belgisch Staatsblad, door publicatie in tenminste 3 dagbladen, door publicatie op de website van de RUP-opmakende overheid. Wat gewestelijke RUP's betrof diende bovendien driemaal een bericht uitgezonden te worden op de openbare radio. 

Het decreet van 4 april 2014 wijzigt de artikelen 2.2.7, 2.2.10 en 2.2.14 VCRO waardoor de wijze van aankondiging van het openbaar onderzoek niet langer in de VCRO zelf, maar door een besluit van de Vlaamse Regering wordt geregeld. De decreetgever was van oordeel dat de concrete manier van bekendmaking en het minimum aantal vermeldingen van een dermate organisatorische aard is, dat de regeling ervan beter kan overgelaten worden aan de Vlaamse Regering.Enkel de verplichte publicatie in het Belgisch Staadsblad bleef behouden in de VCRO. 

De wijziging van deze artikelen is voorlopig nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding dient verder geregeld te worden in een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering.

Wat betreft de wijzigingen inzake de bekendmaking van het openbaar onderzoek oordeelde het Grondwettelijk Hof met arrest nr. 118/2015 van 17 september 2015 dat er geenszins sprake is van de schending van het standstillbeginsel daar de decreetgever duidelijk stelt dat de aankondiging van het openbaar onderzoek minstens dient te gebeuren door publicatie in het Belgisch Staatsblad en gezien de inwerkingtreding van huidige wijziging evident pas in werking kan treden nadat de Vlaamse Regering in bijkomende regels voorzien heeft. Daar ook voorzien is in een gelijkaardige regeling voor het openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van structuurplannen, oordeelde het Hof dat er een schending was van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Intrekkingsmogelijkheid onregelmatige RUP's.
Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 118/2015 van 17 september 2015 tevens de intrekkingsmogelijkheid van een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk RUP, dat behept is met onregelmatigheden conform de Grondwet en het Verdrag van Aarhus bevonden.

Dankzij de artikelen  2.2.7, 2.2.10 en 2.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening VCRO, zoals gewijzigd bij decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2014, kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.

Het Hof overwoog:

B.13.1. Krachtens de artikelen 2.2.7, § 7, 2.2.10, § 6, en 2.2.14, § 6, van de VCRO dient het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk RUP in beginsel te worden vastgesteld binnen een termijn van 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek. Het betreft een vervaltermijn : indien het RUP niet definitief wordt vastgesteld binnen die termijn, vervalt het ontwerp van RUP. Bij wijze van uitzondering laten de bestreden bepalingen de bevoegde overheid toe om, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, een besluit houdende definitieve vaststelling van een RUP in te trekken en te hernemen na het verstrijken van deze vervaltermijn. 

B.13.2. Artikel 17, 3°, van het bestreden decreet werd als volgt verantwoord : « De Raad van State heeft in een aantal arresten bevestigd dat de overheid na een vernietigingsarrest van de Raad van State over een nieuwe volle termijn van 180 dagen beschikt om een nieuwe beslissing te nemen, gelet op de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest (zie onder meer R.v.St., 24 februari 2009, nr. 190.762, Van Ermen en vzw Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud). In een aantal arresten heeft de Raad van State overwogen dat bij een intrekking tijdens de procedure voor de Raad van State om een nieuwe beslissing te nemen met het oog op het verhelpen van een wettigheidsgebrek, de overheid niet in dezelfde situatie verkeert als wanneer zijn beslissing wordt vernietigd door de Raad van State. In geval van een vernietiging wordt het bestuur fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigde besluit. In het geval van een vrijwillige intrekking daarentegen geldt die fictie niet (zie onder meer R.v.St., 21 augustus 2008, nr. 185.771, Barra; R.v.St., 12 november 2008, nr. 187.848, Watelet; R.v.St., 18 juni 2009, nr. 194.330, Barra; R.v.St., 27 oktober 2009, nr. 197.340, Thoeye). Ook na tussenkomst van een schorsingsarrest is de Raad van State van oordeel dat de overheid niet in de mogelijkheid is om, na de intrekking van het geschorste besluit, een nieuwe beslissing te nemen buiten de oorspronkelijke vervaltermijn (R.v.St., 15 januari 2009, nr. 189.472, Timmers). Dit alles heeft tot gevolg dat wanneer de overheid vaststelt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan behept is met een wettigheidsgebrek zij het besluit houdende definitieve vaststelling van het RUP wel kan intrekken volgens de klassieke intrekkingsleer, doch de beslissing tot een nieuwe definitieve vaststelling niet kan hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn van 180 dagen is verstreken. De voorliggende aanpassing van de VCRO geeft de overheid de mogelijkheid om het besluit tot definitieve vaststelling te hernemen wanneer zij beslist om de definitieve vaststelling van het RUP in te trekken om een wettigheidsgebrek te verhelpen. Het nieuwe besluit houdende definitieve vaststelling moet genomen worden samen met de beslissing tot intrekking van de vorige vaststelling. Zo niet, dreigt tussen de datum van intrekking en de datum van nieuwe vaststelling een periode van rechtsonzekerheid te ontstaan. Het spreekt voor zich dat de herneming van de definitieve vaststelling enkel kan voor het rechtzetten van onregelmatigheden/wettigheidsbezwaren. Het hernemen van het besluit kan niet gemotiveerd worden vanuit het feit dat de Vlaamse Regering ‘ van gedachte ’ zou veranderd zijn of om wijzigingen door te voeren die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek. Om die redenen blijven de bepalingen van artikel 2.2.7, § 7, onverminderd van toepassing, met uitzondering van de vervaltermijn van 180 dagen. Dit betekent dat slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, p. 4). Inzake de artikelen 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Naar analogie met de mogelijkheid tot het hernemen van de beslissing tot definitieve vaststelling van een [gewestelijk] [gewestelijk en provinciaal] RUP om een wettigheidsgebrek te herstellen, wordt ook voor [provinciale] [gemeentelijke] RUP’s een dergelijke bestuurlijke lus ingeschreven » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, pp. 5-6). Ter gelegenheid van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet werd nog uiteengezet dat « dit amendement over de bestuurlijke lus natuurlijk niet uitsluit dat ook wettigheidsbezwaren die blijken uit een schorsingsarrest van de Raad van State of uit de kennisname van middelen, ontwikkeld voor die Raad, moeten kunnen worden rechtgezet. Met de laatste zin van voormeld citaat wordt bedoeld dat de bestuurlijke lus niet kan worden misbruikt om de inhoud van een GRUP te wijzigen, los van via een openbaar onderzoek of op een andere manier opgemerkte wettigheidsgebreken » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/4, pp. 13-14). Voorts werd benadrukt : « Met dit ontwerp van decreet maken we het ook mogelijk om, op het moment dat er een schorsingsverzoek is of wanneer er al middelen voor de Raad van State voor een verzoek tot schorsing of vernietiging zijn ontwikkeld waaruit men redelijkerwijze kan afleiden dat het vastgestelde RUP kaduuk is, het vaststellingsbesluit in te trekken en de procedure te hernemen op de plaats waar de onwettigheid zich heeft voorgedaan. Als er ergens een ontbrekend advies is, enzovoort, kan de procedure worden hernomen vanaf het moment dat de adviezen moeten worden ingewonnen. Dan kan het ontbrekend advies alsnog worden verleend. De procedure moet dus niet helemaal vanaf het begin, vanaf de vaststelling van een ontwerp-RUP, worden overgedaan. Dat kan een belangrijke tijdwinst met zich meebrengen. De bestaande intrekkingsleer maakt het al mogelijk na een vernietiging van een definitief vaststellingsbesluit, maar met dit ontwerp van decreet maken we het ook mogelijk op het moment dat er een schorsing is van een RUP of op het moment dat er middelen worden ontwikkeld voor de Raad van State zonder dat de Raad van State zich daarover heeft uitgesproken » (Hand., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 31, p. 45). 

B.14. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de bevoegde overheid vrijstellen van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen waarbinnen een RUP na het einde van het openbaar onderzoek in beginsel definitief moet worden vastgesteld, en dus van de verplichting om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren. Doordat aldus niet zou worden gewaarborgd dat de overheid een beslissing neemt met actuele kennis van zaken, zouden de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het recht op bescherming van de gezondheid en het recht op bescherming van een gezond leefmilieu, gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet en het Verdrag van 21 Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : Verdrag van Aarhus). 

B.15.1. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel, vermits niet wordt uiteengezet waarin de aanzienlijke achteruitgang zou zijn gelegen. 

B.15.2. De verzoekende partijen verwijten de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet dat zij de bevoegde overheid vrijstellen van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen, die waarborgt dat de overheid een beslissing neemt met actuele kennis van zaken. De bestreden bepalingen zouden aldus leiden tot een achteruitgang in de kwaliteit van de besluitvorming, veroorzaakt door een gebrek aan actuele kennis van zaken. 

B.15.3. De verzoekende partijen zetten bijgevolg voldoende uiteen hoe de bestreden bepalingen het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel zouden schenden.

B.16. Er moet worden onderzocht of de vrijstelling van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen afbreuk doet aan artikel 23 van de Grondwet, rekening houdend met de relevante bepalingen van het Verdrag van Aarhus. 

B.17. De bestreden regeling, die betrekking heeft op de procedure tot vaststelling van een RUP, ressorteert onder artikel 7 van het Verdrag van Aarhus inzake « inspraak betreffende plannen, programma’s en beleid betrekking hebbende op het milieu ». Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om « de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » te onderwerpen aan een passende inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. 22 De mogelijkheid tot inspraak betreffende RUP’s, waartoe de decreetgever zich met de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus heeft verbonden, biedt een waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening (artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet). De inspraakregeling dient de betrokkenen een effectieve mogelijkheid te bieden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken zodat de bestuursorganen daarmee naar behoren rekening kunnen houden. 

B.18.1. Het aannemen van de bestreden bepalingen is verantwoord door de rechtspraak van de Raad van State inzake de mogelijkheid om een beslissing, die aan een bepaalde termijn gebonden is, te hernemen na het verstrijken van die termijn, wanneer die beslissing wordt vernietigd dan wel ingetrokken. 

B.18.2. Volgens de Raad van State kan de overheid, indien een termijngebonden beslissing wordt vernietigd en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat die beslissing wordt hernomen, een nieuwe beslissing nemen na het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn. In geval van een vernietiging wordt de overheid immers teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigde besluit, zodat de procedure dient te worden hernomen vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Na een vernietiging beschikt de overheid aldus opnieuw over de volle termijn om een nieuwe beslissing te nemen (RvSt, 24 februari 2009, nr. 190.762). Nog volgens de Raad van State is een dergelijke hervatting slechts in overeenstemming te brengen met een zinvol bezwaarrecht en met het zorgvuldigheidsbeginsel, indien de gegevens waarop het bestreden besluit steunt niet achterhaald zijn (ibid.). 

B.18.3. Wanneer daarentegen de overheid een termijngebonden beslissing intrekt wegens een onregelmatigheid, beschikt die overheid niet over de mogelijkheid om de beslissing te hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn reeds is verstreken. Aldus stelde de Raad van State dat « de situatie waarin een bestuur na de intrekking van een beslissing verkeert, niet dezelfde is als wanneer zijn beslissing vernietigd wordt door de toezichthoudende overheid of door de Raad van State. In het laatst vermeld geval wordt het bestuur fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigd besluit. In geval van vrijwillige intrekking daarentegen 23 geldt die fictie niet. In dergelijk geval kan de ingetrokken beslissing dan ook slechts hernomen worden met inachtneming van de situatie die zich op dat ogenblik aandient » (RvSt, 21 augustus 2008, nr. 185.771). De Raad van State besloot vervolgens dat de ingetrokken beslissing niet opnieuw kon worden hernomen, vermits de oorspronkelijke vervaltermijn reeds was verstreken en de betrokken regelgeving niet toeliet een nieuwe beslissing te nemen na het verstrijken van die termijn (ibid.; zie ook RvSt, 18 juni 2009, nr. 194.330). 

B.19.1. De decreetgever heeft, zonder zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten te gaan, kunnen oordelen dat de uit die rechtspraak voortvloeiende beperking van de mogelijkheid om een ingetrokken RUP te hernemen, die het gevolg is van de bestaande decretale vervaltermijn, diende te worden opgeheven. Om die reden voorzien de bestreden bepalingen in de mogelijkheid voor de overheid om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP in het geval van een intrekking te hernemen, ook na het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn. Aldus zetten de bestreden bepalingen de overheid aan om een vastgesteld wettigheidsgebrek zo snel mogelijk vrijwillig te verhelpen zonder een eventuele vernietiging van het gebrekkige besluit door de Raad van State af te wachten. 

B.19.2. De decreetgever heeft die mogelijkheid om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP te hernemen uitdrukkelijk beperkt tot het geval waarin een besluit wordt ingetrokken « met het oog op het herstel van een onregelmatigheid ». Ter gelegenheid van de parlementaire voorbereiding heeft de decreetgever ter zake verduidelijkt dat « de herneming van de definitieve vaststelling enkel kan voor het rechtzetten van onregelmatigheden/wettigheidsbezwaren », dat « slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren », en dat « ook wettigheidsbezwaren die blijken uit een schorsingsarrest van de Raad van State of uit de kennisname van middelen, ontwikkeld voor die Raad, moeten kunnen worden rechtgezet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, p. 4, en nr. 2371/4, pp. 13-14). Daarentegen kan het hernemen van het besluit «niet gemotiveerd worden vanuit het feit dat de Vlaamse Regering ‘ van gedachte ’ zou veranderd zijn of om wijzigingen door te voeren die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek », noch « om de inhoud van een GRUP te wijzigen, los van via een openbaar onderzoek of op een andere manier opgemerkte wettigheidsbezwaren » (ibid.). 24 

B.19.3. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, stellen de bestreden bepalingen de overheid niet vrij van de verplichting om het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te nemen en een beslissing te nemen met actuele kennis van zaken. Zoals in het geval van een vernietiging, kan een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP in het geval van een vrijwillige intrekking dan ook enkel worden hernomen indien de gegevens op grond waarvan de nieuwe beslissing zal worden genomen, niet achterhaald zijn. Het besluit waarbij het besluit tot definitieve vaststelling van het RUP wordt ingetrokken en hernomen, maakt een administratieve rechtshandeling uit die kan worden bestreden bij de Raad van State, zodat de Raad van State in voorkomend geval zal kunnen beoordelen of het nieuwe besluit steunt op actuele juridische en feitelijke gegevens. 

B.20. Gelet op het feit dat er reeds een openbaar onderzoek over het ingetrokken besluit heeft plaatsgevonden, dat de wijzingen van dat besluit enkel betrekking kunnen hebben op vastgestelde onregelmatigheden, en dat het hernomen besluit gebaseerd dient te zijn op actuele juridische en feitelijke gegevens, doet de bestreden regeling geen afbreuk aan artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Om dezelfde redenen houden de bestreden bepalingen geen aanzienlijke achteruitgang in van het bestaande beschermingsniveau. 

B.21. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepalingen niet in strijd zijn met artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de andere aangevoerde grondwetsbepalingen, verdragsbepalingen, richtlijnen en algemene rechtsbeginselen, leidt niet tot een ander resultaat. 

B.22. De verzoekende partijen voeren voorts een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre de procedure zoals daarin is voorzien in de bestreden bepalingen verschilt van de algemene procedure voor de definitieve vaststelling van een RUP, doordat de overheid bij het hernemen van een ingetrokken besluit tot definitieve vaststelling van een RUP is vrijgesteld van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen die in beginsel geldt voor de definitieve vaststelling van een RUP.  Gelet op de doelstelling van de decreetgever om de overheid aan te sporen de vastgestelde wettigheidsgebreken zo spoedig mogelijk te verhelpen zonder een vernietiging door de Raad van State af te wachten, zou de mogelijkheid waarin de bestreden bepalingen voorzien om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP te hernemen zinledig zijn indien de vervaltermijn waarbinnen het RUP in beginsel definitief moet worden vastgesteld van toepassing zou zijn. Het is niet zonder redelijke verantwoording dat de procedure voor het hernemen van een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP, wat de toepasselijke vervaltermijn betreft, afwijkt van de algemene procedure voor de definitieve vaststelling van een RUP. 

B.23. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.20 is het tweede middel niet gegrond. 

B.24. In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet, in de interpretatie dat zij de overheid die een RUP herneemt niet verplichten om tegelijkertijd alle onregelmatigheden te herstellen, een nietverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen de bestreden regeling en de regeling inzake de bestuurlijke lus zoals van toepassing voor de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen, doordat laatstgenoemde regeling wel verplicht tot het herstel van alle vastgestelde onregelmatigheden. Bovendien menen zij dat die bepalingen in die interpretatie een schending inhouden van de beginselen van proceseconomie, zorgvuldigheid en voorzorg, alsmede van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het recht van toegang tot een rechter, artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, doordat de rechtsonderhorigen zich opnieuw tot de rechter zullen moeten wenden indien het RUP wordt ingetrokken en vervolgens wordt hernomen zonder het herstel van alle onregelmatigheden. 

B.25. Volgens de Vlaamse Regering geven de verzoekende partijen in hun middel een verkeerde draagwijdte aan de bestreden bepalingen. Zij is van oordeel dat, indien een RUP zou zijn aangetast door meerdere onregelmatigheden, de overheid op grond van de bestreden bepalingen zal overgaan tot het herstel van alle vastgestelde en herstelbare onregelmatigheden.  

B.26. Krachtens de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet kan de bevoegde overheid een besluit houdende definitieve vaststelling van een RUP intrekken en hernemen « met het oog op het herstel van een onregelmatigheid ». Uit het gebruik van het weliswaar enkelvoudige begrip « een onregelmatigheid » kan niet worden afgeleid dat de betrokken overheid ermee zou kunnen volstaan om slechts één onregelmatigheid te herstellen indien meerdere onregelmatigheden werden vastgesteld. Ook bij ontstentenis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling gebieden het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, die elk bestuurlijk optreden kenmerken, dat de overheid die een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP op grond van de bestreden bepalingen intrekt en herneemt, alle vastgestelde onregelmatigheden herstelt, binnen de perken aangegeven in B.20. 

B.27. Voorts voeren de verzoekende partijen een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de hoorplicht, doordat de overheid het betrokken publiek dat onregelmatigheden heeft aangeklaagd, niet in staat zou moeten stellen om zijn standpunt over de wijze van herstel mee te delen. De bestreden bepalingen, die een reglementaire bestuurshandeling betreffen, kunnen geen afbreuk doen aan de hoorplicht, die als beginsel van behoorlijk bestuur enkel van toepassing is op individuele bestuurshandelingen. 

B.28. Het derde middel is niet gegrond'.

Lees hier het integrale arrest van het Gronwettelijk Hof.
20/07/2015

Ook bestuurlijke lus van Raad van State moet eraan geloven

In het arrest nr. 103/2015 van 16 juli 2015 gaat het Grondwettlijk Hof kritisch door een aantal vernieuwingen in de reglementering van de Raad van State.  Ziehier het persbericht van het Grondwettelijk Hof zelf:

'Met uitzondering van de bestuurlijke lus is de wet over de hervorming van de Raad van State grondwettig 

In zijn arrest nr. 103/2015 van 16 juli 2015 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State. Die wet omvat allerlei maatregelen om de rechtspleging voor de Raad van State doeltreffender te maken. Het Grondwettelijk Hof vernietigt enkel de bepaling over de bestuurlijke lus; nog twee andere bepalingen zijn enkel grondwettig indien ze worden toegepast zoals bepaald door het Grondwettelijk Hof. De Raad van State vernietigt in principe een bestuurshandeling wanneer hij vaststelt dat die onregelmatig is. De bestuurlijke lus laat daarentegen toe dat het bestuur een kleine onregelmatigheid nog tijdens de administratieve procedure rechtzet. Zoals het Grondwettelijk Hof eerder deed met de bestuurlijke lus in de Vlaamse regelgeving over ruimtelijke ordening, vernietigt het ook de bestuurlijke lus in de wet over de hervorming van de Raad van State. De bestuurlijke lus is om drie redenen ongrondwettig. Allereerst maakt de Raad van State bij het voorstellen van de toepassing van de bestuurlijke lus zijn standpunt over de uitkomst van het geschil kenbaar. Dit doet afbreuk aan het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bovendien wordt het recht op toegang tot de rechter beperkt omdat belanghebbenden geen beroep kunnen instellen tegen de beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus wordt genomen. Ten slotte maakt de bestuurlijke lus het mogelijk dat de bestuurde de motivering van de beslissing pas te weten komt nadat hij reeds een beroep heeft ingesteld. Dit is niet verzoenbaar met de motiveringsplicht van overheden, die de bestuurde net in staat moet stellen om te beoordelen of er aanleiding bestaat om in beroep te gaan tegen een bestuurshandeling. 

De bestreden wet verankert ook de rechtspraak van de Raad van State over het belang bij het middel waardoor de aangevoerde onregelmatigheid in een middel een invloed moet kunnen hebben op de bestreden beslissing. De verzoeker moet dit niet zelf bewijzen. Het is de Raad van State die tot de vaststelling moet komen dat de bestreden bestuurshandeling zonder de aangevoerde procedurefout niet anders had geluid. Volgens het Hof kan deze regeling niet zo worden geïnterpreteerd dat een vereniging die een collectief belang nastreeft, enkel middelen zou kunnen aanvoeren waarbij de vereniging een persoonlijk belang heeft. Tot slot kan deze regeling alleen worden toegepast met eerbiediging van het Europese Unierecht. De eerbiediging van het Europese Unierecht is ook een voorwaarde voor de grondwettigheid van de wetsbepaling die de mogelijkheid voor de Raad van State aanpast 2 om de gevolgen van een vernietigde bestuurshandeling te handhaven. Volgens het Hof van Justitie kan het handhaven van de gevolgen worden belemmerd door het Europese Unierecht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het handhaven van de gevolgen van een nationale handeling die wegens schending van het Europese Unierecht vernietigd is, enkel door het Hof van Justitie kan worden toegestaan. Indien de Raad van State een handeling of een reglement nietigverklaart wegens schending van het Unierecht, kan hij de gevolgen van die bestuurshandeling dus in beginsel niet handhaven, tenzij bij uitzondering bepaalde restrictieve voorwaarden zijn vervuld, zoals uiteengezet door het Hof van Justitie. Daarenboven moet met het Europese Unierecht ook rekening worden gehouden wanneer de Raad van State een handeling of een reglement nietigverklaart om een andere reden dan een schending van het Europese Unierecht en de gevolgen van die bestuurshandeling handhaaft voor een bepaalde duur. Wanneer een ander rechtscollege niettemin een schending van het Unierecht vaststelt, zal het de bestuurshandeling in principe toch buiten toepassing moeten laten, ondanks het feit dat op dat ogenblik de bestuurshandeling nog bindende kracht heeft wegens de handhaving van de gevolgen van een nietigverklaring door de Raad van State. 

De bestreden bepalingen over de opschorting van de beroepstermijn, de vordering tot schorsing, het mandaat ad litem, het verlies van belang, de termijnverlening, het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding zijn grondwettig volgens het Grondwettelijk Hof'.

Referentie: http://www.const-court.be/public/n/2015/2015-103n.pdf
Zie ook ons eerder blogbericht over de vernietiging van de bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingfen

Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.