08/12/2016

Vernietigingsprocedure stuit vervaltermijn milieuvergunning

De Dendermondse rechtbank van eerste aanleg heeft volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

'Schendt art. 28, § 1, 1°, van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 EAP bij het EVRM, in zoverre deze bepaling geen schorsing van de vervaltermijn van de milieuvergunning zou voorzien hangende het beroep bij de Raad van State, waardoor het verval van de milieuvergunning kan intreden hangende de procedure bij de Raad van State en met bijkomend de mogelijkheid dat ingevolge dit verval ook de gekoppelde stedenbouwkundige vergunning zou komen te vervallen op grond van artikel 5 van hetzelfde decreet, terwijl artikel 4.6.2 61, 3e lid [lees : artikel 4.6.2, § 1, tweede lid] VCRO voorziet dat de vervaltermijnen voor opstart van de werken op grond van een stedenbouwkundige vergunning, bepaald in het eerste lid van die bepaling, geschorst wordt zolang een beroep tot vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning aanhangig is bij de Raad voor vergunningsbetwistingen ?'.

Het Grondwettelijk Hof antwoordt in het arrest nr. 155/2016 van 8 december 2016 :

'B.3.1. In de interpretatie die de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepaling geeft, is de vervaltermijn van de milieuvergunning niet geschorst tijdens het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 233.938 van 25 februari 2016 heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, inmiddels een andersluidende interpretatie aan de in het geding zijnde bepaling gegeven. In dat arrest heeft de Raad van State geoordeeld : « 10. Artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet moet restrictief worden geïnterpreteerd. Op die wijze geïnterpreteerd kan de verplichting om de inrichting binnen een termijn van maximaal drie jaar in gebruik te nemen, enkel een aanvang nemen vanaf het ogenblik dat vaststaat dat de vergunning voor de houder ervan een zeker en definitief gegeven is. Van de vergunninghouder kan immers niet worden verwacht dat hij een precaire milieuvergunning ten uitvoer brengt, met alle risico’s van dien. Dit is het geval wanneer derden een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State waardoor de vergunning ongedaan kan worden gemaakt of zelfs kan worden ingetrokken. 11. In voorliggend geval hebben vijf van de huidige verzoekende partijen de nietigverklaring gevorderd van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 27 augustus 2009 waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning werd verleend voor het verder exploiteren en veranderen van de rundveehouderij (zaken A. 194.477/VII-37.566 en A. 194.478/VII-37.567). De exploitant is in deze procedures tussengekomen om zijn belangen te vrijwaren. Uit die vaststelling kan bezwaarlijk worden afgeleid dat hij louter door het aanwenden van een rechtsmiddel door derdenbelanghebbenden, zou hebben afgezien van de realisatie van het project. De beroepen tot nietigverklaring werden respectievelijk verworpen bij arrest nr. 217.307 van 19 januari 2012 en arrest nr. 217.682 van 2 februari 2012. Bijgevolg heeft de onzekerheid over de rechtskracht van de basisvergunning pas opgehouden te bestaan na de kennisgeving van laatstvermeld arrest aan de tussenkomende partij. Rekening houdend met dit uitgangspunt, was de termijn voor ingebruikname niet verstreken op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen ». In die interpretatie begint de vervaltermijn voor het in gebruik nemen van de inrichting waarop een milieuvergunning betrekking heeft, pas te lopen wanneer het arrest van de Raad van State waarbij de beroepen tot nietigverklaring tegen die milieuvergunning zijn verworpen, aan de vergunninghouder worden betekend.

B.4. Rekening houdend met het voorgaande, is er aanleiding om de zaak terug te zenden naar de verwijzende rechter, opdat hij in het licht van dat nieuwe gegeven oordeelt of de prejudiciële vraag nog een antwoord behoeft'.

Het Grondwettelijk Hof suggereert aan de verwijzende rechter zich te houden aan de interpretatie van de Raad van State.  Een goede verstaander begrijpt dit en het probleem is daarmee van de baan.

01/12/2016

Hervormde bestuurlijke lus doorstaat toets Grondwettelijk Hof!

Derde keer, goede keer.  Na eerdere vernietigingsarresten doorstaat de hervormde bestuurlijke lus (voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege) ditmaal wél de vernietigingstoets van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 153/2016 van 1 december 2016.  Klik hier voor het arrest.

10/11/2016

Vlaamse planschaderegeling deels vernietigd door Grondwettelijk Hof

In het arrest nr. 140/2016 van 10 november 2016 heeft het Grondwettelijk Hof zich gebogen over de prejudiciële vraag of de artikelen 2.6.1, § 3, 4°, en 2.6.2, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden, doordat ze bepalen dat enkel de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn in aanmerking komen voor planschadevergoeding (eerste prejudiciële vraag) en dat de planschadevergoeding slechts 80 pct. bedraagt van de waardevermindering (tweede prejudiciële vraag).

Het Hof antwoordt als volgt:

'B.16. Door te bepalen dat de planschadevergoeding 80 pct. van de waardevermindering bedraagt en beperkt wordt tot de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn, heeft de decreetgever in beginsel geen maatregel genomen die kennelijk onevenredig is met het door hem beoogde doel of die kan worden beschouwd als een krachtens artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht.

Immers, de dubbele beperking van de hoegrootheid van de planschadevergoeding hangt samen met de voorwaarde dat een planschadevergoeding enkel toekomt aan de eigenaar van een bouwgrond, die bovendien een zekere, actuele en objectief vaststelbare schade moethebben geleden en die slechts deels wordt vergoed, als tegemoetkoming voor de principiële niet-vergoedbaarheid van erfdienstbaarheden tot algemeen nut.
Het komt de decreetgever toe de gevallen te bepalen waarin een beperking van het eigendomsrecht tot een vergoeding aanleiding geeft en hij beschikt te dezen over een ruime beoordelingsvrijheid. In de regel, en inzonderheid in woongebieden, wordt aldus geen onevenredige last opgelegd aan de eigenaars van bouwgronden, nu veelal niet dieper dan vijftig meter vanaf de rooilijn kan worden gebouwd.

Anders is het evenwel voor de gronden gelegen in andere gebieden dan woongebieden zoals in industriegebieden, gebieden voor ambachtelijke bedrijven, gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen en andere gebieden die bestemd zijn om gebouwen met een grotere bouwdiepte te ontvangen. Een beperking van de planschadevergoeding tot de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn is in een zodanig geval niet in redelijkheid verantwoord'.

Het Hof zegt voor recht:

'Artikel 2.6.1, § 3, 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch uitsluitend voor wat betreft gronden gelegen in andere gebieden dan woongebieden zoals in industriegebieden, gebieden voor ambachtelijke bedrijven, gebieden voor kleine en
middelgrote ondernemingen en andere gebieden die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve plan waarbij een bouwverbod wordt opgelegd, bestemd waren om gebouwen te ontvangen met een bouwdiepte van meer dan 50 meter vanaf de rooilijn.
- Artikel 2.6.2, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens'.


 

06/10/2016

Omgevingsvergunning houdt grotendeels stand voor Grondwettelijk Hof

Met arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016 verwerpt het Grondwettelijk Hof de vernietigingsberoepen van o.a. Natuurpunt  tegen talrijke bepalingen van het decreet van van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Enige uitzondering is artikel 226 van het Omgevingsdecreet, dat als volgt luidde:

'In artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 8 mei 2009, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:

“Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning moet geen passende beoordeling uitgevoerd worden, tenzij deze loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen.
In afwijking van het tweede lid, moet wel een passende beoordeling uitgevoerd worden indien de administratie bevoegd voor natuurbehoud in het kader van een omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van het betrokken publiek, oordeelt dat er geen passende beoordeling werd uitgevoerd en dat het betrokken project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Indien in het kader van de milieuvergunning waarvan de omzetting krachtens artikel 390 van het voormeld decreet wordt gevraagd, een passende beoordeling werd uitgevoerd of een advies van de administratie bevoegd voor natuurbehoud is verleend waaruit blijkt dat het uitvoeren van een passende beoordeling niet vereist was, is voldaan aan de verplichtingen van artikel 36ter, § 3".'


Het Hof overweegt:

'B.54.3.1. Voor wat de hernieuwing van een omgevingsvergunning of van een gedeelte ervan, betreft, die voor een bepaalde duur is verleend, kan worden aangenomen dat de uitvoering van een passende beoordeling in voorkomend geval, namelijk wanneer het project in kwestie, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een speciale beschermingszone, nodig is teneinde aan de
vergunningverlenende overheid de zekerheid te verschaffen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten, dan wel of voldaan zal kunnen worden aan de vereisten van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn.

Immers, de procedure voor het hernieuwen van een omgevingsvergunning voor bepaalde duur (artikel 70 van het Omgevingsvergunningsdecreet), betreft omgevingsvergunningen die, hoewel zij niet voorkomen in de in het Omgevingsvergunningsdecreet vervatte limitatieve lijst, heel uitzonderlijk slechts voor een bepaalde duur kunnen worden verleend, om diverse redenen (artikel 68, tweede lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet).
Hoewel in het door het bestreden artikel 226 gewijzigde artikel 36ter, § 3, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu uitdrukkelijk wordt bepaald dat het uitvoeren van een passende beoordeling wel verplicht is indien de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur, betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben, is die bepaling niet voldoende om tegemoet te komen aan de bovenvermelde eisen die door de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn gesteld.

B.54.3.2. Nog specifiek voor wat de omzetting betreft, dient te worden opgemerkt dat de praktijk tot opmaak van de passende beoordelingen gaandeweg is gegroeid, waarbij zowel de kwantiteit als de kwaliteit doorheen de jaren zijn veranderd. Bovendien zijn de passende beoordelingen opgemaakt vanuit de optiek dat een milieuvergunning slechts twintig jaar geldig is en niet voor onbepaalde duur, zoals dat in de regel het geval zal zijn voor de omgevingsvergunning.

Bijgevolg is het niet redelijk verantwoord de scharnierdatum van 10 september 2002 in aanmerking te nemen als datum vanaf wanneer een milieuvergunning als bedoeld in artikel 390 van het Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 36ter, § 3, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997, gewijzigd bij het bestreden decreet, wordt beschouwd als zijnde verleend voor onbepaalde duur, zonder op enige manier in een actualisatie te voorzien.

B.54.3.3. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie komt het aan de nationale rechter toe om, op basis van de gegevens waarover hij beschikt en die hij alleen kan beoordelen, na te gaan of een nieuwe beoordeling van een plan of een project dat gevolgen kan hebben voor een gebied van communautair belang de enige passende maatregel is in de zin van artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn, ter voorkoming van de waarschijnlijkheid of het gevaar van een verslechtering van de kwaliteit van habitats of van verstoringen van soorten, die, gelet op de doelstellingen van die richtlijn, een significant effect kunnen hebben (HvJ, 14 januari 2016, C-399/14, Grüne Liga Sachsen e.a., punt 45).

B.54.3.4. Aangezien een passende beoordeling overeenkomstig het Omgevingsvergunningsdecreet niet meer nodig is bij een loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of een omzetting krachtens artikel 390, die geen betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen, is artikel 36ter, § 3, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, zoals vervangen bij artikel 226 van het bestreden decreet, niet bestaanbaar met het recht van de Europese Unie'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Omgevingsvergunning, Passende beoordeling
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/08/2016

Volgens Hof van Justitie zijn de prestaties van advocaten niet vrijgesteld van BTW

Met arrest nr. C-543/14 van 28 juli 2016 antwoordde het Hof Van Justitie, op prejudiciële vraag vraag van het Belgische Grondwettelijk Hof, dat advocaten niet vrijgesteld zijn (of moeten worden) van BTW.

Dit zijn de vragen van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 165/2014 van 20 november 2014:

'1)  a)     Is, door de diensten verricht door advocaten aan de btw te onderwerpen zonder rekening te houden, ten aanzien van het recht op de bijstand van een advocaat en het beginsel van de wapengelijkheid, met de omstandigheid dat de rechtzoekende die geen juridische bijstand geniet, al dan niet aan de btw is onderworpen, [richtlijn 2006/112] bestaanbaar met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 14 [IVBPR] en met artikel 6 [EVRM], in zoverre dat artikel aan eenieder het recht toekent op een eerlijke behandeling van zijn zaak, de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen, en het recht op rechtsbijstand voor diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, wanneer die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen?

b) Is, om dezelfde redenen, [richtlijn 2006/112] bestaanbaar met artikel 9, leden 4 en 5, van het [Verdrag van Aarhus], in zoverre die bepalingen voorzien in een recht op toegang tot de rechter zonder dat die procedures onevenredig kostbaar mogen zijn en op voorwaarde van ‚het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen’?

c) Kunnen diensten die advocaten leveren in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand worden begrepen onder de in artikel 132, lid 1, onder g), van [richtlijn 2006/112] bedoelde diensten welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid of kunnen zij op grond van een andere bepaling van de richtlijn worden vrijgesteld? Is, in geval van ontkennend antwoord op die vraag, [richtlijn 2006/112], in die zin geïnterpreteerd dat zij niet toelaat de diensten verricht door advocaten ten gunste van de rechtzoekenden die het voordeel van de juridische bijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, van de btw vrij te stellen, bestaanbaar met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 14 [IVBPR] en met artikel 6 [EVRM]?

2) Is, in geval van ontkennend antwoord op de [eerste vraag, onder a) tot en met c)], artikel 98 van [richtlijn 2006/112], in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief toe te passen voor de diensten verricht door advocaten, in voorkomend geval naargelang de rechtzoekende die niet het voordeel van de juridische bijstand geniet, al dan niet btw-plichtig is, bestaanbaar met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 14 [IVBPR] en met artikel 6 [EVRM], in zoverre dat artikel aan eenieder het recht toekent op een eerlijke behandeling van zijn zaak, de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen, en het recht op rechtsbijstand voor diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, wanneer die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen?

3) Is, in geval van ontkennend antwoord op de [eerste vraag, onder a) tot en met c)], artikel 132 van [richtlijn 2006/112] bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie opgenomen in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 9 [VEU], in samenhang gelezen met artikel 47 van dat Handvest, in zoverre het, onder de activiteiten van algemeen belang, niet voorziet in de vrijstelling van de btw voor de diensten van advocaten, terwijl andere diensten als activiteiten van algemeen belang zijn vrijgesteld, bijvoorbeeld de door openbare postdiensten verrichte diensten, verschillende medische diensten of nog diensten in verband met onderwijs, sport of cultuur, en terwijl dat verschil in behandeling tussen de diensten van advocaten en de diensten die bij artikel 132 van die richtlijn zijn vrijgesteld, voldoende twijfel doet ontstaan omdat de diensten van advocaten bijdragen tot de eerbiediging van bepaalde grondrechten?

4) a)  Kan, in geval van ontkennend antwoord op de [eerste vraag, onder a) tot en met c),] en [op de derde vraag], artikel 371 van [richtlijn 2006/112], overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat van de Unie ertoe machtigt de vrijstelling van de diensten van advocaten gedeeltelijk te handhaven wanneer die diensten worden verricht ten gunste van rechtzoekenden die niet aan de btw zijn onderworpen?

b) Kan artikel 371 van [richtlijn 2006/112], overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, eveneens in die zin worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat van de Unie ertoe machtigt de vrijstelling van de diensten van advocaten gedeeltelijk te handhaven wanneer die diensten worden verricht ten gunste van rechtzoekenden die het voordeel van de juridische bijstand in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand genieten?'

Dit is het antwoord van het Hof van Justitie:

' Beantwoording van de prejudiciële vragen
 Eerste vraag, onder a)

22  Met zijn eerste vraag, onder a), verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen te onderzoeken of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 geldig zijn uit het oogpunt van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het beginsel van wapengelijkheid, die worden gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), voor zover diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, bij die richtlijnbepalingen aan btw worden onderworpen.

23  Aangezien de verwijzende rechter niet alleen refereert aan artikel 47 van het Handvest, maar ook aan de artikelen 14 IVBPR en 6 EVRM, zij eraan herinnerd dat, ofschoon de door het EVRM erkende grondrechten – zoals artikel 6, lid 3, VEU bevestigt – als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht, en ofschoon artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die overeenstemmen met door het EVRM gewaarborgde rechten, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dat verdrag aan worden toegekend, dat verdrag, zolang de Unie er geen partij bij is, geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is (arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 44; 3 september 2015, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Commissie, C‑398/13 P, EU:C:2015:535, punt 45, en 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 45). Deze vaststelling geldt ook voor het IVBPR. Het onderzoek naar de geldigheid van richtlijn 2006/112 dient derhalve uitsluitend te worden verricht uit het oogpunt van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten (zie in die zin arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24  Wat de omvang van het door de gestelde vraag vereiste onderzoek betreft, zij opgemerkt dat deze vraag beperkt is tot de kosten die specifiek voortvloeien uit het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is tegen het tarief van 21 %, en dat zij geen betrekking heeft op alle kosten van de gerechtelijke procedure.

25  Voorts betreffen de door de verwijzende rechter geuite twijfels enkel de situatie van rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten krachtens de relevante nationaalrechtelijke bepalingen. Volgens de door hem verstrekte aanwijzingen worden rechtzoekenden die deze bijstand genieten, namelijk niet getroffen door de stijging van advocatenkosten die eventueel voortvloeit uit het feit dat diensten van advocaten aan btw worden onderworpen, aangezien de Belgische staat de kosten van deze diensten op zich neemt.

26  Daarentegen moeten de andere rechtzoekenden in beginsel op grond van de regels van het nationale recht de advocatenkosten – met inbegrip van de daarover verschuldigde btw – dragen, wat volgens de verwijzende rechter vragen oproept ten aanzien van de verenigbaarheid van een dergelijke fiscale last met het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Voorts is het volgens hem onzeker of deze fiscale last verenigbaar is met het beginsel van wapengelijkheid, aangezien enkel btw-plichtige rechtzoekenden krachtens artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112 het recht hebben om de over advocatendiensten betaalde voorbelasting van btw af te trekken, en het feit dat over deze diensten btw verschuldigd is, rechtzoekenden dus in verschillende mate treft naargelang zij al dan niet btw-plichtig zijn.

 Recht op een doeltreffende voorziening in rechte

27   In artikel 47 van het Handvest is het recht op een doeltreffende voorziening in rechte neergelegd. Volgens de tweede alinea van dit artikel omvat dit recht onder meer de mogelijkheid voor eenieder om zich door een advocaat te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. De derde alinea van dat artikel waarborgt het recht op een doeltreffende voorziening in rechte door te voorzien in de verlening van rechtsbijstand aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken.

28  Dienaangaande zij opgemerkt dat uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat rechtzoekenden die geen recht op rechtsbijstand hebben, op wie de eerste vraag, onder a), uitsluitend betrekking heeft, worden geacht te beschikken over middelen die volgens de relevante nationaalrechtelijke bepalingen toereikend zijn om toegang tot de rechter te verkrijgen door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte houdt voor deze rechtzoekenden in beginsel niet de garantie in dat diensten van advocaten zijn vrijgesteld van btw.

29   Bij de behandeling van de eerste vraag, onder a), die betrekking heeft op de geldigheid van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 uit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest, dient te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van deze richtlijnbepalingen. Het antwoord op deze vraag kan niet afhangen van de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval.

30  Voorts hangen de toegang tot de rechter en de effectiviteit van de rechterlijke bescherming weliswaar af van allerlei factoren, maar kunnen de kosten van een gerechtelijke procedure, waaronder de over diensten van advocaten geheven btw, ook van invloed zijn op het besluit van de rechtzoekende om zijn rechten in rechte te doen gelden door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat.

31  Uit de rechtspraak van het Hof die op verschillende andere gebieden dan het btw-recht is gewezen, blijkt evenwel dat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte zich enkel tegen het in rekening brengen van dergelijke kosten verzet indien zij onoverkomelijk zijn (zie naar analogie arrest van 22 december 2010, DEB, C‑279/09, EU:C:2010:811, punt 61, en beschikking van 13 juni 2012, GREP, C‑156/12, niet gepubliceerd, EU:C:2012:342, punt 46) dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maken (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2015, Orizzonte Salute, C‑61/14, EU:C:2015:655, punten 48, 49 en 58).

32  Verzoekers in het hoofdgeding hebben voorzeker onderstreept dat het feit dat over diensten van advocaten 21 % btw verschuldigd is, voor rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten, op wie de eerste vraag, onder a), uitsluitend betrekking heeft, een aanzienlijke stijging van de kosten van de gerechtelijke procedure met zich meebrengt.

33   Zoals met name de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangevoerd, leidt het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is tegen het tarief van 21 %, echter niet tot een evenredige stijging van de advocatenkosten, aangezien advocaten als btw-plichtigen krachtens artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112 het recht hebben om de btw af te trekken die wordt geheven over aankopen van goederen of diensten in het kader van de door hen verrichte diensten. Daar zij hun lasten kunnen verminderen door het recht op aftrek uit te oefenen, staat niet vast in welke mate zij economisch genoodzaakt zijn om de uit de btw voortvloeiende last door te berekenen in hun honoraria.

34   De omvang van een eventuele stijging van deze honoraria is temeer onzeker omdat in België een regeling wordt toegepast waarbij vrijelijk over honoraria wordt onderhandeld. Een dergelijke regeling, die gebaseerd is op mededinging tussen advocaten, noopt dezen ertoe rekening te houden met de economische situatie van hun cliënten. Zoals de advocaat-generaal in punt 85 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden honoraria van advocaten volgens de relevante nationale regeling bovendien geacht de uit het vereiste van billijke gematigdheid voortvloeiende grenzen niet te overschrijden.

35  Derhalve kan er geen nauw verband, laat staan een dwingend verband, worden gelegd tussen de onderwerping van diensten van advocaten aan btw enerzijds en een stijging van de prijs van deze diensten anderzijds.

36  Aangezien het in het hoofdgeding aan de orde zijnde btw-bedrag bij lange niet het grootste deel van de kosten van een gerechtelijke procedure is, kan het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is, hoe dan ook niet worden geacht op zichzelf een onoverkomelijk obstakel te vormen voor de toegang tot de rechter, dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk te maken. Dat dit feit mogelijkerwijs een stijging van die kosten met zich meebrengt, is bijgevolg niet van dien aard dat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte zich tegen de heffing van btw over diensten van advocaten verzet.

37      Gesteld dat de heffing van btw over diensten van advocaten in de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval op zichzelf een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter zou opwerpen, dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk zou maken, dan dient daarmee rekening te worden gehouden door een passende invulling van het recht op rechtsbijstand in de zin van artikel 47, derde alinea, van het Handvest.

38  Gelet op voorgaande overwegingen dient te worden vastgesteld dat de door dit recht geboden bescherming zich niet uitstrekt tot de heffing van btw over diensten van advocaten.

Beginsel van wapengelijkheid

39   Verzoekers in het hoofdgeding betwisten de geldigheid van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 ook uit het oogpunt van het beginsel van wapengelijkheid, op grond van de overweging dat de heffing van 21 % btw over diensten van advocaten niet-btw-plichtige rechtzoekenden benadeelt ten opzichte van btw-plichtige rechtzoekenden. Dit nadeel vloeit volgens hen voort uit het feit dat laatstgenoemde rechtzoekenden, anders dan eerstgenoemde rechtzoekenden, een recht op aftrek genieten en niet de uit deze btw-heffing voortvloeiende financiële last dragen.

40  Het is vaste rechtspraak van het Hof dat het beginsel van wapengelijkheid („equality of arms”) – dat een logisch uitvloeisel is van het begrip „eerlijk proces” en tot doel heeft het evenwicht tussen de procespartijen te waarborgen – inhoudt dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijzen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij niet wezenlijk wordt benadeeld ten opzichte van de tegenpartij (zie in die zin arresten van 6 november 2012, Otis e.a., C‑199/11, EU:C:2012:684, punten 71 en 72; 12 november 2014, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie, C‑580/12 P, EU:C:2014:2363, punt 31, en beschikking van 16 juli 2015, Sánchez Morcillo en Abril García, C‑539/14, EU:C:2015:508, punt 48).

41      Dit beginsel strekt ertoe te zorgen voor een procedureel evenwicht tussen de partijen in een gerechtelijke procedure, door te waarborgen dat zij dezelfde rechten en verplichtingen hebben ten aanzien van met name de regels inzake de bewijsvoering en het contradictoire karakter van het debat voor de rechter (zie in die zin arrest van 6 november 2012, Otis e.a., C‑199/11, EU:C:2012:684, punten 71 en 72), alsook ten aanzien van de voor hen openstaande rechtsmiddelen (arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García, C‑169/14, EU:C:2014:2099, punten 44, 48 en 49).

42  Zoals de Raad in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen in het midden heeft gebracht, houdt het beginsel van wapengelijkheid evenwel niet de verplichting in om de partijen op gelijke voet te stellen met betrekking tot de in het kader van de gerechtelijke procedure gedragen financiële kosten.

43  De heffing van 21 % btw over diensten van advocaten en de uitoefening van het recht op aftrek kunnen weliswaar – voor een identiek honorariumbedrag – een geldelijk voordeel verschaffen aan btw-plichtige rechtzoekenden ten opzichte van niet-btw-plichtige rechtzoekenden, maar dit geldelijke voordeel kan geen afbreuk doen aan het procedurele evenwicht tussen de partijen.

44  In punt 28 van dit arrest is namelijk vastgesteld dat deze rechtzoekenden worden geacht te beschikken over middelen die toereikend zijn om de kosten van de gerechtelijke procedure, daaronder begrepen de honoraria van advocaten, te dekken. Ofschoon de in het hoofdgeding aan de orde zijnde heffing van btw over diensten van advocaten mogelijkerwijs een financieel voordeel verschaft aan deze of gene rechtzoekende, kan zij niet-btw-plichtige rechtzoekenden dan ook niet wezenlijk benadelen ten opzichte van btw-plichtige rechtzoekenden, voor zover het gaat om het recht op een eerlijk proces.

45  Zoals de Commissie in haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft gesteld, resulteert het feit dat een partij in een geding in staat is hogere advocaathonoraria te betalen dan de tegenpartij, niet noodzakelijk in een betere vertegenwoordiging in rechte. Overeenkomstig de vaststelling in punt 34 van dit arrest kan een regeling waarbij vrijelijk over honoraria van advocaten wordt onderhandeld, zoals die welke in België van kracht is, advocaten er immers toe nopen om rekening te houden met de economische situatie van hun cliënten en om aan hun niet-btw-plichtige cliënten lagere honoraria – met inbegrip van de daarover verschuldigde btw – in rekening te brengen dan aan hun btw-plichtige cliënten.

46  Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de door het beginsel van wapengelijkheid geboden waarborg zich niet uitstrekt tot de heffing van btw over diensten van advocaten tegen het tarief van 21 %.

47 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag, onder a), te worden geantwoord dat uit de toetsing van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en aan het beginsel van wapengelijkheid, die worden gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, niet is gebleken van elementen die afbreuk doen aan de geldigheid van deze richtlijnbepalingen, voor zover diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die geen rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, daarbij aan btw worden onderworpen.

 Eerste vraag, onder b)

48 Met zijn eerste vraag, onder b), verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen te onderzoeken of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 geldig zijn uit het oogpunt van artikel 9, leden 4 en 5, van het Verdrag van Aarhus, voor zover diensten van advocaten bij die richtlijnbepalingen aan btw worden onderworpen.

49 In dit verband zij eraan herinnerd dat de bepalingen van een internationale overeenkomst waarbij de Unie partij is, blijkens vaste rechtspraak van het Hof slechts ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid Unierecht – of van een exceptie van onwettigheid van een dergelijke handeling – kunnen worden aangevoerd indien ten eerste de aard en de opzet van die overeenkomst daaraan niet in de weg staan en ten tweede die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn (arrest van 13 januari 2015, Raad e.a./Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑401/12 P–C‑403/12 P, EU:C:2015:4, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Uit de bewoordingen zelf van artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus blijkt dat deze bepaling enkel van toepassing is op de in artikel 9, leden 1, 2 en 3, van dit verdrag bedoelde procedures. Laatstgenoemde leden bevatten evenwel geen enkele onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven verplichting die de rechtspositie van particulieren rechtstreeks kan regelen.

51 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de uitvoering of werking van artikel 9, lid 3, van dit verdrag een verdere handeling vereist, aangezien enkel „leden van het publiek [die] voldoen aan de eventuele in [het] nationale recht neergelegde criteria,” houders zijn van de bij deze bepaling toegekende rechten (arresten van 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie, C‑240/09, EU:C:2011:125, punt 45, en 13 januari 2015, Raad e.a./Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑401/12 P–C‑403/12 P, EU:C:2015:4, punt 55).

52 Zoals de advocaat-generaal in punt 92 van haar conclusie heeft opgemerkt, wordt ook in artikel 9, leden 1 en 2, van het Verdrag van Aarhus verwezen naar in het nationale recht neergelegde criteria. Volgens de bewoordingen van deze bepalingen moeten de daarin bedoelde herzieningssprocedures namelijk worden vastgesteld „binnen het kader van [de] nationale wetgeving” van de partijen bij dit verdrag, waarbij de nationale wetgever met name moet beslissen of hij wenst te voorzien in de mogelijkheid van een herzieningsprocedure „voor een rechterlijke instantie [dan wel voor] een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan”. Bovendien blijkt uit artikel 9, lid 2, tweede alinea, van dat verdrag dat het nationale recht dient vast te stellen „[w]at een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt”.

53 Daaruit volgt dat artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus uitsluitend van toepassing is op bepalingen van dit verdrag die niet voldoen aan de in punt 49 van dit arrest gestelde voorwaarden om te kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid Unierecht.

54 Bijgevolg kan artikel 9, lid 4, van dat verdrag niet worden aangevoerd om de geldigheid van richtlijn 2006/112 te betwisten.

55 Uit artikel 9, lid 5, van het Verdrag van Aarhus – volgens hetwelk elke partij bij dit verdrag dient te „overwe[gen]” „passende mechanismen voor bijstand” in te stellen om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen – blijkt dat ook deze bepaling geen onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven verplichting bevat, en dat de uitvoering of werking ervan een verdere handeling vereist.

56 Derhalve kan artikel 9, lid 5, van dat verdrag, wegens de aard zelf van deze bepaling, niet worden aangevoerd om de geldigheid van richtlijn 2006/112 te betwisten.

57 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag, onder b), te worden geantwoord dat artikel 9, leden 4 en 5, van het Verdrag van Aarhus niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van de geldigheid van de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112.

 Eerste vraag, onder c)

58  Met zijn eerste vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 dan wel „andere bepalingen” van deze richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand zoals in het hoofdgeding aan de orde is, zijn vrijgesteld van btw. Voor het geval dat deze vraag ontkennend wordt beantwoord, verzoekt hij het Hof in wezen te onderzoeken of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn geldig zijn uit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest, voor zover deze diensten bij die richtlijnbepalingen aan btw worden onderworpen.

59 Vooraf zij opgemerkt dat de primair gestelde vraag weliswaar zowel naar artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 als naar eventuele „andere bepalingen” van deze richtlijn verwijst, maar dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet kan worden afgeleid op grond van welke andere bepalingen van die richtlijn dan artikel 132, lid 1, onder g), ervan diensten die advocaten verrichten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, van btw zouden kunnen zijn vrijgesteld.

60  Zoals de advocaat-generaal in de punten 54 en 55 van haar conclusie heeft opgemerkt, heeft het Hof weliswaar nog geen uitspraak gedaan over de toepassing van de in artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 bedoelde vrijstelling op diensten die advocaten verrichten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand, maar niettemin reeds geoordeeld dat deze diensten niet kunnen zijn onderworpen aan een verlaagd btw-tarief op grond van artikel 98, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met punt 15 van bijlage III bij die richtlijn (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C‑492/08, EU:C:2010:348: punt 47).

61  In dat arrest heeft het Hof overwogen dat punt 15 van bijlage III bij richtlijn 2006/112 de lidstaten niet toestaat een verlaagd btw-tarief toe te passen op alle diensten met een liefdadige strekking, maar enkel op diensten die worden verricht door organisaties die voldoen aan de dubbele voorwaarde dat zij zelf een liefdadige instelling is en dat zij betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid. Derhalve zou het volgens het Hof indruisen tegen de wil van de wetgever van de Unie – om de mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief toe te passen, voor te behouden aan diensten die worden verricht door organisaties die aan deze dubbele voorwaarde voldoen – wanneer het een lidstaat vrijstond particuliere entiteiten met een winstoogmerk aan te merken als organisaties in de zin van dat punt 15, uitsluitend omdat zij ook diensten met een liefdadige strekking verrichten (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C‑492/08, EU:C:2010:348, punten 43 en 44).

62 Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat een lidstaat niet louter op basis van een beoordeling van de aard van de diensten die worden verricht door particuliere entiteiten met een winstoogmerk, een verlaagd btw-tarief mag toepassen op deze diensten, zonder rekening te houden met inzonderheid de doelstellingen die deze entiteiten globaal beschouwd nastreven, en met de duurzaamheid van hun sociaal engagement. Gelet op haar algemene doelstellingen en op het ontbreken van enige duurzaamheid in haar eventuele sociale engagement, kan de beroepsgroep van advocaten en procureurs in het algemeen niet worden aangemerkt als een liefdadige instelling (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C‑492/08, EU:C:2010:348, punten 45 en 46).

63 Deze rechtspraak geldt mutatis mutandis voor de vrijstelling waarin artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 voorziet, aangezien de toepassing daarvan niet alleen onderworpen is aan een voorwaarde inzake de sociale aard van de desbetreffende diensten – die nauw moeten samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid – maar tevens beperkt is tot diensten die worden verricht door organisaties die worden erkend als instellingen van sociale aard.

64 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de diensten die worden verricht in het kader van het nationale stelsel van rechtsbijstand niet door alle advocaten worden geleverd, doch alleen door advocaten die zich vrijwillig aanmelden om deze diensten als hoofd- dan wel als nevenactiviteit te verrichten, en die daartoe worden opgenomen in een jaarlijks vastgestelde lijst. Het verrichten van diensten in het kader van dat stelsel blijkt dus slechts een van de doelstellingen van het beroep van advocaat te zijn.

65 De diensten die advocaten verrichten in het kader van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale stelsel van rechtsbijstand, zijn dan ook niet vrijgesteld van btw op grond van artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112.

66 Voor het geval dat deze diensten niet zouden zijn vrijgesteld van btw, vraagt de verwijzende rechter zich ten slotte af of de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn geldig zijn uit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest, voor zover die diensten bij die richtlijnbepalingen worden onderworpen aan btw tegen het tarief van 21 %. In dit verband lijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter te volgen dat alle advocatenkosten van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten, daaronder begrepen de over de diensten van advocaten geheven btw, ten laste komen van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale stelsel van rechtsbijstand.

67 Het feit dat btw verschuldigd is over diensten die advocaten in het kader van dit nationale stelsel van rechtsbijstand verrichten, lijkt bij gebreke van aanvullende aanwijzingen van de verwijzende rechter over de gevolgen daarvan, geen afbreuk te doen aan het recht van de rechtzoekenden die deze rechtsbijstand genieten, op een doeltreffende voorziening in rechte.

68  Gelet op een en ander dient op de eerste vraag, onder c), te worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112 aldus moet worden uitgelegd dat diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet zijn vrijgesteld van btw.

 Tweede tot en met vierde vraag

69 Gelet op de beantwoording van de eerste vraag, onder a) tot en met c), hoeven de tweede tot en met de vierde vraag niet te worden onderzocht.zijn de antwoorden'.

Het ziet er naar uit dat de verschillende klagende balies voor het Grondwettelijk Hof in het zand zullen bijten en dat er aan de huidige BTW-regeling voor diensten van advocaten niets verandert.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Aarhus, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Hof van Justitie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht