13/10/2015

Aangepaste procedure openbaar onderzoek en herstelregeling RUP bij wettigheidsgebrek in VCRO doorstaan toets van het Grondwettelijk Hof

Het decreet van 4 april 2014 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid past de procedure voor openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP's aan en voert een mogelijk tot herstel van een wettigheidsgebrek in door het hernemen van de beslissing tot definitieve vaststelling van een RUP. 

Aanpassing aan de procedure voor openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP.
Voor de decreetswijziging van 4 april 2014 diende het openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP aangekondigd te worden door aanplakking, door een bericht in het Belgisch Staatsblad, door publicatie in tenminste 3 dagbladen, door publicatie op de website van de RUP-opmakende overheid. Wat gewestelijke RUP's betrof diende bovendien driemaal een bericht uitgezonden te worden op de openbare radio. 

Het decreet van 4 april 2014 wijzigt de artikelen 2.2.7, 2.2.10 en 2.2.14 VCRO waardoor de wijze van aankondiging van het openbaar onderzoek niet langer in de VCRO zelf, maar door een besluit van de Vlaamse Regering wordt geregeld. De decreetgever was van oordeel dat de concrete manier van bekendmaking en het minimum aantal vermeldingen van een dermate organisatorische aard is, dat de regeling ervan beter kan overgelaten worden aan de Vlaamse Regering.Enkel de verplichte publicatie in het Belgisch Staadsblad bleef behouden in de VCRO. 

De wijziging van deze artikelen is voorlopig nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding dient verder geregeld te worden in een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering.

Wat betreft de wijzigingen inzake de bekendmaking van het openbaar onderzoek oordeelde het Grondwettelijk Hof met arrest nr. 118/2015 van 17 september 2015 dat er geenszins sprake is van de schending van het standstillbeginsel daar de decreetgever duidelijk stelt dat de aankondiging van het openbaar onderzoek minstens dient te gebeuren door publicatie in het Belgisch Staatsblad en gezien de inwerkingtreding van huidige wijziging evident pas in werking kan treden nadat de Vlaamse Regering in bijkomende regels voorzien heeft. Daar ook voorzien is in een gelijkaardige regeling voor het openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van structuurplannen, oordeelde het Hof dat er een schending was van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Intrekkingsmogelijkheid onregelmatige RUP's.
Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 118/2015 van 17 september 2015 tevens de intrekkingsmogelijkheid van een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk RUP, dat behept is met onregelmatigheden conform de Grondwet en het Verdrag van Aarhus bevonden.

Dankzij de artikelen  2.2.7, 2.2.10 en 2.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening VCRO, zoals gewijzigd bij decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2014, kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.

Het Hof overwoog:

B.13.1. Krachtens de artikelen 2.2.7, § 7, 2.2.10, § 6, en 2.2.14, § 6, van de VCRO dient het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk RUP in beginsel te worden vastgesteld binnen een termijn van 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek. Het betreft een vervaltermijn : indien het RUP niet definitief wordt vastgesteld binnen die termijn, vervalt het ontwerp van RUP. Bij wijze van uitzondering laten de bestreden bepalingen de bevoegde overheid toe om, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, een besluit houdende definitieve vaststelling van een RUP in te trekken en te hernemen na het verstrijken van deze vervaltermijn. 

B.13.2. Artikel 17, 3°, van het bestreden decreet werd als volgt verantwoord : « De Raad van State heeft in een aantal arresten bevestigd dat de overheid na een vernietigingsarrest van de Raad van State over een nieuwe volle termijn van 180 dagen beschikt om een nieuwe beslissing te nemen, gelet op de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest (zie onder meer R.v.St., 24 februari 2009, nr. 190.762, Van Ermen en vzw Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud). In een aantal arresten heeft de Raad van State overwogen dat bij een intrekking tijdens de procedure voor de Raad van State om een nieuwe beslissing te nemen met het oog op het verhelpen van een wettigheidsgebrek, de overheid niet in dezelfde situatie verkeert als wanneer zijn beslissing wordt vernietigd door de Raad van State. In geval van een vernietiging wordt het bestuur fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigde besluit. In het geval van een vrijwillige intrekking daarentegen geldt die fictie niet (zie onder meer R.v.St., 21 augustus 2008, nr. 185.771, Barra; R.v.St., 12 november 2008, nr. 187.848, Watelet; R.v.St., 18 juni 2009, nr. 194.330, Barra; R.v.St., 27 oktober 2009, nr. 197.340, Thoeye). Ook na tussenkomst van een schorsingsarrest is de Raad van State van oordeel dat de overheid niet in de mogelijkheid is om, na de intrekking van het geschorste besluit, een nieuwe beslissing te nemen buiten de oorspronkelijke vervaltermijn (R.v.St., 15 januari 2009, nr. 189.472, Timmers). Dit alles heeft tot gevolg dat wanneer de overheid vaststelt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan behept is met een wettigheidsgebrek zij het besluit houdende definitieve vaststelling van het RUP wel kan intrekken volgens de klassieke intrekkingsleer, doch de beslissing tot een nieuwe definitieve vaststelling niet kan hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn van 180 dagen is verstreken. De voorliggende aanpassing van de VCRO geeft de overheid de mogelijkheid om het besluit tot definitieve vaststelling te hernemen wanneer zij beslist om de definitieve vaststelling van het RUP in te trekken om een wettigheidsgebrek te verhelpen. Het nieuwe besluit houdende definitieve vaststelling moet genomen worden samen met de beslissing tot intrekking van de vorige vaststelling. Zo niet, dreigt tussen de datum van intrekking en de datum van nieuwe vaststelling een periode van rechtsonzekerheid te ontstaan. Het spreekt voor zich dat de herneming van de definitieve vaststelling enkel kan voor het rechtzetten van onregelmatigheden/wettigheidsbezwaren. Het hernemen van het besluit kan niet gemotiveerd worden vanuit het feit dat de Vlaamse Regering ‘ van gedachte ’ zou veranderd zijn of om wijzigingen door te voeren die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek. Om die redenen blijven de bepalingen van artikel 2.2.7, § 7, onverminderd van toepassing, met uitzondering van de vervaltermijn van 180 dagen. Dit betekent dat slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, p. 4). Inzake de artikelen 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Naar analogie met de mogelijkheid tot het hernemen van de beslissing tot definitieve vaststelling van een [gewestelijk] [gewestelijk en provinciaal] RUP om een wettigheidsgebrek te herstellen, wordt ook voor [provinciale] [gemeentelijke] RUP’s een dergelijke bestuurlijke lus ingeschreven » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, pp. 5-6). Ter gelegenheid van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet werd nog uiteengezet dat « dit amendement over de bestuurlijke lus natuurlijk niet uitsluit dat ook wettigheidsbezwaren die blijken uit een schorsingsarrest van de Raad van State of uit de kennisname van middelen, ontwikkeld voor die Raad, moeten kunnen worden rechtgezet. Met de laatste zin van voormeld citaat wordt bedoeld dat de bestuurlijke lus niet kan worden misbruikt om de inhoud van een GRUP te wijzigen, los van via een openbaar onderzoek of op een andere manier opgemerkte wettigheidsgebreken » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/4, pp. 13-14). Voorts werd benadrukt : « Met dit ontwerp van decreet maken we het ook mogelijk om, op het moment dat er een schorsingsverzoek is of wanneer er al middelen voor de Raad van State voor een verzoek tot schorsing of vernietiging zijn ontwikkeld waaruit men redelijkerwijze kan afleiden dat het vastgestelde RUP kaduuk is, het vaststellingsbesluit in te trekken en de procedure te hernemen op de plaats waar de onwettigheid zich heeft voorgedaan. Als er ergens een ontbrekend advies is, enzovoort, kan de procedure worden hernomen vanaf het moment dat de adviezen moeten worden ingewonnen. Dan kan het ontbrekend advies alsnog worden verleend. De procedure moet dus niet helemaal vanaf het begin, vanaf de vaststelling van een ontwerp-RUP, worden overgedaan. Dat kan een belangrijke tijdwinst met zich meebrengen. De bestaande intrekkingsleer maakt het al mogelijk na een vernietiging van een definitief vaststellingsbesluit, maar met dit ontwerp van decreet maken we het ook mogelijk op het moment dat er een schorsing is van een RUP of op het moment dat er middelen worden ontwikkeld voor de Raad van State zonder dat de Raad van State zich daarover heeft uitgesproken » (Hand., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 31, p. 45). 

B.14. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de bevoegde overheid vrijstellen van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen waarbinnen een RUP na het einde van het openbaar onderzoek in beginsel definitief moet worden vastgesteld, en dus van de verplichting om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren. Doordat aldus niet zou worden gewaarborgd dat de overheid een beslissing neemt met actuele kennis van zaken, zouden de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het recht op bescherming van de gezondheid en het recht op bescherming van een gezond leefmilieu, gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet en het Verdrag van 21 Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : Verdrag van Aarhus). 

B.15.1. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel, vermits niet wordt uiteengezet waarin de aanzienlijke achteruitgang zou zijn gelegen. 

B.15.2. De verzoekende partijen verwijten de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet dat zij de bevoegde overheid vrijstellen van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen, die waarborgt dat de overheid een beslissing neemt met actuele kennis van zaken. De bestreden bepalingen zouden aldus leiden tot een achteruitgang in de kwaliteit van de besluitvorming, veroorzaakt door een gebrek aan actuele kennis van zaken. 

B.15.3. De verzoekende partijen zetten bijgevolg voldoende uiteen hoe de bestreden bepalingen het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel zouden schenden.

B.16. Er moet worden onderzocht of de vrijstelling van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen afbreuk doet aan artikel 23 van de Grondwet, rekening houdend met de relevante bepalingen van het Verdrag van Aarhus. 

B.17. De bestreden regeling, die betrekking heeft op de procedure tot vaststelling van een RUP, ressorteert onder artikel 7 van het Verdrag van Aarhus inzake « inspraak betreffende plannen, programma’s en beleid betrekking hebbende op het milieu ». Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om « de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » te onderwerpen aan een passende inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. 22 De mogelijkheid tot inspraak betreffende RUP’s, waartoe de decreetgever zich met de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus heeft verbonden, biedt een waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening (artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet). De inspraakregeling dient de betrokkenen een effectieve mogelijkheid te bieden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken zodat de bestuursorganen daarmee naar behoren rekening kunnen houden. 

B.18.1. Het aannemen van de bestreden bepalingen is verantwoord door de rechtspraak van de Raad van State inzake de mogelijkheid om een beslissing, die aan een bepaalde termijn gebonden is, te hernemen na het verstrijken van die termijn, wanneer die beslissing wordt vernietigd dan wel ingetrokken. 

B.18.2. Volgens de Raad van State kan de overheid, indien een termijngebonden beslissing wordt vernietigd en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat die beslissing wordt hernomen, een nieuwe beslissing nemen na het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn. In geval van een vernietiging wordt de overheid immers teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigde besluit, zodat de procedure dient te worden hernomen vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Na een vernietiging beschikt de overheid aldus opnieuw over de volle termijn om een nieuwe beslissing te nemen (RvSt, 24 februari 2009, nr. 190.762). Nog volgens de Raad van State is een dergelijke hervatting slechts in overeenstemming te brengen met een zinvol bezwaarrecht en met het zorgvuldigheidsbeginsel, indien de gegevens waarop het bestreden besluit steunt niet achterhaald zijn (ibid.). 

B.18.3. Wanneer daarentegen de overheid een termijngebonden beslissing intrekt wegens een onregelmatigheid, beschikt die overheid niet over de mogelijkheid om de beslissing te hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn reeds is verstreken. Aldus stelde de Raad van State dat « de situatie waarin een bestuur na de intrekking van een beslissing verkeert, niet dezelfde is als wanneer zijn beslissing vernietigd wordt door de toezichthoudende overheid of door de Raad van State. In het laatst vermeld geval wordt het bestuur fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigd besluit. In geval van vrijwillige intrekking daarentegen 23 geldt die fictie niet. In dergelijk geval kan de ingetrokken beslissing dan ook slechts hernomen worden met inachtneming van de situatie die zich op dat ogenblik aandient » (RvSt, 21 augustus 2008, nr. 185.771). De Raad van State besloot vervolgens dat de ingetrokken beslissing niet opnieuw kon worden hernomen, vermits de oorspronkelijke vervaltermijn reeds was verstreken en de betrokken regelgeving niet toeliet een nieuwe beslissing te nemen na het verstrijken van die termijn (ibid.; zie ook RvSt, 18 juni 2009, nr. 194.330). 

B.19.1. De decreetgever heeft, zonder zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten te gaan, kunnen oordelen dat de uit die rechtspraak voortvloeiende beperking van de mogelijkheid om een ingetrokken RUP te hernemen, die het gevolg is van de bestaande decretale vervaltermijn, diende te worden opgeheven. Om die reden voorzien de bestreden bepalingen in de mogelijkheid voor de overheid om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP in het geval van een intrekking te hernemen, ook na het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn. Aldus zetten de bestreden bepalingen de overheid aan om een vastgesteld wettigheidsgebrek zo snel mogelijk vrijwillig te verhelpen zonder een eventuele vernietiging van het gebrekkige besluit door de Raad van State af te wachten. 

B.19.2. De decreetgever heeft die mogelijkheid om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP te hernemen uitdrukkelijk beperkt tot het geval waarin een besluit wordt ingetrokken « met het oog op het herstel van een onregelmatigheid ». Ter gelegenheid van de parlementaire voorbereiding heeft de decreetgever ter zake verduidelijkt dat « de herneming van de definitieve vaststelling enkel kan voor het rechtzetten van onregelmatigheden/wettigheidsbezwaren », dat « slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren », en dat « ook wettigheidsbezwaren die blijken uit een schorsingsarrest van de Raad van State of uit de kennisname van middelen, ontwikkeld voor die Raad, moeten kunnen worden rechtgezet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, p. 4, en nr. 2371/4, pp. 13-14). Daarentegen kan het hernemen van het besluit «niet gemotiveerd worden vanuit het feit dat de Vlaamse Regering ‘ van gedachte ’ zou veranderd zijn of om wijzigingen door te voeren die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek », noch « om de inhoud van een GRUP te wijzigen, los van via een openbaar onderzoek of op een andere manier opgemerkte wettigheidsbezwaren » (ibid.). 24 

B.19.3. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, stellen de bestreden bepalingen de overheid niet vrij van de verplichting om het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te nemen en een beslissing te nemen met actuele kennis van zaken. Zoals in het geval van een vernietiging, kan een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP in het geval van een vrijwillige intrekking dan ook enkel worden hernomen indien de gegevens op grond waarvan de nieuwe beslissing zal worden genomen, niet achterhaald zijn. Het besluit waarbij het besluit tot definitieve vaststelling van het RUP wordt ingetrokken en hernomen, maakt een administratieve rechtshandeling uit die kan worden bestreden bij de Raad van State, zodat de Raad van State in voorkomend geval zal kunnen beoordelen of het nieuwe besluit steunt op actuele juridische en feitelijke gegevens. 

B.20. Gelet op het feit dat er reeds een openbaar onderzoek over het ingetrokken besluit heeft plaatsgevonden, dat de wijzingen van dat besluit enkel betrekking kunnen hebben op vastgestelde onregelmatigheden, en dat het hernomen besluit gebaseerd dient te zijn op actuele juridische en feitelijke gegevens, doet de bestreden regeling geen afbreuk aan artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Om dezelfde redenen houden de bestreden bepalingen geen aanzienlijke achteruitgang in van het bestaande beschermingsniveau. 

B.21. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepalingen niet in strijd zijn met artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de andere aangevoerde grondwetsbepalingen, verdragsbepalingen, richtlijnen en algemene rechtsbeginselen, leidt niet tot een ander resultaat. 

B.22. De verzoekende partijen voeren voorts een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre de procedure zoals daarin is voorzien in de bestreden bepalingen verschilt van de algemene procedure voor de definitieve vaststelling van een RUP, doordat de overheid bij het hernemen van een ingetrokken besluit tot definitieve vaststelling van een RUP is vrijgesteld van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen die in beginsel geldt voor de definitieve vaststelling van een RUP.  Gelet op de doelstelling van de decreetgever om de overheid aan te sporen de vastgestelde wettigheidsgebreken zo spoedig mogelijk te verhelpen zonder een vernietiging door de Raad van State af te wachten, zou de mogelijkheid waarin de bestreden bepalingen voorzien om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP te hernemen zinledig zijn indien de vervaltermijn waarbinnen het RUP in beginsel definitief moet worden vastgesteld van toepassing zou zijn. Het is niet zonder redelijke verantwoording dat de procedure voor het hernemen van een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP, wat de toepasselijke vervaltermijn betreft, afwijkt van de algemene procedure voor de definitieve vaststelling van een RUP. 

B.23. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.20 is het tweede middel niet gegrond. 

B.24. In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet, in de interpretatie dat zij de overheid die een RUP herneemt niet verplichten om tegelijkertijd alle onregelmatigheden te herstellen, een nietverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen de bestreden regeling en de regeling inzake de bestuurlijke lus zoals van toepassing voor de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen, doordat laatstgenoemde regeling wel verplicht tot het herstel van alle vastgestelde onregelmatigheden. Bovendien menen zij dat die bepalingen in die interpretatie een schending inhouden van de beginselen van proceseconomie, zorgvuldigheid en voorzorg, alsmede van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het recht van toegang tot een rechter, artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, doordat de rechtsonderhorigen zich opnieuw tot de rechter zullen moeten wenden indien het RUP wordt ingetrokken en vervolgens wordt hernomen zonder het herstel van alle onregelmatigheden. 

B.25. Volgens de Vlaamse Regering geven de verzoekende partijen in hun middel een verkeerde draagwijdte aan de bestreden bepalingen. Zij is van oordeel dat, indien een RUP zou zijn aangetast door meerdere onregelmatigheden, de overheid op grond van de bestreden bepalingen zal overgaan tot het herstel van alle vastgestelde en herstelbare onregelmatigheden.  

B.26. Krachtens de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet kan de bevoegde overheid een besluit houdende definitieve vaststelling van een RUP intrekken en hernemen « met het oog op het herstel van een onregelmatigheid ». Uit het gebruik van het weliswaar enkelvoudige begrip « een onregelmatigheid » kan niet worden afgeleid dat de betrokken overheid ermee zou kunnen volstaan om slechts één onregelmatigheid te herstellen indien meerdere onregelmatigheden werden vastgesteld. Ook bij ontstentenis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling gebieden het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, die elk bestuurlijk optreden kenmerken, dat de overheid die een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP op grond van de bestreden bepalingen intrekt en herneemt, alle vastgestelde onregelmatigheden herstelt, binnen de perken aangegeven in B.20. 

B.27. Voorts voeren de verzoekende partijen een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de hoorplicht, doordat de overheid het betrokken publiek dat onregelmatigheden heeft aangeklaagd, niet in staat zou moeten stellen om zijn standpunt over de wijze van herstel mee te delen. De bestreden bepalingen, die een reglementaire bestuurshandeling betreffen, kunnen geen afbreuk doen aan de hoorplicht, die als beginsel van behoorlijk bestuur enkel van toepassing is op individuele bestuurshandelingen. 

B.28. Het derde middel is niet gegrond'.

Lees hier het integrale arrest van het Gronwettelijk Hof.
19/07/2019

Onteigeningen, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en Publius

Deze week vernamen we bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat er al 5 onteigeningsdossiers werden gepleit voor de  Raad… en dat ons kantoor in alle 5 betrokken is. :) 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is sedert 1 januari 2019 bevoegd voor de administratieve beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten.  De Raad van State, die voorheen bevoegd was inzake onteigeningen, behandelt  enkel nog de cassatieberoepen tegen de uitspraken van de RvVb.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Leandra Decuyper, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (2). Over artikel 2 §3 van het Functiewijzigingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in het arrest van 26 juni 2019 (zie ook vorig blogbericht) uitgesproken over artikel 2, §3 van het besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, dat bepaalt:

‘Vrijgesteld van deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is het in een woongebouw uitoefenen van functies, complementair aan het wonen, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is:

1° het woongebouw is gelegen in een woongebied of in een daarmee vergelijkbaar gebied
2° de woonfunctie blijft behouden als hoofdfunctie
3° de complementaire functie bestaat uit een geringere oppervlakte dan de woonfunctie met een totale maximale vloeroppervlakte van 100 m²
4° de complementaire functie is niet strijdig met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden’.

Het hof van beroep te Antwerpen spreekt tegen dat in het aan haar voorgelegde geval sprake was van ‘een woongebouw’:

Ook al gaat het met zekerheid over één gebouw, even zeker is, zoals uit de foto’s blijkt, nochtans dat de schuur fysiek afscheidbaar is van het woongedeelte van hetzelfde gebouw en is omgevormd tot feestzaal. De schuur is nooit voor wonen bestemd of gebruikt geweest, nu zij als opslagplaats en garage is gebruikt’.

De uitzonderingsregel kan dus niet gebruikt worden om in een schuur, aansluitend van het woongedeelte, een feestzaal in te richten.

Boeiend is ook de uitspraak van het hof in verband met de berekening van de oppervlakte van 100 m². De exploitant van de feestzaal had een landmeter uitgenodigd om oppervlakkige metingen te doen en als bij toeval bedroeg de feestzaal 99 m².

Het hof stelt zich vragen over het gedeelte van de schuur dat met een houten wand werd dichtgemaakt. Uit de foto’s kan niet met zekerheid worden afgeleid dat deze houten wand kan opengemaakt worden. In ieder geval stelt het hof dat de landmeter ten onrechte de inkomsas met een oppervlakte van 1,7 m² heeft uitgesloten van zijn berekening, ‘terwijl de inkom van de feestzaal zonder twijfel wel deel uitmaakt van de feestzaal’.

Nog frappanter is dat het hof opmerkt dat uit niets blijkt ‘dat de opmetingen van de landmeter rekening hebben gehouden met het terras’. Hieruit kan afgeleid worden dat bij de berekening van de 100 m²-drempel niet enkel rekening moet gehouden worden met de functiewijziging binnen in als met de functiewijziging in open lucht. Het terras werd immers ook door de feestzaal gebruikt.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (1): Over artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in een arrest van 26 juni 2019 uitgesproken over artikel 7.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is:

‘Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, als de tijdelijke functiewijziging een maximale duur van 4 periodes van 30 aaneen gesloten dagen per kalenderjaar niet overschrijdt. Op de eerste dag van de functiewijziging begint de periode van 30 dagen te lopen ongeacht of de functiewijziging de volle 30 dagen gebeurt. De periodes van 30 dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet’.

Het hof van beroep besliste:

‘Uit de stukken, foto’s en aanvragen tot het bekomen van een vergunning uitgaande van mevrouw M. zelf, blijkt dat er van enige tijdelijkheid geen sprake is. De omvorming van de schuur naar feestzaal is definitief en de uitbating van de feestzaal is meer dan tijdelijk, namelijk niet slechts voor 4 maal 30 dagen per jaar. Deze uitzondering op de vergunningsplicht is aldus niet van toepassing’.

De uitspraak van het hof is meer dan interessant. Het blijkt dat artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit niet kan gebruikt worden om een constructie duurzaam in te richten voor een bepaalde stedenbouwkundige functie, zelfs niet indien de uitbating minder bedraagt dan 4 maal 30 dagen per jaar.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1).

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2019

Substituerende milieustakingsvorderingen die werden ingeleid vóór 1 januari 2019 moeten verder behandeld worden

Met blogbericht van 11 september 2019 lieten we u weten:

'Een van de vele innovaties van het Decreet over het lokaal bestuur is dat artikel 194 Gemeentedecreet zondermeer wordt geschrapt. Dit artikel liet toe dat als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaat in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij de zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.  Zowel natuurlijke personen als milieuverenigingen maakten gretig gebruik van dit substituerend vorderingsrecht, in het bijzonder bij de zogenaamde milieustakingsvorderingen.

Artikel 577,50° DLB heft artikel 194 van het Gemeentedecreet op, hetgeen ook meteen het einde inluidt van de substituerende milieustakingsvordering. Deze opheffing treedt in werking op 1 januari 2019. Alle lopende milieustakingsprocedures worden gewoon verder afgehandeld'.

De afschaffing van de zgn. substituerende milieustakingsvordering werd aanbgevochten voor het Grondwettelijk Hof. Er is nog geen uitspraak.

In een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni 2019 wordt bevestigd dat de lopende milieustakingsprocedures niet komen te vervallen. Het Antwerpse hof was gevat door een aantal buurtbewoners die namens hun gemeente de sluiting van een onvergunde feestzaal vorderden.  De exploitant van de feestzaal wierp tegen dat het substituerende vorderingsrecht was vervallen. Het hof antwoordt dat niet wordt aangetoond dat de opheffing van artikel 194 Nieuwe Gemeentewet terugwerkende kracht heeft. Doordat de dagvaarding werd ingeleid voor 1 januari 2019, werd de vordering ontvankelijk bevonden.

Het is de inleidende dagvaarding die telt. Na 1 januari 2019 is het (vooralsnog) onmogelijk om een nieuwe substituerende milieustakingsvordering in te leiden.Er is o.i. dus geen beletsel dat na 1 januari 2019 nog beroep wordt aangetekend tegen de uitspraak in eerste aanleg. .  

Referentie: Antwerpen 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (PUB506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht