24/09/2016

Geen subjectief recht om gezien te worden vanuit de snelweg

Een bedrijf dat een schadevergoeding vorderde omdat door het plaatsen van geluidsmuren het zicht naar haar vestiging werd verhinderd, wordt door het hof van beroep te Gent in een arrest van 9 september 2016 in het ongelijk gesteld:

'C. acht zich geschaad in haar rechten, en meerbepaald in haar eigendomsrecht over het perceel gelegen te … wegens de (bij het instellen van de vordering geplande en vergunde, en thans reeds uitgevoerde) aanleg / bouw langs de autosnelweg E40, gelegen op iets meer dan 30 meter langs de achterzijde van haar gebouw / installaties, van (ondoorzichtige) geluidswerende schermen met een hoogte van 3,50 meter, waardoor haar gebouw / installaties niet meer zichtbaar zouden zijn van op de gezegde autosnelweg.

C. beroept zich aldus op een subjectief recht van zichtbaarheid vanuit de omgeving en m.n. van zichtbaarheid van op een naburige, op iets meer dan 30 meter gelegen autosnelweg. Anders dan C. voorhoudt / inroept, is het hof van oordeel dat dergelijk ingeroepen subjectief recht in hoofde van C. niet bestaat (en dienvolgens door het Vlaams Gewest, daarin bijgetreden door de stad Aalst terecht betwist wordt).

C. beschikt niet over een subjectief recht, weze het als onderdeel of accessorium van haar eigendomsrecht, om (ongehinderd) zichtbaar te zijn vanuit de omgeving en in zonderheid van op gezegde autosnelweg. Wanneer deze (toevallige / feitelijke) zichtbaarheid belemmerd wordt, of zelfs geheel zou verdwijnen, in zonderheid door het aanbrengen langs de betrokken autosnelweg van (ondoorzichtige) geluidswerende schermen, heeft deze bescherming met betrekking tot deze feitelijkheid en/of heeft deze verdwijning van deze feitelijkheid, waaromtrent geen subjectief recht (als onderdeel / accessorium van het eigendomsrecht) bestaat, geen aantasting van het eigendomsrecht van C. en/of geen verstoring van het evenwicht tussen enerzijds het eigendom / perceel van C. en anderzijds het naastliggend openbaar domein tot gevolg. De vordering van C., die gesteund is op dergelijke aantasting / verstoring, en die m.n. gesteund is op art. 544 B.W., is daarom, in de mate dat ze al ontvankelijk zou zijn, hoe dan ook niet gegrond.’

Referentie: Gent, 9 september 2016, AR 2013/2257, ng. (pub503748-3)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Burenhinder, Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/09/2016

Proefversie nieuwe Publiuswebsite online!

Beste bezoeker

Je kijkt naar onze nieuwe website.  Die is nog gedeeltelijk in opbouw en nog niet 100% in orde. Wellicht zijn er hier en daar nog wat kinderziekten.

Als er iets niet in orde is of je hebt andere opmerkingen, zeg het ons dan.  Bel naar onze office manager Evelien Dumoulin (+3256745600) of mail ons (klik hier).  We zijn je alvast dankbaar voor je input.

Het Publiusteam

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/09/2016

Goede ligging verantwoordt op zich geen hogere onteigeningsvergoeding wegens toekomstwaarde

In een niet-gepubliceerd vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 5 september 2016 heet het:

‘Waar de onteigende percelen op een, volgens eisers, prachtige zichtlocatie zijn gelegen en daardoor een bestemmingswijziging onvermijdelijk is, dient de rechtbank vast te stellen dat er op het ogenblik van de onteigening geen enkel concreet element voorlag op basis waarvan zou kunnen worden besloten dat er een herbestemming zou volgen. Enkel en alleen op basis van de beweerde goede ligging van een grond kan niet worden besloten dat een herbestemming van deze grond waarschijnlijk is. Eisers dienen dit te bewijzen. Zuiver speculatieve overwegingen zijn immers niet voldoende om de onteigende percelen toekomstwaarde toe te meten.’

Referentie: Rb. Gent 5 september 2016, AR15/2583/A, ng. (pub503610-2-)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Lokale besturen, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/09/2016

Een loutere verwijzing naar een gunstig advies van een gemeentelijke bouwcommissie volstaat niet als motivering van een handelsvestigingsvergunning

Zo oordeelde de Raad van State in haar arrest nr. 235.392 van 7 juli 2016:

‘Anders dan de verwerende partij dit blijkbaar ziet, kan een derde-belanghebbende, zoals in casu verzoeker, zich met goed gevolg op een schending van de formele motiveringsplicht beroepen.

Met verzoeker dient vastgesteld dat de bestreden beslissing bijzonder karig is gemotiveerd. Zij beperkt zich in wezen tot een opsomming van de toepasselijke wettelijke bepalingen, onder een titel ‘juridische overwegingen’, en het weergeven van de administratieve stappen in de procedure, onder een titel ‘feitelijke overwegingen’.

De verwerende partij en de tussenkomende partij houden voor dat de bestreden beslissing is gebaseerd op een in deze beslissing vermeld ‘gunstig advies van 16/09/2014 van de gemeentelijke bouwcommissie’, waarin de door artikel 7 §2 van de handelsvestigingenwet bedoelde criteria worden onderzocht. Vastgesteld dient evenwel dat in de bestreden beslissing nergens wordt vermeld dat dit advies wordt bijgetreden. Er wordt ook geen melding gemaakt van de inhoud van het advies, noch blijkt het aan de bestreden beslissing te zijn gehecht om er integrerend deel van uit te maken. 

Gelet op het voormelde, ligt een schending van de formele motiveringsplicht voor.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Handelsvestigingen, Motiveringsplicht, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/09/2016

Adviesverplichting van aangrenzende gemeenten bij grote handelsvestigingen … is enkel een zaak van de aangrenzende gemeenten

Zo oordeelde de Raad van State in haar arrest nr. 235.392 van 7 juli 2016:

'Artikel 5, eerste lid, laatste volzin, van de handelsvestigingenwet dat ‘indien de geplande vestiging (…) een netto-oppervlakte van meer dan 2.000 m² beslaat, (…) het college van burgemeester en schepenen de aangrenzende gemeenten op de hoogte [stelt] van het project’.

De voormelde vereiste blijkt enkel het belang van de aangrenzende gemeenten te dienen. Met de gebeurlijke schending ervan blijkt verzoeker geen waarborg te zijn ontnomen. Verzoeker ontbeert derhalve het vereiste belang bij het middel. De desbetreffende excepties van de verwerende partij en de tussenkomende partij zijn gegrond.

Ten overvloede wordt vastgesteld dat de door de verwerende partij bijgebrachte stukken 10 en 11 overtuigen van het voldaan zijn aan de onder randnummer 7.1 gestelde vereiste ten aanzien van de gemeenten Diepenbeek en Alken.

Het middel wordt verworpen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags